Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
138

1381

138:1
Ps. 9:2
Van David.

Ik wil u loven met heel mijn hart,

voor u zingen onder het oog van de goden,

2

138:2
Ps. 5:8
mij buigen naar uw heilige tempel,

uw naam loven om uw liefde en trouw:

grote dingen hebt u beloofd, tot eer van uw naam.

3

138:3
Jes. 40:29
Toen ik u aanriep, hebt u geantwoord,

mij bemoedigd en gesterkt.

4

138:4
Mal. 1:11
Laten alle koningen op aarde u loven, HEER,

zij hebben de beloften uit uw mond gehoord.

5

138:5
Ps. 68:33
Laten zij de wegen van de HEER bezingen:

‘Groot is de majesteit van de HEER.

6

138:6
Ps. 113:5-6
Jes. 57:15
Luc. 1:51-52
De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet hij om,

de hoogmoedige doorziet hij van verre.’

7Al is mijn weg vol gevaren, u houdt mij in leven,

u verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden,

uw rechterhand brengt mij redding.

8De HEER zal mij altijd beschermen.

HEER, uw trouw duurt eeuwig,

laat het werk van uw handen niet los.

139

1391

139:1
Jer. 12:3
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,

2

139:2
2 Kon. 19:27
Job 31:4
Ps. 44:22
u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten.

3Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd.

4Geen woord ligt op mijn tong,

of u, HEER, kent het ten volle.

5U omsluit mij, van achter en van voren,

u legt uw hand op mij.

6Wonderlijk zoals u mij kent,

het gaat mijn begrip te boven.

7

139:7-12
Job 23:8-10
Spr. 15:11
Jer. 23:23-24
Amos 9:2-3
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,

hoe aan uw blikken ontkomen?

8Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

9Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,

al ging ik wonen voorbij de verste zee,

10ook daar zou uw hand mij leiden,

zou uw rechterhand mij vasthouden.

11Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,

het licht om mij heen veranderen in nacht,’

12

139:12
Job 12:22
34:22
Dan. 2:22
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –

de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

13

139:13
Job 10:8
U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

14Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,

wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

15Toen ik in het verborgene gemaakt werd,

kunstig geweven in de schoot van de aarde,

was mijn wezen voor u geen geheim.

16

139:16
Mal. 3:16
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,

alles werd in uw boekrol opgetekend,

aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

17

139:17
Job 11:7
Rom. 11:33
Hoe rijk zijn uw gedachten, God,

hoe eindeloos in aantal,

18

139:18
Ps. 40:6
ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.

Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

19

139:19
Ps. 119:115
God, breng de zondaars om,

– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –

20ze spreken kwaadaardig over u,

uw vijanden misbruiken uw naam.

21

139:21
Ps. 119:158
Zou ik niet haten wie u haten, HEER,

niet verachten wie tegen u opstaan?

22Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,

ze zijn mijn vijand geworden.

23

139:23
Ps. 17:3
26:2
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,

peil mij, weet wat mij kwelt,

24zie of ik geen verkeerde weg ga,

en leid mij over de weg die eeuwig is.

140

1401Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Bevrijd mij, HEER, van wie mij kwaad doen,

behoed mij voor hun bruut geweld.

3In hun hart bedenken zij boze plannen,

heel de dag zoeken ze strijd.

4

140:4
Rom. 3:13
Hun tong is scherp als die van een slang,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder. sela

5

140:5-6
Jer. 18:22
Houd mij, HEER, uit de handen van schurken,

behoed mij voor hun bruut geweld.

Ze zijn op mijn ondergang uit,

6

140:6
Ps. 56:7
57:7
Sir. 12:16
in hun hoogmoed leggen ze strikken,

ze spannen met touwen een net

en zetten een val op mijn weg. sela

7

140:7
Ps. 31:15
Ik roep tot de HEER: ‘U bent mijn God,

luister, HEER, naar mijn smeekgebed.

8HEER, mijn God, machtige redder,

u beschermt mij op de dag van de strijd.

9HEER, geef de schurken niet wat zij begeren,

doorkruis hun plannen als zij opstaan tegen mij. sela

10Dat het hoofd van mijn belagers

wordt getroffen door de vloek van hun lippen.

11

140:11
Ps. 11:6
55:24
Dat vurige kolen op hen neerstorten,

dat ze vallen in een kuil waaruit ze nooit meer opstaan.

12Dat er in het land voor lasteraars geen plaats is,

dat het kwaad onderdrukkers tot de dood achtervolgt.’

13Dit weet ik: de HEER doet

recht aan zwakken en armen.

14

140:14
Ps. 11:7
16:11
17:15
De rechtvaardigen zullen uw naam prijzen,

de oprechten wonen in uw nabijheid.