Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
36

361En Elihu vervolgde:

2‘Heb een ogenblik geduld, dan laat ik je zien

dat er nog veel meer over God te zeggen is.

3Mijn kennis komt uit vele bronnen

en ik zal mijn schepper recht doen.

4Want in mijn woorden steekt geen bedrog;

voor je staat een man die weet waarover hij spreekt.

5Welnu, God is machtig, maar minacht niet,

want hij is machtig door zijn oordeelskracht.

6Hij laat de goddelozen niet in leven,

de vertrapten verschaft hij recht.

7Hij wendt zijn blik niet van de rechtvaardigen af,

maar zet hen als koningen op een troon,

voor altijd, en hij geeft hun aanzien.

8En als zij met ketenen geboeid zijn,

door koorden van smart worden gekneveld,

9dan is dit om slechte daden te onthullen,

misstappen, die uit trots zijn voortgekomen.

10Hij opent hun de oren voor zijn vermaning

en zegt hun het kwaad de rug toe te keren.

11Als zij gehoorzamen en hem zullen dienen,

leven zij tot in lengte van dagen in voorspoed,

brengen zij hun jaren door in geluk.

12Gehoorzamen zij niet,

dan zullen zij de doodsrivier oversteken;

verstoken van kennis blazen ze de laatste adem uit.

13Doortrapte schurken zijn halsstarrig,

zij roepen niet om hulp wanneer hij hen knevelt.

14Voortijdig geven ze de geest,

ze eindigen als schandjongens van de tempel.

15God redt echter de vertrapten,

door ellende, tegenspoed opent hij hun de ogen.

16Ook jou lokte hij weg van het gevaar dat je benauwde,

naar een plaats waar je vrij kon ademhalen

en je tafel met vette spijzen overladen was.

17Maar jij denkt slechts aan de veroordeling van goddelozen,

al ontkom je zelf evenmin aan een geding en vonnis.

18Pas op: laat je woede je niet meeslepen,

vertrouw niet op het losgeld dat je kunt betalen.

19Zouden je rijkdommen je vrijwaren van ellende?

Al je krachtsinspanningen en al je goud?

20Verlang niet naar de nacht

die volken plotseling wegsleurt van hun plaats.

21Hoed je voor een toevlucht tot het kwaad,

verkies dat niet, maar draag je ongeluk.

22

36:22
Rom. 11:33
Hoe verheven is God in zijn macht!

Is er een tweede die leert zoals hij?

23Wie kan hem zijn weg voorschrijven,

wie zal zeggen: “U hebt kwaad gedaan”?

24Bedenk dat je zijn werk moet prijzen,

dat immers door de mensen wordt bezongen,

25door iedereen bewonderd wordt,

door iedereen van ver aanschouwd.

26Zie hoe groot God is, buiten elk begrip,

het getal van zijn jaren is ontelbaar.

27Hij schept de waterdruppels op

en zeeft de regen door zijn nevels,

28dan daalt deze uit de wolken neer,

daalt neer op alle mensen.

29Wie kan de uitgestrektheid van de wolken peilen,

het donderen dat uit zijn tent komt?

30De hemel laat hij baden in zijn licht

en hij legt het diepste van de zeeën bloot.

31Zo oordeelt hij over de volken,

zo geeft hij de mensen voedsel in overvloed.

32In beide handen neemt hij schichten

die hij op hun doelwit richt.

33Donderslagen kondigen zijn komst aan,

en ook het vee voelt dat het onweer nadert.

37

371Ja, hierdoor beeft mijn hart,

het klopt mij in de keel.

2

37:2
Ps. 18:14
Luister, luister naar zijn daverende stem,

naar het rommelen dat uit zijn mond komt.

3Hij laat het rollen langs de hele hemel,

zijn schichten lichten tot het einde van de aarde.

4Dan horen we zijn donder bulderen,

zo is het geluid van zijn majesteitelijke stem,

en doet hij eenmaal van zich spreken,

dan laat hij steeds meer bliksems volgen.

5

37:5
Job 5:9
God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen,

hij doet grote dingen die wij niet bevatten.

6Hij beveelt de sneeuw: “Val op de aarde,”

hij zegt de regenvloed: “Stort neer met al je kracht.”

7Hij doet de hand van de mens verstarren,

opdat ieder weet wat God vermag.

8De wilde dieren gaan naar hun holen,

ze blijven in hun leger.

9Uit zijn kamers komt de storm tevoorschijn,

de noordelijke winden voeren koude aan.

10

37:10
Ps. 147:17
Uit Gods adem vormt zich ijs

en de uitgestrektheid van de zee bevriest.

11Donkere wolken maakt hij zwaar van vocht,

lichtend strekt het wolkendek zich uit.

12Flitsen schieten heen en weer zoals hij het wil,

om zijn bevelen uit te voeren, waar de mens ook leeft.

13Of het nu is om de aarde te straffen37:13 Of het nu is om de aarde te straffen – Voorgestelde lezing. MT: ‘Of voor zijn staf of voor zijn aarde’.

of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren.

14Laat dit tot je doordringen, Job,

sta even stil en heb oog voor Gods wonderen.

15Weet jij hoe God ze onder zijn bevel brengt,

hoe zijn licht de wolken doorboort?

16Weet jij hoe de wolken blijven zweven,

hoe hij die alles weet zijn wonderen verricht?

17Wanneer de aarde in de zuidenwind verstart

en de hitte jou in je kleren al te machtig wordt,

18

37:18
Gen. 1:6-7
kun jij dan als hij de hemelkoepel uithameren,

die zo hard is als een gegoten spiegel?

19Vertel ons dan wat wij hem moeten zeggen;

wij kunnen onze zaak niet zelf voorleggen,

ons omringt de duisternis.

20Krijgt hij het te horen wanneer ik tot hem spreek?

Wie heeft gezegd dat woorden hem bereiken?

21Soms blijft de zon onzichtbaar,

terwijl ze achter de wolken straalt,

maar daarna komt de wind en blaast de hemel schoon.

22Uit het noorden nadert een gouden schittering;

huiveringwekkend is de luister waarin God zich hult.

23De Ontzagwekkende, die wij niet kunnen vatten,

is groot door zijn kracht en door zijn recht;

wie rechtvaardigheid tentoonspreidt onderdrukt hij niet.

24Daarom hebben de mensen ontzag voor hem;

hij ziet niet om naar wie zichzelf voor wijs houdt.’

38

Gods antwoord aan Job

381En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei:

2

38:2
Job 42:3
‘Wie is het die mijn besluit bedekt

onder woorden vol onverstand?

3Sta op, Job, wapen je;

ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.

4Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?

Vertel het me, als je zoveel weet.

5Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?

Wie strekte het meetlint over haar uit?

6Waar zijn haar sokkels verankerd,

wie heeft haar hoeksteen gelegd,

7

38:7
Bar. 3:34
terwijl de morgensterren samen jubelden

en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde?

8En wie sloot de zee af met een deur,

toen ze uit de schoot van de aarde brak?

9Ik hulde haar in een gewaad van wolken

en omwond haar met donkere nevels.

10Ik legde haar mijn grenzen op

en sloot haar af met deur en grendelbalk,

11

38:11
Ps. 104:6-9
Spr. 8:29
en zei: “Tot hiertoe en niet verder,

dit is de grens die ik je trotse golven stel.”

12Heb jij ooit de morgen ontboden,

de dageraad zijn plaats gewezen,

13om de uiteinden van de aarde te pakken

en de goddelozen van haar af te schudden?

14Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm,

haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed.

15

38:15
Job 24:13
Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht,

hun opgeheven arm wordt gebroken.

16Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt,

heb jij over haar diepste bodem gewandeld?

17

38:17
Job 10:21-22
Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,

de deuren van het diepste donker – heb je die gezien?

18Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?

Vertel het, als je het allemaal weet!

19Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,

en de plaats van het donker – is die jou bekend,

20zodat je het naar zijn gebied kunt voeren

en het pad naar zijn huis kunt vinden?

21Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren,

zo veel jaren liggen achter je!

22Ken je de voorraadkamers van de sneeuw,

heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,

23

38:23
Joz. 10:11
Jes. 28:17
30:30
die ik heb aangelegd voor tijden van nood,

voor dagen van oorlog en strijd?

24Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt,

van waar de oostenwind over de aarde uitwaait?

25Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen,

de weg voor donder en bliksem gebaand,

26zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde,

op de woestijn waar geen mensen leven,

27en wildernis en woestenij doordrenkt raken

en er overal jong gras opschiet?

28Heeft de regen een vader?

Wie brengt de dauwdruppels voort?

29Uit welke schoot wordt het ijs geboren,

wie baart de rijp van de hemel,

30wanneer de wateren stollen, hard als steen,

wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt?

31

38:31-32
Job 9:9
38:31
Amos 5:8
Kun jij de Plejaden aan banden leggen

of de ketenen van Orion losmaken?

32Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen

en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?

33Ken jij de wetten van de hemel,

kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?

34Kan jouw stem de wolken bevelen

om je met hun regenvloed te bedekken?

35Kun jij de bliksems uitsturen,

zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”?

36Wie heeft de ibis zijn wijsheid gegeven,

van wie heeft de haan zijn inzicht gekregen?

37Wie is in staat om de wolken te schikken,

en de kruiken van de hemel – wie kan ze kantelen,

38zodat het stof op aarde stolt

en in kluiten samenklontert?

39

38:39
Ps. 104:21-22
Kun38:39-41 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:1-3. jij voor de leeuw op prooi jagen

en de honger van de welpen stillen,

40wanneer ze weggedoken zitten in hun holen,

of op de loer liggen onder een dak van bladeren?

41

38:41
Ps. 147:9
Wie verschaft de raaf zijn voedsel,

wanneer zijn jongen God aanroepen,

wanneer ze zonder voedsel rondzwerven?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]