Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
51

Troost voor het volk: Jeruzalem vrijgekocht

511Luister naar mij,

jullie die gerechtigheid najagen,

jullie die de HEER zoeken.

Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent,

naar de diepe groeve waar je gedolven bent.

2

51:2
Gen. 12:1-3
Kijk naar Abraham, jullie vader,

naar Sara, die jullie heeft gebaard;

toen ik hem riep was hij alleen,

maar ik heb hem gezegend en talrijk gemaakt.

3

51:3
Gen. 2:8-14
Ezech. 36:35
De HEER troost Sion,

hij biedt troost aan haar ruïnes.

Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk,

haar wildernis wordt als de tuin van de HEER.

Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich,

waar muziek en lofzang klinken.

4-5Mijn volk, luister aandachtig naar mij,

mijn natie, leen mij je oor.

De wet vindt zijn oorsprong in mij,

en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken.

In een oogwenk breng ik de zege nabij,

de hulp die ik bied is al onderweg;

ik zal krachtig rechtspreken over de volken.

De eilanden hebben hun hoop op mij gevestigd,

ze zien uit naar mijn krachtig optreden.

6

51:6
Ps. 102:26-27
Mat. 24:35
Kijk omhoog naar de hemel,

kijk naar de aarde beneden:

al vervliegt de hemel als rook,

al valt de aarde uiteen als een oud gewaad

en sterven haar bewoners als muggen,

de redding die ik breng, zal voor altijd blijven

en mijn recht zal geen einde hebben.

7Luister naar mij,

jullie die mijn gerechtigheid kennen,

volk dat mijn wet in het hart draagt.

Wees niet bang voor de hoon van mensen,

stoor je niet aan hun spot.

8

51:8
Job 13:28
Jes. 50:9
Want ze vergaan zoals een gewaad door motten,

zoals wol door mottenlarven.

Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven,

de redding die ik breng, duurt van geslacht op geslacht.

9Ontwaak, ontwaak, arm van de HEER,

en bekleed u met kracht!

Ontwaak als in de dagen van weleer,

als in lang vervlogen tijden.

Was u het niet die Rahab vermorzelde,

die het monster doorboorde?

10

51:10
Ex. 14:21-25
Jes. 63:13
Was u het niet die de zee drooglegde,

het water in de diepte,

die een weg baande op de bodem van de zee

waarover het verloste volk kon gaan?

11

51:11
Jes. 35:10
Wie door de HEER zijn bevrijd, keren terug.

Jubelend komen zij naar Sion,

gekroond met eeuwige vreugde.

Gejuich en vreugde trekken de stad binnen,

gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

12

51:12
Jes. 40:6
Ik, ik ben het die jullie troost.

Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling,

voor een mensenkind dat vergaat als gras?

13Hoe kun je de HEER vergeten,

die je gemaakt heeft,

die de hemel heeft uitgespannen

en de aarde gegrondvest?

Hoe kun je je zo laten beheersen door angst

voor de toorn van je belagers,

voor hun pogingen je te vernietigen?

Waar blijven die belagers met hun toorn?

14Weldra wordt de geketende bevrijd;

hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf,

het zal hem aan niets ontbreken.

15

51:15
Jer. 31:35
Ik, de HEER, jullie God,

die de zee opzweep, zodat de golven bruisen,

wiens naam is HEER van de hemelse machten,

16

51:16
Jes. 59:21
ik leg je mijn woorden in de mond

en bescherm je met de schaduw van mijn hand,

ik die de hemel geplant heb

en de aarde gegrondvest,

die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’

17Word wakker, word wakker,

Jeruzalem, sta op!

De HEER heeft je laten drinken

uit de beker van zijn toorn;

je hebt uit die kelk gedronken,

de beker die je zo heeft bedwelmd

tot de bodem leeggedronken.

18Er is niemand die je leidt,

geen van de kinderen die je hebt gebaard;

niemand die je bij de hand neemt,

geen van de kinderen die je hebt grootgebracht.

19

51:19
Jer. 15:5
Nah. 3:7
Dubbel ongeluk heeft je getroffen:

verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen?

honger en geweld – wie zal je troosten?51:19 wie zal je troosten? – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘door wie zal ik je laten troosten?’

20Je kinderen zijn bezweken;

als een antilope gevangen in een net,

zo liggen ze op elke straathoek,

overweldigd door de toorn van de HEER,

verlamd door de dreiging van je God.

21Daarom, luister hiernaar, ongelukkige,

jij die beschonken bent, maar niet door de wijn.

22Dit zegt je God, de HEER,

de God die het opneemt voor zijn volk:

Ik neem de bedwelmende beker uit je hand,

de kelk, de beker van mijn toorn,

je hoeft er niet meer uit te drinken.

23Ik geef hem aan hen die jou kwelden,

die je het bevel gaven:

‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’

En je maakte je rug als de grond,

een weg waarover men kon gaan.

52

521

52:1
Op. 21:2,27
Ontwaak, ontwaak, Sion,

en bekleed je met je kracht!

Bekleed je met je pronkgewaad,

Jeruzalem, heilige stad.

Nooit meer zul je worden betreden

door wie onbesneden is, of onrein.

2Klop het stof van je af en sta op,

Jeruzalem, neem plaats op de troon.

De ketenen om je hals zijn losgemaakt,

gevangen vrouwe Sion.

3

52:3
Jes. 45:13
Want dit zegt de HEER:

Voor niets zijn jullie verkocht,

zonder geld koop ik jullie weer vrij.

4Dit zegt God, de HEER:

Ooit trok mijn volk naar Egypte

om daar als vreemdeling te leven,

maar in Assyrië werd het zonder meer uitgebuit.

5

52:5
Ezech. 36:20-22
Rom. 2:24
Wat win ik daar nu bij? – spreekt de HEER.

Voor niets is mijn volk weggenomen,

hun leiders weeklagen – spreekt de HEER –,

dag in dag uit wordt mijn naam bezoedeld.

6Daarom, op die dag,

zal mijn volk mijn naam kennen,

beseffen dat ik het ben die zegt:

‘Hier ben ik.’

7

52:7-12
Jes. 40:1-8
52:7
Nah. 2:1
Rom. 10:15
Hoe welkom is de vreugdebode

die over de bergen komt aangesneld,

die vrede aankondigt en goed nieuws brengt,

die redding aankondigt en tegen Sion zegt:

‘Je God is koning!’

8Hoor! Je wachters verheffen hun stem,

samen barsten ze uit in gejuich,

want ze zien het met eigen ogen:

de HEER keert terug naar Sion.

9Breek uit in gejubel,

ruïnes van Jeruzalem,

want de HEER troost zijn volk,

hij koopt Jeruzalem vrij.

10De HEER ontbloot zijn heilige arm

ten overstaan van alle volken,

en de einden der aarde zien

hoe onze God redding brengt.

11

52:11
2 Kor. 6:17
Op. 18:4
Weg! Ga weg! Ga daar weg!

Raak niets aan dat onrein is.

Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen,

ga daar weg en blijf rein.

12

52:12
Ex. 13:21
14:19
Maar jullie hoeven niet overhaast te gaan,

jullie vertrek is geen vlucht,

want de HEER gaat voor jullie uit,

de God van Israël vormt je achterhoede.

De lijdende dienaar van de HEER

13Ja, mijn dienaar zal slagen,

hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien.

14Zoals hij velen deed huiveren

– zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik,

zijn uiterlijk had niets meer van een mens –,

15

52:15
Rom. 15:21
zo zal hij veel volken opschrikken,

en koningen zullen sprakeloos staan.

En zij aan wie niets was verteld, zullen zien,

zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.

53

531

53:1
Joh. 12:38
Rom. 10:16
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?

Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?

2Als een loot schoot hij op onder Gods ogen,

als een wortel die uitloopt in dorre grond.

Onopvallend was zijn uiterlijk,

hij miste iedere schoonheid,

zijn aanblik kon ons niet bekoren.

3

53:3
Ps. 22:7-8
Hij werd veracht, door mensen gemeden,

hij was een man die het lijden kende

en met ziekte vertrouwd was,

een man die zijn gelaat voor ons verborg,

veracht, door ons verguisd en geminacht.

4

53:4
Mat. 8:17
Hebr. 2:10
Maar hij was het die onze ziekten droeg,

die ons lijden op zich nam.

Wij echter zagen hem als een verstoteling,

door God geslagen en vernederd.

5

53:5-9
1 Petr. 2:22-25
53:5
Rom. 4:25
Om onze zonden werd hij doorboord,

om onze wandaden gebroken.

Voor ons welzijn werd hij getuchtigd,

zijn striemen brachten ons genezing.

6

53:6
Ezech. 34:5-6
Wij dwaalden rond als schapen,

ieder zocht zijn eigen weg;

maar de wandaden van ons allen

liet de HEER op hem neerkomen.

7

53:7
Jer. 11:19
Hand. 8:32-33
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet

en deed zijn mond niet open.

Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid,

als een ooi die stil is bij haar scheerders

deed hij zijn mond niet open.

8Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.

Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?

Hij werd verbannen uit het land der levenden,

om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.

9

53:9
Mat. 27:38,57-60
Hij kreeg een graf bij misdadigers,

zijn laatste rustplaats was bij de rijken;

toch had hij nooit enig onrecht begaan,

nooit bedrieglijke taal gesproken.

10Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek.

Hij offerde zijn leven voor hun schuld,

om zijn nageslacht te zien en lang te leven.

En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.

11Na het lijden dat hij moest doorstaan,

zag hij het licht53:11 zag hij het licht – Volgens enkele Qumran-handschriften en de Septuaginta. MT: ‘zag hij’. en werd met kennis verzadigd.

Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht,

hij neemt hun wandaden op zich.

12

53:12
Luc. 22:37
Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen

en zal hij met machtigen delen in de buit,

omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood

en zich tot de zondaars liet rekenen.

Hij droeg echter de schuld van velen

en nam het voor zondaars op.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]