Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Andere profetieën

91

9:1-6
Amos 1:3-10
Profetie.

Het woord van de HEER heeft Chadrach bereikt, en het rust op Damascus. Naar de HEER immers zal de hele mensheid zich richten, net als de stammen van Israël. 2

9:2-7
Joël 4:4-8
Ook op het aangrenzende Hamat rust het woord van de HEER, en op Tyrus en Sidon, ondanks al hun vernuft. 3Tyrus bouwde voor zichzelf een bolwerk, het hoopte zilver op als stof en goud als slijk in de straten, 4maar de Heer zal de stad in bezit nemen, haar rijkdom in zee storten, en de stad zelf gaat in vlammen op. 5Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt, 6
9:6
Sef. 2:4-7
en in Asdod woont nog slechts een onzuiver volk. Zo zal ik de hoogmoed van de Filistijnen breken. 7Vlees waar nog bloed in zit zal ik hun uit de mond rukken, en ook het andere voedsel dat ik verafschuw. Maar een deel van hen zal gespaard worden, en ook zij zullen toebehoren aan onze God. Ze zullen in Juda worden opgenomen, en Ekron zal met ons verbonden zijn zoals de Jebusieten. 8Ik zal de wacht betrekken en mijn land beschermen tegen doortrekkende legers. Geen tiran zal het nog binnenvallen, want nu waak ik er met eigen ogen over.

9

9:9
Mat. 21:5
Joh. 12:15
Juich, Sion,

Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!

Je koning is in aantocht,

bekleed met gerechtigheid en zege.

Nederig komt hij aanrijden op een ezel,

op een hengstveulen, het jong van een ezelin.

10

9:10
Ps. 72:8
Hos. 2:20
Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen

en de paarden uit Jeruzalem;

de bogen worden gebroken.

Hij zal vrede stichten tussen de volken.

Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,

van de Rivier tot de einden der aarde.

11

9:11
Ex. 24:4-8
Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed bekrachtigd, zal ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water. 12Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: ik zal je dubbel schadeloosstellen. 13Juda span ik als mijn boog, Efraïm richt ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef ik als een heldenzwaard tegen de Grieken.

14

9:14
Deut. 33:2
Ps. 18:15
Hab. 3:4
De HEER zal boven hen verschijnen: zijn pijlen flitsend als bliksemschichten, zijn ramshoorn grommend als de donder trekt God, de HEER, op in een zuiderstorm. 15De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar. 16Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17
9:17
Jer. 31:12-13
Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door wijn en graan.

10

101

10:1
Deut. 11:14
Ps. 135:7
Wanneer het voorjaar wordt,

vraag dan de HEER om regen.

Hij is het die onweerswolken maakt,

hij schenkt de mensen stortregens

en gewas op het veld.

2

10:2
Num. 27:17
1 Kon. 22:17
Ezech. 34:5
Mat. 9:36
Marc. 6:34
Orakels zijn bedrog

en waarzeggers vertellen leugens:

wat zij dromen komt niet uit,

hun troost bestaat uit holle woorden.

De mensen dolen rond als schapen,

ontredderd, want een herder is er niet.

3

10:3
Ezech. 34:2
Woedend ben ik op de herders, en de bokken zal ik weten te vinden. De HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken. 4Uit dit volk komt de hoeksteen voort, de tentpin en de oorlogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars. 5Krijgshaftig zullen ze in de strijd de vijand in het slijk vertrappen. Ze zullen overwinnen, want de HEER staat hen bij, maar zij die hoog te paard zitten gaan roemloos ten onder.

6

10:6
Zach. 12:5
Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof ik hen nooit verstoten had, want ik ben de HEER, hun God, en ik zal hun gebeden verhoren. 7Het krijgshaftige Efraïm zal dronken zijn van vreugde, en wanneer hun kinderen dat zien, zullen ook die zich verheugen en vol overgave juichen voor de HEER.

8Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen, want ik heb hen vrijgekocht. Ze zullen weer even talrijk worden als vroeger. 9

10:9
Deut. 30:1-3
Bar. 2:30-32
In den vreemde zal ik hen vrucht laten dragen, in verre streken zullen ze mij gedenken en hun kinderen grootbrengen,10:9 hun kinderen grootbrengen – Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘met hun kinderen leven’. en dan zullen ze terugkeren. 10Ik zal hen terughalen uit Egypte en Assyrië, en hen samenbrengen in Gilead en de Libanon, maar daar zal niet genoeg plaats zijn voor hen. 11Wanneer ze door de zee trekken, die hen omspoelt, zal de HEER de golven bedwingen en de beddingen van de Nijl zullen droogvallen. Zo wordt de hoogmoed van Assyrië ten val gebracht en de scepter van Egypte gebroken.

12

10:12
Zach. 12:5
Met mijn hulp zullen ze onoverwinnelijk zijn, en zij zullen optrekken in mijn naam – zo spreekt de HEER.

11

111Open je poorten, Libanon!

Vuur zal je ceders verteren.

2Klaag, cipres, want gevallen is de ceder:

de machtigen zijn geveld.

Huil, eiken van Basan,

want gevallen is het ondoordringbare woud.

3Hoor de herders jammeren,

want verwoest is hun lustoord.

Hoor de leeuwen brullen,

want verwoest is de trots van de Jordaan.

4Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen – spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ 7Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde.11:7 dat aan de veehandelaars toebehoorde – Volgens de Septuaginta. MT: ‘daarom de ellendigste van de schapen’. Ik nam twee stokken – de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid – en daarmee weidde ik het vee. 8In één maand ontdeed ik me van drie herders. Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, 9en zei: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’ 10Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, 11en daarmee was het verbroken. De veehandelaars,11:11 De veehandelaars – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Zo de ellendigste van de schapen’. die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de HEER. 12

11:12
Mat. 27:3-10
Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. 13Toen zei de HEER tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, 14
11:14
Zach. 11:7
en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken.

15Toen zei de HEER tegen mij: ‘Rust je nogmaals toe als een herder, als een die niet deugt. 16

11:16
Ezech. 34:2-4
Ik zal immers in dit land een herder laten optreden die zich om het verdoolde schaap niet bekommert en het afgedwaalde niet zoekt, die het gekwetste niet geneest en het gezonde niet verzorgt, maar die het vlees van de vette dieren opeet en afkluift tot op het bot.’

17Wee de nietsnut van een herder

die de kudde in de steek laat!

Moge het zwaard zijn rechterarm treffen

en zijn rechteroog uitsteken.

Moge zijn arm verschrompelen

en het licht in zijn oog doven.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]