3‘Neem mijn slavin Bilha dan,’ zei ze, ‘en slaap met haar. Als zij kinderen baart, zal ik die op mijn knieën nemen; dan krijg ik door haar toch nakomelingen.’ 4Dus gaf ze hem haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob sliep met haar. 5Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. 6Toen zei Rachel: ‘God heeft mij recht gedaan: Hij heeft mij verhoord en mij een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan.7Opnieuw werd haar slavin Bilha zwanger, en ze baarde Jakob nog een zoon.
9Omdat Lea geen kinderen meer kreeg, gaf zij Jakob haar slavin Zilpa tot vrouw. 10En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon. 11‘Het geluk is met mij!’ zei Lea, en ze noemde hem Gad.12Toen haar slavin Zilpa Jakob een tweede zoon baarde,