Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
47

471Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

2

47:2
Sef. 3:14
Klap in de handen, o volken,

juich God toe met jubelzang:

3

47:3
Ex. 15:18
Jes. 52:7
geducht is de HEER, de Allerhoogste,

machtige koning van heel de aarde.

4Volken dwong hij voor ons op de knieën,

naties legde hij aan onze voeten.

5Hij koos voor ons een eigen land,

de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft. sela

6

47:6
Ps. 68:19
98:6
Onder gejuich steeg God omhoog,

de HEER steeg op bij hoorngeschal.

7Zing voor God, zing een lied,

zing voor onze koning, zing hem een lied:

8God is koning van heel de aarde.

Zing een feestelijk lied.

9

47:9
Jer. 10:7
God heerst als koning over de volken,

God zetelt op zijn heilige troon.

10De vorsten van de volken zijn bijeen

in het gevolg van Abrahams God.

Zijn schildwachten zijn ze op aarde.

Hoog is hij verheven.

48

481Een lied, een psalm van de Korachieten.

2

48:2
Ps. 96:4
Groot is de HEER, hem komt alle lof toe.

In de stad van onze God, op zijn heilige berg

3– schone hoogte, vreugde van heel de aarde,

Sionsberg, flank op het noorden,

zetel van de grote koning –

4in haar vesting weet men:

God is onze burcht.

5Koningen sloten zich aaneen,

samen trokken zij ten strijde.

6Maar wat zij zagen, verbijsterde hen,

verschrikt namen zij de vlucht.

7

48:7
Ex. 15:14
Jer. 4:31
Een siddering greep hen daar aan,

zoals krampen een barende vrouw,

8zoals de oosterstorm inbeukt

op schepen uit Tarsis.

9In de stad van de HEER van de hemelse machten,

in de stad van onze God,

hebben wij gezien wat wij hadden gehoord:

God houdt haar voor eeuwig in stand. sela

10In uw tempel, God,

gedenken wij uw blijken van trouw.

11

48:11
Ps. 113:3
Mal. 1:11
Zoals uw naam, o God, zo reikt ook uw roem

tot aan de einden der aarde,

uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

12

48:12
Ps. 97:8
De Sionsberg verheugt zich,

de steden van Juda juichen

om uw rechtvaardige daden.

13Ga rond Sion, trek eromheen,

tel zijn torens.

14

48:14
Ps. 71:18
Bezie met aandacht zijn muren,

bewonder zijn vesting

en vertel aan uw nageslacht:

15‘Zo is God,

onze God, nu en altijd,

hij is het die ons leidt, voor eeuwig.’48:15 voor eeuwig – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. Betekenis van het Hebreeuws onzeker.

49

491Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

2Hoor, alle volken,

luister, bewoners van de wereld,

3mensen, kinderen van Adam,

rijk en arm, iedereen.

4

49:4
Ps. 78:2
Mijn mond spreekt wijze woorden,

diepzinnig is wat mijn hart overpeinst,

5ik heb een open oor voor raadselspreuken,

bij het spel op de lier onthul ik een geheim.

6Waarom zou ik vrezen in slechte tijden,

als ik door uitbuiters word omringd,

7

49:7-9
Spr. 11:4
49:7
Jer. 9:22
die vertrouwen op hun vermogen

en pronken met hun rijkdom?

8

49:8
Job 33:24
Geen mens kan een ander vrijkopen,

wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen.

9De prijs van het leven is te hoog,

in eeuwigheid niet op te brengen.

10Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven,

de kuil van het graf nooit zou zien.

11

49:11
Pred. 2:16
Dit zien we: wijze mensen sterven,

maar ook dommen en dwazen vergaan

en laten hun vermogen achter.

12Het graf49:12 Het graf – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘Hun binnenste’. is hun eeuwig thuis,

hun woning van geslacht op geslacht,

ook al stond er veel land op hun naam.

13

49:13
Pred. 3:18-19
Nee, een mens, hoe rijk ook,

ontkomt niet aan het duister,

hij is als een dier dat wordt afgemaakt.

14Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen,

zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela

15als schapen verblijven zij in het dodenrijk,

en de dood is hun herder.

In de morgen vertrappen de oprechten hun graf,

hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.

16Maar mij zal God vrijkopen uit de macht

van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen. sela

17Wees niet bevreesd als iemand rijk wordt,

een groter huis heeft en meer weelde.

18

49:18
Pred. 5:14
1 Tim. 6:7
Want bij zijn dood kan hij niets meenemen,

zijn weelde volgt hem niet in het graf.

19Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven

– wie roemt je niet in je voorspoed? –,

20hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht,

bij hen die het licht nooit meer zullen zien.

21Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook,

is als een dier dat wordt afgemaakt.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]