Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151

15:1-5
Ps. 24:3-6
Jes. 33:15-16
Een psalm van David.

HEER, wie mag gast zijn in uw tent,

wie mag wonen op uw heilige berg?

2

15:2
Ps. 119:1
Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is,

wie oprecht de waarheid spreekt.

3Hij doet aan lasterpraat niet mee,

hij benadeelt een ander niet

en drijft niet de spot met zijn naaste.

4Hij veracht wie geen achting waard is,

maar eert wie ontzag heeft voor de HEER.

Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel,

5voor een lening vraagt hij geen rente,

hij verraadt geen onschuldigen voor geld.

Wie zo doet, komt nooit ten val.

16

161Een stil gebed van David.

Behoed mij, God, ik schuil bij u.

2Ik zeg16:2 Ik zeg – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT: ‘Jij zegt’. tot de HEER: ‘U bent mijn Heer,

mijn geluk, niemand gaat u te boven.’

3Maar tot de goden in dit land,

de machten die ik vereerd heb, zeg ik:

4‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’

Ik pleng voor hen geen bloed meer,

niet langer ligt hun naam op mijn lippen.

5

16:5
Klaagl. 3:24
HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker,

u houdt mijn lot in handen.

6Een lieflijk land is voor mij uitgemeten,

ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.

7Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft,

zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

8

16:8
Ps. 121:3
Steeds houd ik de HEER voor ogen,

met hem aan mijn zijde wankel ik niet.

9

16:9-11
Hand. 2:25-28
Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,

mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

10

16:10
Hand. 13:35
U levert mij niet over aan het dodenrijk

en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

11U wijst mij de weg naar het leven:

overvloedige vreugde in uw nabijheid,

voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

17

171Een gebed van David.

Luister, HEER, ik vraag om recht,

luister naar mijn smeken,

hoor mijn gebed –

geen leugen komt over mijn lippen.

2Laat van u het oordeel komen,

laat uw oog zien wat juist is.

3

17:3
Job 23:10
Bezoekt u mij in de nacht

en beproeft en peilt u mijn hart,

u zult niets in mijn nadeel vinden,

geen kwaad kwam uit mijn mond.

4Hoe de mensen ook leven,

ik houd mij aan het woord van uw lippen.

De weg van roof en geweld

heb ik altijd gemeden,

5

17:5
Ps. 18:37
mijn voeten volgden uw spoor,

mijn stappen wankelden niet.

6Ik roep tot u om hulp,

want u geeft mij antwoord.

Wil mij horen, God,

luister naar mijn spreken,

7toon mij de wonderen van uw trouw.

Wie bij u schuilen redt u

van hun tegenstanders, met uw machtige hand.

8

17:8
Ruth 2:12
Ps. 36:8
61:5
63:8
91:4
Behoed mij als de appel van uw oog,

verberg mij in de schaduw van uw vleugels

9voor de goddelozen die mij geweld aandoen,

voor de vijanden die mij naar het leven staan.

10Hun hart is gevoelloos en gesloten,

hun mond spreekt hoogmoedige taal.

11Ze sluiten mij in waar ik mijn voeten ook zet,

ze houden mij in het oog en hopen op mijn val.

12

17:12
Ps. 10:9
22:14
35:17
57:5
Mijn vijand is een leeuw, belust op prooi,

een roofdier dat zich schuilhoudt.

13

17:13
Jer. 15:15
Sta op, HEER,

ga op hem af en druk hem tegen de grond.

Laat uw zwaard mij bevrijden van de goddelozen,

14uw hand, HEER, mij verlossen van die mannen

des doods, die leven voor kortstondig gewin.

Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt,

ze mogen hun kinderen ermee verzadigen,

hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet.

15Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,

bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.