Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

141

14:1
Spr. 9:1
24:3
Vrouwe Wijsheid bouwt haar huis,

Dwaasheid breekt het hare eigenhandig af.

2Wie de juiste weg volgt, toont ontzag voor de HEER,

wie verkeerde wegen gaat, minacht hem.

3De woorden van een dwaas zijn een stok voor zijn hoogmoed,

wat een wijze zegt, biedt veiligheid.

4Als er geen runderen zijn, kan de voederbak leeg blijven,

de kracht van ossen biedt een rijke oogst.

5Een betrouwbare getuige spreekt de waarheid,

een valse getuige strooit alleen maar leugens rond.

6Een spotter zoekt naar wijsheid – tevergeefs,

wie verstandig is, vindt zonder moeite kennis.

7

14:7
Spr. 13:20
Blijf uit de buurt van een dwaas,

er komt geen verstandig woord over zijn lippen.

8Door zijn wijsheid weet de wijze welke weg hij moet gaan,

dwazen bedriegen zichzelf met hun dwaasheid.

9Wat dwazen verenigt, is hun wangedrag,

oprechten waarderen elkaar.

10Alleen je eigen hart kent je diepste verdriet,

in je vreugde kan een ander niet delen.

11

14:11
Job 8:22
Het huis van goddelozen wordt verwoest,

voorspoed is er voor de woning van oprechten.

12

14:12
Spr. 16:25
Een mens denkt de juiste weg te gaan,

terwijl die eindigt bij de dood.

13Zelfs al lacht het hart, het lijdt pijn,

vreugde eindigt altijd in verdriet.

14Wie afdwaalt krijgt zijn verdiende loon,

een goed mens wacht een betere beloning.

15Wie onnozel is, hecht aan ieder woord geloof,

wie verstandig is, let op elke stap.

16Een wijze is voorzichtig, hij gaat het kwaad uit de weg,

een dwaas is roekeloos, en waant zich nog veilig ook.

17

14:17
Spr. 14:29
29:22
Wie onbesuisd is, handelt dwaas,

wie berekenend is, maakt zich gehaat.

18

14:18
Spr. 14:24
Dwaasheid wacht wie onbezonnen leeft,

een verstandig iemand wordt gekroond met kennis.

19Slechte mensen moeten buigen voor goede,

goddelozen kloppen op de poorten van rechtvaardigen.

20

14:20
Spr. 19:4
Sir. 6:8-12
Een arm mens wordt zelfs door zijn vriend gehaat,

wie rijk is heeft veel vrienden.

21

14:21
Ps. 41:2
Wie zijn medemens veracht, is een zondaar,

gelukkig hij die zich bekommert om de armen.

22Wie kwaad smeden, komen zij niet op een dwaalweg?

Wie goeddoen, oogsten zij geen liefde en trouw?

23Elke inspanning levert iets op,

loze praatjes leiden enkel tot gebrek.

24

14:24
Spr. 14:18
Wijzen worden met rijkdom gekroond,

dwaasheid is de tooi van dwazen.

25

14:25
Spr. 12:17
Een betrouwbare getuige redt levens,

een valse getuige liegt en bedriegt.

26Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen,

het biedt je kinderen een schuilplaats.

27

14:27
Spr. 13:14
19:23
Ontzag voor de HEER is de bron van het leven,

het hoedt je voor de strikken van de dood.

28De luister van een koning is een talrijk volk,

bij gebrek aan onderdanen gaat een machthebber ten onder.

29

14:29
Spr. 14:17
19:11
Wie geduldig is geeft blijk van groot inzicht,

wie onbesuisd is stapelt dwaasheid op dwaasheid.

30Een tevreden geest geeft een goede gezondheid,

jaloezie knaagt aan je botten.

31

14:31
Spr. 17:5
Wie een verschoppeling onderdrukt, beledigt zijn schepper,

wie zich over een arme ontfermt, eert hem.

32Een goddeloze gaat door zijn slechtheid ten onder,

een rechtvaardige vindt als hij sterft een schuilplaats.

33In de geest van een verstandig mens is wijsheid,

zelfs onder dwazen wordt zij herkend.

34Rechtvaardigheid verheft een volk,

zonde maakt het te schande.

35Een verstandige dienaar geniet de gunst van de koning,

diens woede treft de dienaar die zijn taak verwaarloost.

15

151Een vriendelijk antwoord doet woede bedaren,

krenkende woorden wakkeren toorn aan.

2

15:2
Pred. 10:12
Uit de woorden van de wijzen spreekt een overvloed aan kennis,

uit de mond van dwazen komt alleen maar dwaasheid.

3

15:3
Spr. 5:21
De ogen van de HEER zijn overal,

zowel de goeden als de kwaden houdt hij in het oog.

4Kalme woorden zijn een levensboom,

een valse tong vernietigt de geest.

5

15:5
Spr. 12:1
13:18
Een dwaas veracht de lessen van zijn vader,

wie berispingen ter harte neemt, is verstandig.

6Het huis van een rechtvaardige bergt talloze schatten,

in wat een goddeloze voortbrengt, schuilt ellende.

7De woorden van de wijzen zaaien kennis,

zo niet de geest van de dwazen.

8

15:8
1 Sam. 15:22
Spr. 21:27
Het offer van de goddelozen is de HEER een gruwel,

het gebed van de oprechten is hem welgevallig.

9

15:9
Spr. 11:20
12:22
De weg van de goddelozen is de HEER een gruwel,

wie rechtvaardigheid nastreeft, heeft hij lief.

10Wie het rechte pad verlaat, wordt zwaar gestraft,

wie berispingen verafschuwt, sterft.

11De HEER doorgrondt de afgrond van het dodenrijk,

hoeveel te meer het hart van de mensen.

12

15:12
Spr. 9:8
Een spotter wordt niet graag terechtgewezen,

nooit wendt hij zich tot de wijzen.

13Een vrolijk hart brengt een lach op het gezicht,

een verdrietig hart pijnigt de geest.

14

15:14
Spr. 18:15
De geest van een verstandig mens zoekt kennis,

dwazen zwelgen in dwaasheid.

15Voor wie arm is, is het leven niets dan ellende,

maar blijmoedigheid maakt het leven tot een feest.

16

15:16
Ps. 37:16
Spr. 16:8
Beter een schamel bezit en ontzag voor de HEER

dan grote rijkdom en veel onrust.

17

15:17
Spr. 17:1
Beter een karige schotel groenten en liefde

dan een vetgemeste os en haat.

18Een driftkop wakkert ruzie aan,

wie kalm is sust een twistgesprek.

19Het pad van een luiaard is vol dorens,

de weg van de oprechten is geëffend.

20

15:20
Spr. 10:1
17:25
23:22
Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde,

een dwaas veracht zijn moeder.

21Voor wie geen verstand heeft, is dwaasheid een vreugde,

een mens met inzicht kiest de juiste weg.

22Bij gebrek aan overleg mislukken plannen,

ze slagen door ampel beraad.

23Een mens vindt vreugde in een goedgekozen antwoord,

de juiste woorden op de juiste tijd – hoe voortreffelijk is dat.

24De levensweg van een verstandig mens voert omhoog,

hij blijft op verre afstand van de diepte van het dodenrijk.

25De HEER verwoest het huis van de hoogmoedigen,

het bezit van weduwen beschermt hij.

26Kwade gedachten zijn de HEER een gruwel,

vredige woorden zijn zuiver.

27

15:27
Spr. 17:23
Wie woekerwinst najaagt, richt zijn huis te gronde,

wie steekpenningen haat, zal leven.

28Een rechtvaardige denkt na voordat hij antwoordt,

uit de mond van goddelozen komt alleen maar onheil.

29

15:29
Jes. 59:2
Joh. 9:31
De HEER is ver verwijderd van de goddelozen,

het gebed van de rechtvaardigen hoort hij.

30Een lachend gezicht verblijdt het hart,

een goed bericht verkwikt het lichaam.

31Wie luistert naar de lessen van het leven

schaart zich onder de wijzen.

32

15:32
Spr. 10:17
15:10
19:20
Wie zich niet laat terechtwijzen, doet zichzelf tekort,

wie berispingen ter harte neemt, wint daarbij.

33

15:33
Spr. 1:7
18:12
Wie ontzag heeft voor de HEER wint aan wijsheid,

bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

16

161Een mens stelt zich veel vragen,

de HEER geeft het antwoord.

2

16:2
Spr. 21:2
Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg,

de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.

3

16:3
Spr. 3:6
Vertrouw bij je werk op de HEER,

en je plannen zullen slagen.

4De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven,

de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd.

5De HEER verafschuwt hooghartige mensen,

ze worden hoe dan ook gestraft.

6Zonden worden toegedekt door liefde en trouw,

wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad.

7Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt,

doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten.

8

16:8
Tob. 12:8
Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven,

dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht.

9

16:9
Spr. 19:21
Een mens stippelt zijn weg uit,

de HEER bepaalt de richting die hij gaat.

10De koning spreekt Gods oordeel uit,

wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet.

11De HEER bepaalt de maatstaf van het recht,

hij stelt de gewichten en balans vast.

12

16:12
Spr. 25:5
Koningen verfoeien goddeloosheid,

rechtvaardigheid schraagt hun troon.

13

16:13
Spr. 22:11
Een koning schept behagen in oprechte woorden,

wie de waarheid spreekt, is hem dierbaar.

14

16:14-15
Spr. 19:12
16:14
Spr. 20:2
De woede van de koning is een bode van de dood,

een wijze brengt hem tot bedaren.

15Het stralende gezicht van de koning brengt leven,

als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs.

16

16:16
Spr. 3:14
8:10
Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud,

hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver.

17Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad,

wie zijn weg in het oog houdt, beschermt zijn leven.

18

16:18
Spr. 11:2
Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende,

hoogmoed komt voor de val.

19Beter in eenvoud leven met de armen

dan de buit verdelen met hoogmoedigen.

20

16:20
Ps. 40:5
Wie goed luistert, zal het goed vergaan,

wie op de HEER vertrouwt, is gelukkig.

21Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd,

wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht.

22Inzicht is een bron van leven,

dwazen worden met dwaasheid gestraft.

23

16:23
Pred. 10:12
Wie een wijs hart heeft, spreekt verstandige woorden,

en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen.

24Een vriendelijke uitspraak is een korf vol honing,

zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.

25

16:25
Spr. 14:12
Een mens denkt de juiste weg te gaan,

terwijl hij eindigt bij de dood.

26Een mens zwoegt omdat hij moet eten,

het is de honger die hem dwingt.

27

16:27
Jak. 3:6
Een nietsnut roept het kwaad op,

wat hij zegt is een verzengend vuur.

28

16:28
Sir. 28:9
Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht,

een lasteraar drijft vrienden uit elkaar.

29Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend,

hij lokt hem op het slechte pad.

30Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin,

wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan.

31

16:31
Sir. 25:4-6
De ouderdom is een prachtige kroon,

je vindt hem op de weg van de rechtvaardigheid.

32Beter een geduldig mens dan een vechtjas,

beter zelfbeheersing dan een stad veroveren.

33Men werpt het lot in een mantel,

de HEER bepaalt hoe het valt.