Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

91

9:1
Mat. 4:15-16
Luc. 1:79
1 Petr. 2:9
Het volk dat in duisternis ronddoolt

ziet een schitterend licht.

Zij die in het donker wonen

worden door een helder licht beschenen.

2

9:2
Ps. 126:1-2
U hebt het volk weer groot gemaakt,

diepe vreugde gaf u het,

blijdschap als de vreugde bij de oogst,

zij jubelen als bij het verdelen van de buit.

3

9:3
Recht. 7:15-25
Ps. 83:10
Jes. 10:26-27
14:25
Het juk dat op hen drukte,

de stok op hun schouder, de zweep van de drijver,

u hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.

4Iedere laars die dreunend stampte

en elke mantel waar bloed aan kleeft,

ze worden verbrand, een prooi van het vuur.

5

9:5-6
Jes. 11:1-5
16:5
32:1-2
9:5
Gen. 49:10
Num. 24:17
Micha 5:1-3
Een kind is ons geboren,

een zoon is ons gegeven;

de heerschappij rust op zijn schouders.

Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,

Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.

6

9:6
2 Sam. 7:12-16
Luc. 1:32-33
Groot is zijn heerschappij,

aan de vrede zal geen einde komen.

Davids troon en rijk zijn erop gebouwd,

ze staan vast, in recht en gerechtigheid,

van nu tot in eeuwigheid.

Daarvoor zal hij zich beijveren,

de HEER van de hemelse machten.

De opgeheven hand van de HEER

7

9:7
Jes. 55:10-11
De Heer heeft zijn woord op Israël afgestuurd,

het heeft Jakobs volk getroffen.

8Het volk van Efraïm, de inwoners van Samaria,

zij hebben het ondervonden.

Hoogmoedig en verwaten zeiden ze:

9‘De gemetselde muren zijn ingestort,

maar wij herbouwen met gehouwen steen;

de vijgenbomen zijn geveld,

maar wij planten ceders in hun plaats.’

10De HEER heeft Resins vijanden tegen hen opgezet,

hij heeft hun tegenstanders opgehitst:

11

9:11
Jes. 5:25
9:16,20
10:4
Micha 3:3
vanuit het oosten viel Aram aan,

vanuit het westen de Filistijnen,

en zij verslonden Israël met huid en haar.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

12

9:12
Jer. 5:3
Hos. 7:10
Het volk keert niet terug naar wie hen sloeg,

de HEER van de hemelse machten zoeken zij niet.

13Daarom zal de HEER bij Israël in één haal

kop en staart, palmtak en riet afsnijden;

14de kop zijn de oudsten en aanzienlijken,

en de staart de leugenprofeten.

15De leiders van het volk misleiden het,

het volk dat leiding zoekt, is op een dwaalspoor gebracht.

16

9:16
Jes. 5:25
Daarom wil de Heer hun jongeren niet sparen,9:16 Daarom wil de Heer hun jongeren niet sparen – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘Daarom zal de Heer zich niet verheugen over hun jongeren’.

zich over hun wezen en weduwen niet ontfermen.

Heel het volk is goddeloos en zondig,

iedereen verkondigt dwaasheid.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

17Hun goddeloosheid is als een verterend vuur:

dorens en distels verbranden, het bos vat vlam,

en alles verdwijnt in dikke rook.

18De toorn van de HEER van de hemelse machten

zal het land in duisternis hullen,

het volk valt ten prooi aan het vuur.

De mensen zullen elkaar niet ontzien:

19men bijt naar rechts, maar de honger blijft,

men hapt naar links, maar raakt niet verzadigd,

zelfs het vlees van hun verwanten eten zij.9:19 zelfs het vlees van hun verwanten eten zij – Voorgestelde lezing ondersteund door de Targoem. MT: ‘ieder eet het vlees van zijn eigen arm’.

20Manasse eet Efraïm, Efraïm Manasse,

en samen storten zij zich op Juda.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

10

101Wee degenen die onrechtvaardige wetten uitvaardigen,

die de onderdrukking wettelijk bekrachtigen.

2

10:2
Jes. 1:23
3:14
5:23
Zij verdraaien het recht van de zwakken

en ontnemen de armen van mijn volk hun deel.

Weduwen vallen hun ten prooi,

wezen worden door hen beroofd.

3

10:3
Jer. 5:31
Maar wat doen jullie op de dag van de vergelding,

wanneer ver weg de storm opsteekt?

Bij wie zoeken jullie dan je toevlucht,

waar laten jullie je rijke buit?

4

10:4
Jes. 5:25
9:11,16,20
In gevangenschap zullen zij zuchten,

sneuvelen in de strijd.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

Oordeel over Assyrië, de stok in Gods hand

5

10:5
Jes. 14:24-27
Nah. 3:18
Sef. 2:13-15
Wee Assyrië, gesel van mijn toorn,

stok waarmee ik in mijn woede sla.

6Je koning zend ik naar een goddeloos volk,

ik stuur hem af op het volk dat mij tergde,

om te plunderen en te roven en buit te behalen,

en hen te vertrappen als vuil op straat.

7Maar zo heeft hij dat niet bedoeld,

hij heeft iets anders in de zin,

hij streeft naar de ondergang van talloze volken.

8

10:8-11
Jes. 36:18-20
Hij zegt: ‘Zijn mijn aanvoerders niet machtig als koningen?

9Is het Kalno niet vergaan als Karkemis?

En Hamat als Arpad? Samaria als Damascus?

10Ik heb de hand gelegd op koninkrijken vol afgoden,

rijker aan beelden dan Jeruzalem en Samaria.

11Samaria met zijn afgoden heb ik vernietigd,

zou ik niet hetzelfde kunnen doen

met Jeruzalem en zijn gruwelijke beelden?’

12Maar zodra de Heer heeft afgerekend met de Sion

en zich op Jeruzalem gewroken heeft,

zal hij de koning van Assyrië straffen

om zijn hoogmoedige houding en trotse blik.

13

10:13
Deut. 8:17
Want deze beweerde:

‘Op eigen kracht heb ik dit gedaan,

in mijn grote wijsheid – want ik ben wijs!

Ik heb grenzen verlegd en volken geplunderd,

door mijn macht heb ik hen in het stof doen bijten.

14Zoals iemand een vogelnest vindt,

zo vond ik de rijkdom van die volken,

en zoals iemand verlaten eieren verzamelt,

zo nam ik heel de aarde in mijn handen.

Er was niemand meer die zijn vleugels bewoog

of die zijn snavel opende om te tjilpen.’

15

10:15
Jes. 45:9
Rom. 9:20-21
Schept een bijl op tegen wie ermee hakt?

Verheft een zaag zich boven wie hem hanteert?

Alsof de scepter heerst over wie hem vastheeft,

alsof de stok optilt wie hem omhooghoudt!

16Daarom laat God, de HEER van de hemelse machten,

zijn weldoorvoede volk vermageren,

hij verteert hun welvaart als door een groot vuur.

17Het licht van Israël zal een vlam worden,

de Heilige van Israël een vuur;

op één dag verbrandt en verteert het

de dorens en distels van zijn volk.

18De weelde van hun wouden en wijngaarden

vernietigt hij, met alles wat daar leeft;

het volk zal zijn als een zieke die wegkwijnt.

19Wat blijft over van zijn bossen?

Enkele bomen, een kind kan ze tellen.

20Op die dag zullen de overlevenden van Israël niet langer vertrouwen stellen in hem door wie ze werden geslagen. Het deel van Jakobs volk dat ontkomen is, zal weer oprecht vertrouwen op de HEER, de Heilige van Israël. 21Een rest zal terugkeren naar de sterke God, de rest die van Jakob is overgebleven. 22Want, Israël, al was je volk zo talrijk als zandkorrels aan de zee, slechts een rest zal terugkeren. Je vernietiging staat vast en de gerechtigheid zal overvloedig zijn. 23

10:23
Rom. 9:27-28
Want God, de HEER van de hemelse machten, heeft tot vernietiging van het hele land besloten.

24

10:24-27
Jes. 14:24-27
30:27-33
Daarom – dit zegt God, de HEER van de hemelse machten: Wees niet bang, mijn volk, dat op de Sion woont, wees niet bang voor Assyrië, dat zijn stok heeft opgenomen om jullie te slaan, zoals eerder Egypte deed. 25Want nog een korte tijd, dan is de maat van mijn toorn vol en richt mijn woede zich op zijn ondergang. 26
10:26
Ex. 14:26-28
Recht. 7:25
Jes. 9:3
Dan zal de HEER van de hemelse machten hem met een gesel slaan, zoals Midjan bij de Rots van Oreb is geslagen; hij zal zijn stok opnemen tegen de zee, zoals hij eerder bij Egypte deed.

27Op die dag wordt de Assyrische last van je schouders genomen, je nek wordt van zijn juk bevrijd; het sterke juk zal verbrijzeld worden.

28

10:28-32
Micha 1:10-15
10:28-29
1 Sam. 14:2-5
Ze rukken op naar Ajjat, ze trekken door Migron;

ze laten de legertros bij Michmas achter, met de hele uitrusting.

29Ze steken het ravijn over. ‘In Geba zullen we overnachten!’

Rama siddert, Gibea van Saul vlucht weg.

30Gil het uit, Bat-Gallim! Laïs, geef gehoor!

Neem die kreten over,10:30 Neem die kreten over – Volgens de Pesjitta. MT: ‘Ellendig’. Anatot!

31Madmena slaat op de vlucht,

de inwoners van Gebim houden zich schuil.

32Vandaag nog houden ze halt bij Nob,

ze ballen de vuist tegen de Sion,

tegen de heuvel van Jeruzalem.

33God, de HEER van de hemelse machten,

houwt met geweld hun takken af;

de hoogste bomen worden omgehakt,

de statigste stammen komen ten val.

34Met een bijl kapt hij de struiken weg.

Heel de Libanon wordt door de Machtige geveld.

11

Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï

111

11:1-5
Jes. 9:5-6
16:5
32:1-2
42:1-7
Jer. 23:5-6
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,

een scheut van zijn wortels komt tot bloei.

2

11:2
1 Petr. 4:14
De geest van de HEER zal op hem rusten:

een geest van wijsheid en inzicht,

een geest van kracht en verstandig beleid,

een geest van kennis en ontzag voor de HEER.

3Hij ademt ontzag voor de HEER;

zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,

noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.

4

11:4
2 Tes. 2:8
Op. 19:11,15
Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,

de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.

Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,

met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.

5

11:5
Ef. 6:14
Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen

en trouw als een gordel om zijn heupen.

6

11:6-9
Jes. 65:25
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,

een panter vlijt zich bij een bokje neer;

kalf en leeuw zullen samen weiden11:6 zullen samen weiden – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘en mestvee samen’.

en een kleine jongen zal ze hoeden.

7Een koe en een beer grazen samen,

hun jongen liggen bijeen;

een leeuw en een rund eten beide stro.

8Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,

een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

9

11:9
Hab. 2:14
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil

op heel mijn heilige berg.

Want kennis van de HEER vervult de aarde,

zoals het water de bodem van de zee bedekt.

10

11:10
Rom. 15:12
Op. 5:5
22:16
Op die dag zal de telg van Isaï

als een vaandel voor alle volken staan.

Dan zullen de volken hem zoeken

en zijn woonplaats zal schitterend zijn.

Terugkeer van de overlevenden van Israël

11Op die dag heft de Heer opnieuw zijn hand op

om de overlevenden van zijn volk vrij te kopen

uit Assyrië en Egypte,

uit Patros, Nubië en Elam,

uit Sinear en Hamat, en van de eilanden in zee.

12

11:12
Jes. 49:22
Dan steekt hij een vaandel op voor de volken.

Hij brengt bijeen wie uit Israël verdreven waren,

de vluchtelingen uit Juda brengt hij samen,

van de vier uiteinden van de aarde.

13Efraïms afgunst zal verdwijnen,

aan Juda’s vijandschap komt een eind.

Efraïm is niet meer afgunstig op Juda,

Juda is Efraïm niet meer vijandig.

14Ze strijken neer op de flank van Filistea, aan de zee,

samen beroven zij de stammen in het oosten;

ze leggen de hand op Edom en Moab

en de Ammonieten zullen hen gehoorzamen.

15Dan zal de HEER de zeearm van Egypte splijten;

de Eufraat bedwingt hij met zijn machtige adem,

hij slaat het water uiteen in zeven beken

waar men droogvoets door kan gaan.

16

11:16
Ex. 14:22
Jes. 35:8
43:19
49:11
57:14
62:10
Bar. 5:7
Zo baant hij de weg

voor wat er in Assyrië van zijn volk nog overbleef,

zoals eens voor Israël, toen het wegtrok uit Egypte.