Dag 10 | Jezus, Simeon en Anna in de tempel

Bijbeltekst(en)

In deze tekst vormen twee voorschriften uit de wet van Mozes de setting voor dramatische ontmoetingen in de tempel in Jeruzalem: Simeon en Anna ontmoeten Jezus en verkondigen zijn identiteit en betekenis. Met name Simeon komt uitvoerig aan het woord met een eigen lofzang. Als Simeon in vers 25 ten tonele komt, herneemt Lucas in zijn beschrijving elementen die al een rol speelden: rechtvaardigheid en vroomheid (vergelijk 1:6: Zacharias en Elisabet), net zoals de ‘vertroosting van Israël’ (vergelijk de inhoud van de lofzangen van Zacharias en Maria) en de heilige Geest, die de grote kracht achter het hele verhaal in Lucas 1-2 is. Dat laatste is hier ook zo: de Geest is op Zacharias, deze heeft hem geopenbaard dat hij niet zal sterven voordat hij Gods Messias gezien heeft en door dezelfde Geest gaat hij juist nu naar de tempel. Hij is zo de belichaming van het (al)oude, vrome Israël dat hunkerend uitziet naar verlossing – ook dit is een vorm van het motief van continuïteit tussen Jezus en Israël. Zodra Simeon het kind en zijn ouders ziet, neemt hij het in zijn armen en zingt een loflied. Wat in deze scène geen commentaar krijgt, is dat het voor de ouders een nogal onverwachte, zo niet choquerende ervaring geweest moet zijn: een onbekende oude man die zomaar hun baby in z’n armen neemt! Simeons lofzang is de derde in Lucas 1-2, Maria en Zacharias gingen hem voor. De functie van deze lofzang lijkt ook op die van de twee voorgangers, want Lucas gebruikt drie keer achter elkaar dezelfde literaire techniek. Een meer of minder vanzelfsprekende scène (Elisabets bezoek aan Maria; de naamgeving en besnijdenis van Johannes; de opdracht van Jezus in de tempel) wordt het toneel van een (profetische) lofzang die de eigenlijke betekenis van wat er gebeurt en met name van Jezus (en Johannes) aangeeft. Simeons loflied is wel korter en krachtiger dan de beide voorgangers en gaat van zijn eigen situatie uit: nu hij Gods heil gezien heeft, dat wil zeggen de Messias (vers 30, zie vers 26) en daarmee Jezus die hij in zijn armen houdt, kan hij sterven (vers 29-30, zie vers 26). Onmiddellijk daarna legt Simeon wel een accent dat in de beide eerdere lofzangen niet zo benadrukt wordt, terwijl het voor de handeling van het Lucas-evangelie (en vooral ook voor deel twee van de hand van Lucas, de handelingen der apostelen) van groot belang zal zijn: de betekenis van Jezus gaat boven de bevrijding van Israël op zich uit, want Jezus zal zijn ‘een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk’ (vers 32). Waar het in de beide eerste lofliederen vooral om de verlossing van Israël gaat – en je je maar moet afvragen wat voor plek er voor de ‘heidenen’ overblijft! – heeft Jezus hier duidelijk ook een positieve betekenis voor andere volken dan het Joodse. Wat dit zal betekenen, is wel nog open – in profetische teksten gaat het er soms ook om dat Israëls heerlijkheid de onderwerping van andere volken betekent! Weer introduceert Lucas zo een ‘cliffhanger’: hij duidt iets aan, zonder er nog bij te vertellen hoe dat precies gestalte gaat krijgen; om dat te ontdekken, is de rest van zijn evangelie nodig.

Simeon kent in Hanna een vrouwelijke parallel. Ook zij belichaamt het beste – met name: het meest Godgewijde – van Israël. Haar naam kan daar ook een uitdrukking van zijn (Hanna – chanan/chen – genade). Wellicht is er ook een verband met die andere Hanna op wie Elisabet zoveel lijkt en wiens woorden Maria deels in de mond nam (1 Samuel 2). Als weduwe hoort Hanna bij een kwetsbare groep in Israël, voor wie de Schrift steeds weer bijzondere aandacht vraagt, het soort groep dus waarvoor Jezus zich in het bijzonder zal inzetten. Naast oud en weduwe is Hanna ook vroom: ze is voortdurend in de tempel, vastend en biddend. Ook zij herkent in Jezus de Messias, dit blijkt tenminste uit Lucas’ samenvatting van haar woorden: ze ‘bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem’ (vers 38). Weer blijft hierbij in het midden waaruit die bevrijding van Jeruzalem nu zal bestaan. Wie het bredere verhaal van Jezus nog niet kent, zal toch in eerste instantie aan een militaire bevrijding denken – maar ook dat zegt Hanna niet; weer maakt het verhaal zo nieuwsgierig naar wat er komen gaat.

Kader: trouw aan de wet
De wet en de trouw eraan door de twee gezinnen die centraal staan, is een rode draad door de eerste twee hoofdstukken van het Lucas-evangelie. Zo blijken Jozef, Maria en Jezus, net zoals Zacharias, Elisabet en Johannes, vrome Joden, diep verankerd in de tradities van Israël. Wat Johannes en Jezus vervolgens gaan doen in hun leven is dan ook eigenlijk ‘niets nieuws’ maar alleen een uitvoering van dat wat door profeten al aangekondigd en door God al beloofd was. Deze verankering van het nieuwe in het oude helpt ook om het nieuwe te legitimeren in een maatschappij waarin het oude meestal als beter en betrouwbaarder gold dan het nieuwe. Uit de wet van Mozes komen hier twee dingen aan de orde. Het ene heeft primair betrekking op Maria, het andere op Jezus. Het eerste van de twee is de ‘reiniging’ van een moeder nadat ze gebaard heeft (Leviticus 12:1-8; hier genoemd in vers 22) – in het geval van een jongen is ze overigens langer onrein dan in het geval van een meisje, een weerslag van de verschillende waardering van jongens en meisjes in de antieke wereld. De gedachte achter deze onreinheid is dat het verlies van bloed iets te maken heeft met het verlies van levenskracht en daarmee met de dood. De dood is bij uitstek iets dat onrein maakt – en de gedachte dat dood en geboorte nauw met elkaar verbonden zijn, ligt, gezien de enorme sterfte in het kraambed in deze periode, wat meer voor de hand dan vandaag. Deze achtergrond is voor Lucas vermoedelijk minder van belang dan het feit dat er op deze manier gehandeld wordt. En dus gaat dit gezin naar de tempel om de voorgeschreven rite te voltrekken; een offer van een lam of twee duiven is daarvan onderdeel (vers 24). Bij Lucas lijkt dit terechtgekomen te zijn bij het tweede ritueel dat voltrokken wordt. Dat de familie kiest voor twee duiven en niet voor een lam zegt ook iets over hun economische mogelijkheden: ze kiezen voor de optie voor hen die geen schaap kunnen betalen (Leviticus 12:8); dit zet de lijn voort van de eenvoudige omstandigheden waarin ze leven. Overigens hoeft het niet te betekenen dat ze straatarm zijn: een lam was kostbaar en het overgrote deel van de bevolking van ‘Israël’ (de Romeinse provincie Judea) leefde in (heel) simpele omstandigheden. Het tweede ritueel dat een rol speelt, is het ‘vrijkopen’ van de eerstgeborene, die volgens Exodus 13:11-13 aan de Heer toebehoort – en eigenlijk gedood zou moeten worden. Dit bijzondere ‘aan de Heer toebehoren’ (wat voor Johannes ook geldt, maar wat in zijn geval niet uitgewerkt wordt) speelt in het geval van Jezus natuurlijk een belangrijke rol. Lucas onderstreept dit door het vrijkopen van Jezus als eerstgeboren zoon hier te vertellen.

Vragen
Het kindheidsevangelie als geheel kijkt zowel vooruit, naar het toekomstige leven van Jezus (en Johannes) en de betekenis daarvan voor Israël en de volken, als achteruit, naar de relatie tussen Jezus (en Johannes) en de tradities van Israël; hun ouders houden zich met nadruk aan de wet en in deze perikoop her- en erkennen ook vertegenwoordigers van het oude, vrome Israël Jezus. Dit geeft ruimte voor vragen.

  1. De relatie tussen Israël en kerk is een heet hangijzer; gezien het Lucas-evangelie hielden de vroegste volgelingen van Jezus zich hier ook al mee bezig. Hoe zou je de verhouding noemen die in deze tekst aan de orde komt?
  2. Woorden als ‘bevrijding’, ‘vertroosting’, ‘licht’ en ‘openbaring’ geven de betekenis van Jezus voor zowel Israël als de volken. Welke betekenis hebben deze woorden in het licht van het Lucas-evangelie? Welke betekenis zou je zelf aan ze geven?