Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
52

521

52:1
Op. 21:2,27
Ontwaak, ontwaak, Sion,

en bekleed je met je kracht!

Bekleed je met je pronkgewaad,

Jeruzalem, heilige stad.

Nooit meer zul je worden betreden

door wie onbesneden is, of onrein.

2Klop het stof van je af en sta op,

Jeruzalem, neem plaats op de troon.

De ketenen om je hals zijn losgemaakt,

gevangen vrouwe Sion.

3

52:3
Jes. 45:13
Want dit zegt de HEER:

Voor niets zijn jullie verkocht,

zonder geld koop ik jullie weer vrij.

4Dit zegt God, de HEER:

Ooit trok mijn volk naar Egypte

om daar als vreemdeling te leven,

maar in Assyrië werd het zonder meer uitgebuit.

5

52:5
Ezech. 36:20-22
Rom. 2:24
Wat win ik daar nu bij? – spreekt de HEER.

Voor niets is mijn volk weggenomen,

hun leiders weeklagen – spreekt de HEER –,

dag in dag uit wordt mijn naam bezoedeld.

6Daarom, op die dag,

zal mijn volk mijn naam kennen,

beseffen dat ik het ben die zegt:

‘Hier ben ik.’

7

52:7-12
Jes. 40:1-8
52:7
Nah. 2:1
Rom. 10:15
Hoe welkom is de vreugdebode

die over de bergen komt aangesneld,

die vrede aankondigt en goed nieuws brengt,

die redding aankondigt en tegen Sion zegt:

‘Je God is koning!’

8Hoor! Je wachters verheffen hun stem,

samen barsten ze uit in gejuich,

want ze zien het met eigen ogen:

de HEER keert terug naar Sion.

9Breek uit in gejubel,

ruïnes van Jeruzalem,

want de HEER troost zijn volk,

hij koopt Jeruzalem vrij.

10De HEER ontbloot zijn heilige arm

ten overstaan van alle volken,

en de einden der aarde zien

hoe onze God redding brengt.

11

52:11
2 Kor. 6:17
Op. 18:4
Weg! Ga weg! Ga daar weg!

Raak niets aan dat onrein is.

Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen,

ga daar weg en blijf rein.

12

52:12
Ex. 13:21
14:19
Maar jullie hoeven niet overhaast te gaan,

jullie vertrek is geen vlucht,

want de HEER gaat voor jullie uit,

de God van Israël vormt je achterhoede.

De lijdende dienaar van de HEER

13Ja, mijn dienaar zal slagen,

hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien.

14Zoals hij velen deed huiveren

– zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik,

zijn uiterlijk had niets meer van een mens –,

15

52:15
Rom. 15:21
zo zal hij veel volken opschrikken,

en koningen zullen sprakeloos staan.

En zij aan wie niets was verteld, zullen zien,

zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.

53

531

53:1
Joh. 12:38
Rom. 10:16
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?

Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?

2Als een loot schoot hij op onder Gods ogen,

als een wortel die uitloopt in dorre grond.

Onopvallend was zijn uiterlijk,

hij miste iedere schoonheid,

zijn aanblik kon ons niet bekoren.

3

53:3
Ps. 22:7-8
Hij werd veracht, door mensen gemeden,

hij was een man die het lijden kende

en met ziekte vertrouwd was,

een man die zijn gelaat voor ons verborg,

veracht, door ons verguisd en geminacht.

4

53:4
Mat. 8:17
Hebr. 2:10
Maar hij was het die onze ziekten droeg,

die ons lijden op zich nam.

Wij echter zagen hem als een verstoteling,

door God geslagen en vernederd.

5

53:5-9
1 Petr. 2:22-25
53:5
Rom. 4:25
Om onze zonden werd hij doorboord,

om onze wandaden gebroken.

Voor ons welzijn werd hij getuchtigd,

zijn striemen brachten ons genezing.

6

53:6
Ezech. 34:5-6
Wij dwaalden rond als schapen,

ieder zocht zijn eigen weg;

maar de wandaden van ons allen

liet de HEER op hem neerkomen.

7

53:7
Jer. 11:19
Hand. 8:32-33
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet

en deed zijn mond niet open.

Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid,

als een ooi die stil is bij haar scheerders

deed hij zijn mond niet open.

8Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.

Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?

Hij werd verbannen uit het land der levenden,

om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.

9

53:9
Mat. 27:38,57-60
Hij kreeg een graf bij misdadigers,

zijn laatste rustplaats was bij de rijken;

toch had hij nooit enig onrecht begaan,

nooit bedrieglijke taal gesproken.

10Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek.

Hij offerde zijn leven voor hun schuld,

om zijn nageslacht te zien en lang te leven.

En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.

11Na het lijden dat hij moest doorstaan,

zag hij het licht53:11 zag hij het licht – Volgens enkele Qumran-handschriften en de Septuaginta. MT: ‘zag hij’. en werd met kennis verzadigd.

Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht,

hij neemt hun wandaden op zich.

12

53:12
Luc. 22:37
Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen

en zal hij met machtigen delen in de buit,

omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood

en zich tot de zondaars liet rekenen.

Hij droeg echter de schuld van velen

en nam het voor zondaars op.

54

Eerherstel voor Jeruzalem, de bruid van de HEER

541

54:1
1 Sam. 2:5
Ps. 113:9
Gal. 4:27
Jubel, onvruchtbare vrouw,

jij die nooit een kind hebt gebaard;

breek uit in gejuich en gejubel,

jij die geen weeën hebt gekend.

Want – zegt de HEER –,

de kinderen van deze verstoten vrouw

zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde.

2

54:2
Jes. 26:15
33:20
49:20
Jer. 10:20
Vergroot de plaats voor je tent,

span het tentdoek wijder uit,

zonder enige terughoudendheid.

Verleng de touwen,

zet de tentpinnen vast.

3Naar alle kanten zul je je uitbreiden,

je nageslacht zal de vreemde volken verdrijven

en de verlaten steden bevolken.

4Wees niet bang: je zult niet worden beschaamd;

wees niet bedrukt: je zult niet worden vernederd.

Je zult de schande van je jeugd vergeten,

je de smaad van je weduwschap niet meer herinneren.

5Want je maker neemt je tot vrouw,

HEER van de hemelse machten is zijn naam.

De Heilige van Israël zal je bevrijder zijn,

men noemt hem God van de hele aarde.

6

54:6
Jes. 49:14-15
Je was een verlaten, wanhopige vrouw

toen de HEER je terugriep.

Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.

7Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,

maar met open armen zal ik je weer ontvangen.

8

54:8
Ps. 30:6
Jes. 60:10
Ik verborg mijn gezicht voor je

in laaiende toorn, één ogenblik lang,

maar ik zal me weer over je ontfermen

met eeuwigdurende liefde,

zegt de HEER, die je vrijkoopt.

9

54:9
Gen. 9:11
Dit is voor mij als bij de vloed van Noach:

zoals ik heb gezworen dat het water van Noach

nooit meer de aarde zou overspoelen,

zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft

en dat ik je nooit meer bedreig.

10

54:10
Judit 16:15
Al zouden de bergen wijken

en de heuvels wankelen,

mijn liefde zal nooit meer van jou wijken

en mijn vredesverbond is onwankelbaar

– zegt de HEER, die zich over je ontfermt.

11

54:11
Jes. 60:17-18
Tob. 13:17
Ongelukkige, zo opgejaagd en ongetroost.

Met fijne leem zal ik je stenen inleggen,

op saffier zal ik je grondvesten.

12

54:12
Op. 21:18-21
Ik maak je torens van robijn,

je poorten van beril,

je muren van kostbare edelstenen.

13

54:13
Jer. 31:33-34
Joh. 6:45
Al je kinderen worden onderricht door de HEER,

rust en vrede zal hun ten deel vallen;

14gerechtigheid zal je fundament zijn.

Je zult niets meer te vrezen hebben:

onderdrukking zal je niet bereiken,

voor terreur blijf je gevrijwaard.

15Word je toch aangevallen, het komt niet van mij.

Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val.

16Ik heb de smid geschapen,

die het gloeiende vuur aanblaast

om gereedschap te vervaardigen voor een zeker doel;

zo heb ik ook de vernietiger geschapen,

die verderf wil zaaien.

17Maar elk wapen dat tegen jou wordt gesmeed

zal machteloos zijn,

en ieder die jou in een geding belastert

zal zelf veroordeeld worden.

Dit is het deel dat de dienaren van de HEER toekomt,

dit is het recht dat ik hun toeken – spreekt de HEER.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]