Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
137

1371

137:1
Ezech. 3:15
Aan de rivieren van Babel,

daar zaten wij treurend

en dachten aan Sion.

2

137:2
Jes. 24:8
Klaagl. 5:14
In de wilgen op de oever

hingen wij onze lieren.

3Daar durfden onze bewakers

te vragen om een lied,

daar vroegen onze beulen:

‘Zing voor ons

een vrolijk lied uit Sion.’

4Hoe kunnen wij zingen

een lied van de HEER

op vreemde grond?

5Als ik jou vergeet, Jeruzalem,

laat dan mijn hand de snaren vergeten.

6

137:6
Ps. 122:1
Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

als ik niet meer denk aan jou,

als ik Jeruzalem niet stel

boven alles wat mij verheugt.

7

137:7
Klaagl. 4:21-22
Ezech. 25:12-14
Ob. 10
Gedenk, HEER,

de dag van Jeruzalems val,

toen het volk van Edom zei:

‘Neer met die stad, neer,

maak haar met de grond gelijk.’

8

137:8
Jer. 50:2
Op. 18:6
Babel, weldra word je verwoest.

Gelukkig hij die wraak zal nemen

en jou doet wat jij ons hebt gedaan.

9

137:9
Hos. 14:1
Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt

en op de rotsen verplettert.

138

1381

138:1
Ps. 9:2
Van David.

Ik wil u loven met heel mijn hart,

voor u zingen onder het oog van de goden,

2

138:2
Ps. 5:8
mij buigen naar uw heilige tempel,

uw naam loven om uw liefde en trouw:

grote dingen hebt u beloofd, tot eer van uw naam.

3

138:3
Jes. 40:29
Toen ik u aanriep, hebt u geantwoord,

mij bemoedigd en gesterkt.

4

138:4
Mal. 1:11
Laten alle koningen op aarde u loven, HEER,

zij hebben de beloften uit uw mond gehoord.

5

138:5
Ps. 68:33
Laten zij de wegen van de HEER bezingen:

‘Groot is de majesteit van de HEER.

6

138:6
Ps. 113:5-6
Jes. 57:15
Luc. 1:51-52
De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet hij om,

de hoogmoedige doorziet hij van verre.’

7Al is mijn weg vol gevaren, u houdt mij in leven,

u verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden,

uw rechterhand brengt mij redding.

8De HEER zal mij altijd beschermen.

HEER, uw trouw duurt eeuwig,

laat het werk van uw handen niet los.

139

1391

139:1
Jer. 12:3
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,

2

139:2
2 Kon. 19:27
Job 31:4
Ps. 44:22
u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten.

3Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd.

4Geen woord ligt op mijn tong,

of u, HEER, kent het ten volle.

5U omsluit mij, van achter en van voren,

u legt uw hand op mij.

6Wonderlijk zoals u mij kent,

het gaat mijn begrip te boven.

7

139:7-12
Job 23:8-10
Spr. 15:11
Jer. 23:23-24
Amos 9:2-3
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,

hoe aan uw blikken ontkomen?

8Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

9Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,

al ging ik wonen voorbij de verste zee,

10ook daar zou uw hand mij leiden,

zou uw rechterhand mij vasthouden.

11Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,

het licht om mij heen veranderen in nacht,’

12

139:12
Job 12:22
34:22
Dan. 2:22
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –

de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

13

139:13
Job 10:8
U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

14Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,

wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

15Toen ik in het verborgene gemaakt werd,

kunstig geweven in de schoot van de aarde,

was mijn wezen voor u geen geheim.

16

139:16
Mal. 3:16
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,

alles werd in uw boekrol opgetekend,

aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

17

139:17
Job 11:7
Rom. 11:33
Hoe rijk zijn uw gedachten, God,

hoe eindeloos in aantal,

18

139:18
Ps. 40:6
ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.

Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

19

139:19
Ps. 119:115
God, breng de zondaars om,

– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –

20ze spreken kwaadaardig over u,

uw vijanden misbruiken uw naam.

21

139:21
Ps. 119:158
Zou ik niet haten wie u haten, HEER,

niet verachten wie tegen u opstaan?

22Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,

ze zijn mijn vijand geworden.

23

139:23
Ps. 17:3
26:2
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,

peil mij, weet wat mij kwelt,

24zie of ik geen verkeerde weg ga,

en leid mij over de weg die eeuwig is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]