Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

111

11:1
Deut. 25:13-16
Spr. 20:10,23
Micha 6:10-11
Een valse weegschaal is de HEER een gruwel,

zuivere gewichten zijn hem welgevallig.

2Hoogmoed leidt tot schande,

wijsheid kenmerkt wie bescheiden is.

3Wie eerlijk leeft, heeft zijn onkreukbaarheid als gids,

wie onbetrouwbaar is, gaat aan zijn oneerlijkheid ten onder.

4

11:4
Ps. 49:7-9
Spr. 10:2
Rijkdom helpt je niet op de dag dat God straft,

rechtvaardigheid redt van de dood.

5Wie rechtvaardig leeft, baant zich een rechte weg,

een goddeloze legt voor zichzelf een hinderlaag.

6Wie eerlijk leeft, wordt door zijn rechtvaardigheid gered,

wie onbetrouwbaar is, raakt verstrikt in zijn begeerte.

7

11:7
Spr. 10:28
Wanneer een goddeloze sterft, gaat al zijn hoop verloren,

van zijn rijkdom hoeft hij niets te verwachten.

8Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende,

zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze.

9Een kwaadaardig iemand richt met zijn woorden anderen te gronde,

een rechtvaardige wordt door inzicht gered.

10Als het rechtvaardigen goed gaat, is heel de stad verheugd,

als goddelozen ten onder gaan, klinkt overal gejuich.

11Door de zegen van oprechte mensen komt een stad tot bloei,

de uitspraken van goddelozen zijn haar ondergang.

12

11:12
Spr. 14:21
Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand,

iemand met inzicht zwijgt.

13

11:13
Spr. 10:19
17:27
Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,

wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen.

14

11:14
Spr. 24:6
Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder,

een keur van raadgevers brengt het tot bloei.

15

11:15
Spr. 6:1-5
11:15
17:18
22:26-27
Sir. 29:14-20
Wie borg staat voor een vreemde brengt zichzelf veel schade toe,

wie zo’n handslag wantrouwt, weet zich veilig.

16Een vrouw verwerft haar eer door haar bevalligheid,

een man zijn rijkdom door zijn kracht.

17Wie liefdevol is, bewijst zichzelf een weldaad,

wie wreed is, schaadt zichzelf.

18De winst van een goddeloze is bedrieglijk,

het loon van een rechtvaardige is duurzaam.

19Wie werkelijk rechtvaardig is vindt het leven,

wie uit is op het kwaad de dood.

20

11:20
Spr. 12:22
15:9
De HEER verfoeit bedriegers,

wie eerlijk leven, zijn hem welgevallig.

21

11:21
Spr. 12:21
Zo zeker als een onrechtvaardige gestraft wordt,

zo zeker gaat het nageslacht van een rechtvaardige vrijuit.

22Schoonheid bij een vrouw zonder verstand

is een gouden ring in de snuit van een varken.

23Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds,

wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed.

24Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker,

wie gierig is, wordt arm.

25

11:25
Jes. 58:7-11
Een gulle gever zal gedijen,

wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen.

26Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt,

wie het verkoopt, wordt gezegend.

27

11:27
Spr. 5:22
12:2
Wie het goede zoekt, zal waardering vinden,

wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen.

28

11:28
Ps. 1:3
52:9-10
Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt,

een rechtvaardige komt tot bloei.

29Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug,

zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze.

30Een rechtvaardig mens plant een levensboom,

wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in.

31

11:31
1 Petr. 4:18
Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon,

zondaars en goddelozen niet minder.

12

121

12:1
Spr. 13:18
15:5
Sir. 21:6
Wie van onderricht houdt, houdt van kennis,

wie berispingen haat, is dom.

2

12:2
Spr. 11:27
Een goed mens geniet de gunst van de HEER,

wie kwade plannen heeft, wordt door hem veroordeeld.

3

12:3
Spr. 10:25
Goddeloosheid brengt een mens ten val,

de rechtvaardigen staan onwrikbaar geworteld.

4

12:4
Spr. 31:10
Een sterke vrouw is een krans voor haar man,

een vrouw die hem te schande maakt, is als beenrot.

5Rechtvaardigen denken volgens het recht,

goddelozen hebben bedrog in de zin.

6

12:6
Spr. 14:3
De woorden van de goddelozen zijn een dodelijke hinderlaag,

wat oprechten zeggen, is een bevrijding.

7

12:7
Mat. 7:24-27
De goddelozen worden omvergeworpen en verdwijnen,

het huis van de rechtvaardigen houdt stand.

8Men prijst een mens naar de maat van zijn verstand,

een warhoofd wordt geminacht.

9

12:9
Sir. 10:27
Beter een onaanzienlijk mens met een knecht

dan een bluffer die gebrek aan voedsel heeft.

10

12:10
Spr. 27:23
Een rechtvaardige zorgt goed voor zijn vee,

een goddeloze is alleen maar wreed.

11

12:11
Spr. 28:19
Wie zijn grond bewerkt, heeft altijd genoeg te eten,

wie lucht najaagt, heeft geen verstand.

12Een goddeloze jaagt op zijn eigen ondergang,

wat rechtvaardigen doen, werpt vruchten af.

13

12:13
Spr. 10:19
18:7
Een kwaadaardig mens verstrikt zich in zijn eigen leugens,

een rechtvaardige ontsnapt aan ieder gevaar.

14

12:14
Spr. 13:2
18:20
Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn eigen woorden,

van wat hij tot stand brengt, profiteert hij zelf.

15Een dwaas denkt dat hij de juiste weg gaat,

wie wijs is, luistert naar goede raad.

16Een dwaas toont onmiddellijk zijn woede,

wie verstandig is, zwijgt als hij beledigd wordt.

17

12:17
Spr. 14:25
Wie de waarheid spreekt, dient het recht,

een valse getuige verkondigt slechts leugens.

18

12:18
Spr. 15:4
De woorden van een dwaas zijn dolkstoten,

wat de wijze zegt, brengt genezing.

19Een betrouwbaar woord houdt altijd stand,

een leugen slechts voor korte tijd.

20Wie kwaad smeden, zijn een en al bedrog,

vreugde wacht wie vrede zoeken.

21

12:21
Ps. 91:10
Spr. 11:21
De rechtvaardige wordt niet door onheil getroffen,

goddelozen worden bedolven onder ellende.

22

12:22
Spr. 11:20
Bedriegers zijn de HEER een gruwel,

wie waarachtig handelen, zijn hem welgevallig.

23

12:23
Spr. 13:16
Een verstandig mens loopt niet met zijn kennis te koop,

dwazen strooien met hun dwaasheid.

24Een vlijtig mens verwerft gezag,

luiheid leidt tot slavernij.

25

12:25
Spr. 15:13
Kommer maakt een mens neerslachtig,

een hartelijk woord beurt hem op.

26De rechtvaardige is beter af dan ieder ander,

de goddeloze volgt een dwaalspoor.

27Een luie jager vangt nooit wild,

een vlijtig mens verwerft een kostbaar vermogen.

28

12:28
Spr. 10:16
De weg van de rechtvaardigheid leidt naar het leven,

een geëffend pad is het, vrij van de dood.

13

131Een wijze zoon luistert naar de lessen van zijn vader,

een spotter sluit zijn oren voor berispingen.

2

13:2
Spr. 12:14
18:20
Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn woorden,

wie onbetrouwbaar is, hongert naar geweld.

3

13:3
Spr. 21:23
Sir. 28:24-26
Jak. 3:2-12
Wie zijn mond op slot houdt, waakt over zichzelf,

wie zijn lippen hun gang laat gaan, stort zichzelf in het verderf.

4

13:4
Spr. 6:6-11
De verlangens van een luiaard worden niet vervuld,

een vlijtig mens wordt rijkelijk gelaafd.

5Een rechtvaardige verafschuwt leugens,

door zijn schandelijke praatjes staat een goddeloze in een kwade reuk.

6Rechtvaardigheid waakt over wie de juiste weg gaat,

goddeloosheid laat de zondaar dwalen.

7

13:7
Op. 3:17
De een doet zich rijk voor terwijl hij niets bezit,

de ander doet of hij arm is terwijl hij een vermogen heeft.

8

13:8
Spr. 15:16
De rijkdom van een mens is het losgeld voor zijn leven,

ben je arm, dan word je niet bedreigd.

9Het licht van een rechtvaardige brengt vreugde,

de lamp van goddelozen wordt gedoofd.

10Betweters maken ruzie,

wie goede raad ter harte neemt, is wijs.

11

13:11
Spr. 20:21
In de schoot geworpen rijkdom is weer snel verdwenen,

gestage groei maakt rijk.

12

13:12
Spr. 13:19
Almaar onvervulde hoop maakt ziek,

vervuld verlangen is een levensboom.

13Wie een gebod veracht, zal daarvoor de prijs betalen,

wie het in acht neemt, wordt beloond.

14

13:14
Spr. 14:27
De lessen van de wijze zijn een bron van leven,

ze laten je ontkomen aan de strikken van de dood.

15Inzicht maakt een mens geliefd,

trouweloosheid brengt hem op een kronkelig pad.

16

13:16
Spr. 12:23
Pred. 10:3
Een verstandig mens handelt met overleg,

een dwaas spreidt onverstand tentoon.

17

13:17
Spr. 25:13
Een onbetrouwbare bode brengt onheil teweeg,

een betrouwbare boodschapper redt.

18

13:18
Spr. 12:1
Wie zich niet laat terechtwijzen, wachten armoede en schande,

wie berispingen aanvaardt, wordt geëerd.

19

13:19
Spr. 13:12
Vervuld verlangen is een groot genot,

een dwaas gruwt als hij zich niet inlaat met het kwaad.

20Wie met wijzen omgaat, wordt zelf wijs,

wie met dwazen verkeert, is er ellendig aan toe.

21Zondaars treft ellende,

rechtvaardigen wacht een beloning.

22

13:22
Job 27:16-17
Spr. 28:8
Een goed mens laat ook een kleinkind een erfdeel na,

een zondaar vergaart bezit voor een rechtvaardige.

23Het pas ontgonnen land schenkt arme mensen overvloed,

onrecht rukt het van hen weg.

24

13:24
Spr. 3:12
22:15
23:13-14
29:15,17
Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem,

wie hem liefheeft, tuchtigt hem.

25Wanneer een rechtvaardige eet, wordt hij verzadigd,

een goddeloze houdt een hongerige maag.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]