Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
37

371Ja, hierdoor beeft mijn hart,

het klopt mij in de keel.

2

37:2
Ps. 18:14
Luister, luister naar zijn daverende stem,

naar het rommelen dat uit zijn mond komt.

3Hij laat het rollen langs de hele hemel,

zijn schichten lichten tot het einde van de aarde.

4Dan horen we zijn donder bulderen,

zo is het geluid van zijn majesteitelijke stem,

en doet hij eenmaal van zich spreken,

dan laat hij steeds meer bliksems volgen.

5

37:5
Job 5:9
God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen,

hij doet grote dingen die wij niet bevatten.

6Hij beveelt de sneeuw: “Val op de aarde,”

hij zegt de regenvloed: “Stort neer met al je kracht.”

7Hij doet de hand van de mens verstarren,

opdat ieder weet wat God vermag.

8De wilde dieren gaan naar hun holen,

ze blijven in hun leger.

9Uit zijn kamers komt de storm tevoorschijn,

de noordelijke winden voeren koude aan.

10

37:10
Ps. 147:17
Uit Gods adem vormt zich ijs

en de uitgestrektheid van de zee bevriest.

11Donkere wolken maakt hij zwaar van vocht,

lichtend strekt het wolkendek zich uit.

12Flitsen schieten heen en weer zoals hij het wil,

om zijn bevelen uit te voeren, waar de mens ook leeft.

13Of het nu is om de aarde te straffen37:13 Of het nu is om de aarde te straffen – Voorgestelde lezing. MT: ‘Of voor zijn staf of voor zijn aarde’.

of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren.

14Laat dit tot je doordringen, Job,

sta even stil en heb oog voor Gods wonderen.

15Weet jij hoe God ze onder zijn bevel brengt,

hoe zijn licht de wolken doorboort?

16Weet jij hoe de wolken blijven zweven,

hoe hij die alles weet zijn wonderen verricht?

17Wanneer de aarde in de zuidenwind verstart

en de hitte jou in je kleren al te machtig wordt,

18

37:18
Gen. 1:6-7
kun jij dan als hij de hemelkoepel uithameren,

die zo hard is als een gegoten spiegel?

19Vertel ons dan wat wij hem moeten zeggen;

wij kunnen onze zaak niet zelf voorleggen,

ons omringt de duisternis.

20Krijgt hij het te horen wanneer ik tot hem spreek?

Wie heeft gezegd dat woorden hem bereiken?

21Soms blijft de zon onzichtbaar,

terwijl ze achter de wolken straalt,

maar daarna komt de wind en blaast de hemel schoon.

22Uit het noorden nadert een gouden schittering;

huiveringwekkend is de luister waarin God zich hult.

23De Ontzagwekkende, die wij niet kunnen vatten,

is groot door zijn kracht en door zijn recht;

wie rechtvaardigheid tentoonspreidt onderdrukt hij niet.

24Daarom hebben de mensen ontzag voor hem;

hij ziet niet om naar wie zichzelf voor wijs houdt.’

38

Gods antwoord aan Job

381En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei:

2

38:2
Job 42:3
‘Wie is het die mijn besluit bedekt

onder woorden vol onverstand?

3Sta op, Job, wapen je;

ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.

4Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?

Vertel het me, als je zoveel weet.

5Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?

Wie strekte het meetlint over haar uit?

6Waar zijn haar sokkels verankerd,

wie heeft haar hoeksteen gelegd,

7

38:7
Bar. 3:34
terwijl de morgensterren samen jubelden

en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde?

8En wie sloot de zee af met een deur,

toen ze uit de schoot van de aarde brak?

9Ik hulde haar in een gewaad van wolken

en omwond haar met donkere nevels.

10Ik legde haar mijn grenzen op

en sloot haar af met deur en grendelbalk,

11

38:11
Ps. 104:6-9
Spr. 8:29
en zei: “Tot hiertoe en niet verder,

dit is de grens die ik je trotse golven stel.”

12Heb jij ooit de morgen ontboden,

de dageraad zijn plaats gewezen,

13om de uiteinden van de aarde te pakken

en de goddelozen van haar af te schudden?

14Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm,

haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed.

15

38:15
Job 24:13
Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht,

hun opgeheven arm wordt gebroken.

16Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt,

heb jij over haar diepste bodem gewandeld?

17

38:17
Job 10:21-22
Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,

de deuren van het diepste donker – heb je die gezien?

18Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?

Vertel het, als je het allemaal weet!

19Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,

en de plaats van het donker – is die jou bekend,

20zodat je het naar zijn gebied kunt voeren

en het pad naar zijn huis kunt vinden?

21Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren,

zo veel jaren liggen achter je!

22Ken je de voorraadkamers van de sneeuw,

heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,

23

38:23
Joz. 10:11
Jes. 28:17
30:30
die ik heb aangelegd voor tijden van nood,

voor dagen van oorlog en strijd?

24Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt,

van waar de oostenwind over de aarde uitwaait?

25Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen,

de weg voor donder en bliksem gebaand,

26zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde,

op de woestijn waar geen mensen leven,

27en wildernis en woestenij doordrenkt raken

en er overal jong gras opschiet?

28Heeft de regen een vader?

Wie brengt de dauwdruppels voort?

29Uit welke schoot wordt het ijs geboren,

wie baart de rijp van de hemel,

30wanneer de wateren stollen, hard als steen,

wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt?

31

38:31-32
Job 9:9
38:31
Amos 5:8
Kun jij de Plejaden aan banden leggen

of de ketenen van Orion losmaken?

32Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen

en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?

33Ken jij de wetten van de hemel,

kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?

34Kan jouw stem de wolken bevelen

om je met hun regenvloed te bedekken?

35Kun jij de bliksems uitsturen,

zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”?

36Wie heeft de ibis zijn wijsheid gegeven,

van wie heeft de haan zijn inzicht gekregen?

37Wie is in staat om de wolken te schikken,

en de kruiken van de hemel – wie kan ze kantelen,

38zodat het stof op aarde stolt

en in kluiten samenklontert?

39

38:39
Ps. 104:21-22
Kun38:39-41 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:1-3. jij voor de leeuw op prooi jagen

en de honger van de welpen stillen,

40wanneer ze weggedoken zitten in hun holen,

of op de loer liggen onder een dak van bladeren?

41

38:41
Ps. 147:9
Wie verschaft de raaf zijn voedsel,

wanneer zijn jongen God aanroepen,

wanneer ze zonder voedsel rondzwerven?

39

391Weet39:1-30 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:4-33. jij wanneer de berggeit moet werpen?

Ben jij getuige van de weeën van de hinde?

2Kun jij de maanden tellen dat ze moet dragen,

weet jij wanneer ze moet baren,

3wanneer ze hurkt om te jongen,

om van haar kalveren verlost te worden?

4Haar kroost wordt sterk en groeit op in het vrije veld,

dan gaat het weg en het komt niet meer terug.

5Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven,

wie heeft de balker van zijn banden bevrijd?

6Ik laat hem wonen in de wildernis,

de zoutvlakte is zijn domein.

7Hij spot met het lawaai van de stad,

het geschreeuw van de drijvers hoort hij niet.

8Hij stroopt de bergen af, zijn weidegronden,

hij speurt naar ieder stukje groen.

9Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen,

zou hij willen overnachten bij je voederbak?

10Kun jij hem met een touw voren laten trekken,

zou hij achter jou de dalgrond eggen?

11Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is,

en aan hem het werk overlaten?

12Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt

wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt?

13Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken,

maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar.

14Ze legt haar eieren op de grond

en laat haar legsel door het zand verwarmen;

15ze vergeet dat een voet het kan breken,

dat een wild dier het kan vertrappen.

16

39:16
Klaagl. 4:3
Ze is hard voor haar jongen, alsof ze niet van haar zijn,

onverschillig of haar moeite misschien voor niets geweest is,

17want God heeft haar elk inzicht onthouden

en haar niet met wijsheid begiftigd.

18Maar wanneer ze opspringt en wegsnelt,

lacht ze paard en ruiter uit.

19Geef jij het paard zijn kracht?

Bekleed jij zijn nek met welige manen?

20Laat jij hem voorwaarts springen als een sprinkhaan,

terwijl zijn geweldige briesen angst aanjaagt?

21Van vreugde schraapt hij de grond in het dal;

fier rukt hij uit, de strijd tegemoet.

22Hij spot met het gevaar, niets maakt hem bang;

hij deinst niet terug voor het zwaard.

23Pijlen schieten hem voorbij,

speren en lansen flitsen langs hem heen.

24Driftig stampend woelt hij de grond om,

onbeteugelbaar wanneer de hoorn eenmaal schalt.

25Bij elke stoot van de trompet roept hij “Aaah!” –

hij ruikt de oorlog van verre,

hoort het getier van de aanvoerders, de kreten.

26Is het aan jouw wijsheid te danken dat de valk opstijgt

en zijn vleugels spreidt om zuidwaarts te trekken?

27Vliegt de gier weg als jij hem beveelt,

om zijn nest hoog in de bergen te bouwen,

28op een rots waar hij woont en overnacht,

op een richel, een onbereikbare piek?

29Van daar spiedt hij naar prooi,

zijn oog speurt in de verste verten.

30

39:30
Mat. 24:28
Zijn jongen slurpen bloed;

waar gevallenen liggen, daar is hij.’