Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31En ik zei: Hoor toch, leiders van Jakob, hoor, heersers van het volk van Israël! Jullie moeten het recht toch kennen? 2

3:2
Jes. 5:20
Maar jullie haten het goede en houden van het kwaad. Jullie stropen mijn volk de huid af en rukken het vlees van hun botten. 3Zij eten hun vlees, ze stropen hun huid af en breken hun botten. Als vlees om te koken, als vlees voor de pot hakken ze mijn volk in stukken. 4
3:4
Deut. 31:17
Als ze dan tot de HEER om hulp roepen, zal hij hun niet antwoorden. Hij zal zijn gelaat voor hen verbergen vanwege het kwaad dat ze begaan.

5Dit zegt de HEER over de profeten die mijn volk misleiden, die over vrede praten zolang ze maar iets te eten krijgen en die iedereen die hen niet op hun wenken bedient de oorlog verklaren: 6Voor jullie zal het een nacht zijn zonder visioenen, donker en zonder voorspellingen. Voor die profeten zal de zon ondergaan en zal de dag veranderen in duisternis. 7De zieners zullen beschaamd staan en de waarzeggers worden te schande gemaakt: ze zullen hun mond gesloten houden, want God geeft geen antwoord. 8Ik daarentegen ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER, ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde.

9

3:9
Amos 5:7
Hoor toch wat volgt, leiders van het volk van Jakob en heersers van het volk van Israël, jullie die de gerechtigheid verafschuwen en al wat recht is krom maken, 10
3:10
Hab. 2:12
die Sion bouwen op bloed en Jeruzalem op onrecht. 11
3:11
Jes. 1:23
5:23
De leiders spreken er recht in ruil voor geschenken, de priesters geven onderricht tegen betaling, de profeten voorspellen voor geld, terwijl ze zich op de HEER beroepen en zeggen: ‘De HEER is toch in ons midden? Ons kan geen kwaad overkomen.’ 12
3:12
Jer. 26:18
Micha 1:6
Daarom, door jullie toedoen, zal de Sion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.

4

Het koningschap van de HEER

41

4:1-3
Jes. 2:1-4
Eens zal de dag komen

dat de berg met de tempel van de HEER

rotsvast zal staan,

verheven boven de heuvels,

hoger dan alle bergen.

Volken zullen daar samenstromen,

2machtige naties zullen zeggen:

‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,

naar de tempel van Jakobs God.

Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,

en wij zullen zijn paden bewandelen.’

Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,

vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

3

4:3
Joël 4:10
Hij zal rechtspreken tussen machtige volken,

over grote en verre naties een oordeel vellen.

Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,

geen mens zal meer weten wat oorlog is.

4

4:4
Zach. 3:10
Ieder zal zitten onder zijn wijnrank

en onder zijn vijgenboom,

door niemand opgeschrikt,

want de HEER van de hemelse machten heeft gesproken.

5Laat andere volken hun eigen goden volgen –

wij vertrouwen op de naam van de HEER, onze God,

voor eeuwig en altijd.

6

4:6
Sef. 3:19
Als die tijd gekomen is – spreekt de HEER –

zal ik de kreupelen verzamelen,

de verstrooiden bijeenbrengen,

verenigen wie ik onheil heb gebracht.

7De kreupelen zal ik sparen,

van de verdrevenen maak ik een groot volk,

en op de Sion zal de HEER hun koning zijn,

van nu tot in eeuwigheid.

8En jij, wachttoren over de kudde, vesting van Sion,

jij zult je vroegere heerschappij herkrijgen,

aan jou, Jeruzalem, behoort het koningschap toe.

9Waarom schreeuw je nu?

Heb je dan geen koning meer,

of is je raadgever verdwenen,

dat je ineenkrimpt van pijn, als in barensnood?

10Krimp ineen en schreeuw het uit, vrouwe Sion,

krimp ineen als een vrouw die baren moet.

Je zult de stad moeten verlaten

en gaan leven op het veld.

Je zult naar Babel gaan,

en daar zul je worden bevrijd,

uit de handen van je vijanden

worden vrijgekocht door de HEER.

11Nu lopen vele volken tegen je te hoop,

ze zeggen: ‘Laat Sion maar worden ontwijd,

wij zullen ervan genieten!’

12

4:12
Jes. 55:8-9
Maar ze weten niet wat de HEER met ze voorheeft,

ze hebben geen inzicht in zijn besluit:

dat hij ze verzameld heeft als graan op de dorsvloer.

13

4:13
Joz. 3:11
Zach. 4:14
6:5
Vrouwe Sion, dors hen.

Ik geef je een horen van ijzer

en hoeven van brons,

je zult die volken vertrappen.

Wat ze hebben buitgemaakt zal voor de HEER zijn,

aan de Heer van de hele aarde komt hun vermogen toe.

14Kerf nu, krijgszuchtige vrouw, je lichaam open;

onze muren worden belegerd,

en hij die Israël leiden moet

wordt met een staf in het gezicht geslagen.

5

51

5:1
1 Sam. 17:12
Mat. 2:6
Joh. 7:42
Uit jou, Betlehem in Efrata,

te klein om tot Juda’s geslachten te behoren,

uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen.

Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden,

in de dagen van weleer.

2

5:2
Jes. 7:14
Totdat de vrouw die zwanger is haar kind heeft gebaard,

worden zijn broeders aan hun lot overgelaten.

Daarna zullen wie er nog over zijn

terugkeren naar de andere Israëlieten.

3Hij zal aantreden en hen als een herder weiden,

bekleed met de macht van de HEER, zijn God,

met de majesteit van diens verheven naam.

Zij zullen veilig wonen,

want hij zal heersen tot aan de einden der aarde,

4en hij brengt vrede.

Wanneer Assyrië ons land binnenvalt

en zijn voet in onze paleizen zet,

zullen wij zeven herders doen opstaan,

ja, acht vorsten uit mensen gekozen.

5Met het zwaard zullen zij Assyrië kaalslaan,

met blinkende wapens5:5 met blinkende wapens – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘in zijn poorten’. Nimrod vernietigen.

Hij zal ons bevrijden van Assyrië

wanneer het ons land binnenvalt

en onze grenzen overschrijdt.

6

5:6
Hos. 14:6
En wat er van Jakob is overgebleven,

te midden van machtige volken,

zal zijn als dauw die van de HEER komt,

als regendruppels op het groen,

dat niets verwacht van een mens

en niet naar mensenkinderen uitziet.

7Wat er van Jakob is overgebleven,

te midden van grote volken,

zal zijn als een machtige leeuw tussen het wild,

als een leeuw die de kudde binnendringt,

een leeuw die vertrapt en verscheurt,

en er is niemand die hem tegenhoudt.

8Mogen je aanvallers je kracht leren kennen,

mogen je vijanden worden vernietigd!

9

5:9-14
Jes. 2:6-22
Op die dag zal het gebeuren – spreekt de HEER –

dat ik je paarden zal afslachten

en je strijdwagens vernietigen.

10Ik zal de steden in je land verwoesten

en je vestingen neerhalen.

11Je tovermiddelen zal ik je ontnemen,

ik laat geen waarzeggers meer toe.

12Je godenbeelden zal ik vernietigen,

evenals je gewijde stenen,

en je zult niet langer knielen voor wat je zelf hebt gemaakt.

13Je Asjerapalen zal ik verwijderen,

je tempelburchten zal ik verwoesten,

14en in mijn hevige toorn neem ik wraak

op alle volken die niet hebben geluisterd.