Dag 17: Iedereen is welkom

In Jesaja 56 zet God de deur wijd open voor buitenstaanders. Mensen die zich tot dan toe buitengesloten voelden, worden nu van harte uitgenodigd om bij God en zijn volk te komen.

Uitleg Jesaja 56:1-8
Regels voor de tempel
Om Jesaja 56 goed te begrijpen, moet je een idee hebben welke regels over de tempel en de tempeldienst er in de rest van de Bijbel staan. In het bijbelboek Leviticus vind je veel van die regels. In die regels wordt telkens weer duidelijk dat de mensen (en dieren) die een rol spelen in de tempeldienst, geen gebreken mogen hebben. Als je in de heilige woning van God een belangrijke rol wilt spelen, mag je geen gebreken hebben. In Leviticus 21:20 lees je bijvoorbeeld dat mannen met verpletterde zaadballen – mannen die gecastreerd zijn – geen offer mag brengen als priester. En in Deuteronomium 23:2-9 lees je dat mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn of bij wie de penis is afgesneden en bepaalde vreemde volken niet mogen deelnemen aan de dienst van de Heer. Daarom is Jesaja 56 ook zo opvallend.

Het nieuwe van Jesaja 56
Het draait er in Jesaja 56 om dat de redding die er voor Gods volk is, ook bestemd is voor buitenstaanders. Aan het begin van het laatste deel van het boek Jesaja worden de deuren wijd geopend voor diegenen die vroeger buitengesloten waren. Eunuchen zijn nu volledig deel van Gods volk (vers 4-5). Een eunuch was een hofdienaar in het oude Nabije Oosten. Hij was meestal gecastreerd. De eunuch klaagt over het feit dat hij geen kinderen kan krijgen (‘Ik ben maar een dorre boom’, vers 3). Maar God geeft hem iets beters dan zonen of dochters, namelijk een gedenkteken en een naam in Gods tempel. Vreemdelingen, niet-Joden, klagen erover dat ze niet helemaal deel zijn van Gods volk, dat God hun trouw niet beantwoordt (vers 3). We hebben er in Jesaja 42 en 49 al over gelezen dat de volken bij God wilden horen. Het is opvallend dat de profeet droomt over een moment dat de volken bij dit kleine, machteloze volk en zijn God willen horen. Maar ook zij mogen zich nu thuis voelen bij God, in zijn tempel (vers 6-7). Ze mogen er zelfs offers brengen. Het hoogtepunt van dit stuk komt aan het eind van vers 7. De tempel zal ‘Huis van gebed voor alle volken’ heten. Iedereen is welkom bij Gods volk. Niet alleen bij Gods volk, maar zelfs in Gods huis. Dichter bij God kun je niet komen. De redding van de buitenstaanders staat zó centraal in deze tekst, dat er pas op het eind, in vers 8, ook over Israël zelf wordt gesproken.

Verband met andere teksten: Jesaja 56 tijdens de tempelreiniging
Als Jezus de tempel binnengaat en de tafels van de geldwisselaars omvergooit (Marcus 11:15-17), citeert hij Jesaja 56:7b en verwijst hij naar Jeremia 7:11. De tempel zou een huis van gebed voor alle volken moeten zijn, zoals beschreven in Jesaja 56. Maar volgens Jezus hebben de mensen er een rovershol van gemaakt, zoals Jeremia 7:11 beschrijft.

Vragen

  1. Vreemdelingen willen bij God horen in deze bijbeltekst. Wat zou de aantrekkingskracht van de God van Israël zijn?
  2. Jezus citeert Jesaja 56:7 en noemt de tempel een huis van gebed voor alle volken. Kun je andere teksten uit het Nieuwe Testament bedenken die teruggrijpen op de openheid van Jesaja 56?
  3. Jesaja 56 verwelkomt vreemdelingen op een manier die oudere teksten uit het Oude Testament niet kennen. Waarom zou dit volgens jou zo zijn? Wat zegt dit over God?

Kader
Het derde deel van het boek Jesaja
Het derde deel van het boek Jesaja speelt zich af ná de Babylonische ballingschap. Gods volk wordt verder aangespoord om in zijn thuisland trouw te blijven aan God. Er is veel aandacht voor het rechtvaardige deel van Gods volk, de dienaren, het nageslacht van de dienaar van God. Gods volk en alle andere volken worden verwelkomd bij God, op zijn heilige berg. Het boek sluit af met een toekomstvisioen waarin Gods trouw en goede zorg voor zijn dienaren duidelijk wordt.

56-59: Gods woning op de berg
60-64: Sion en de vreugdebode
65-66: God laat zich zien aan zijn dienaren