Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Onheil over een volk zonder vertrouwen

81De HEER zei tegen mij: ‘Neem een groot schrijftablet en noteer daarop in leesbaar schrift: haastige roof, spoedige buit.’ 2

8:2
2 Kon. 16:10-16
18:2
Als betrouwbare getuigen koos ik de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu. 3Ik had gemeenschap met de profetes; zij werd zwanger en baarde een zoon. De HEER zei tegen mij: ‘Geef hem de naam “Haastige roof, spoedige buit”. 4
8:4
Jes. 7:16
Want nog voordat de jongen vader en moeder kan zeggen, zullen de rijkdommen van Damascus en de schatten van Samaria door de koning van Assyrië worden buitgemaakt.’

5De HEER zei verder nog tegen mij: 6‘Omdat dit volk geen vertrouwen meer heeft in het kabbelende water van Siloach en zijn geluk zoekt bij Resin en de zoon van Remaljahu, 7zal de Heer de koning van Assyrië en zijn geweldige legermacht over hen uitstorten als de grote watermassa’s van de Eufraat: ze zullen buiten hun oevers treden en over alles heen stromen. 8Ze zullen Juda binnendringen en het overspoelen, zodat het water ieder tot de lippen stijgt. Ze zullen je land over de volle breedte overvleugelen, Immanuel.’

9Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. 10Smeed een plan – het zal verijdeld worden; sluit een verbond – het zal nergens toe leiden. Want God is met ons.

11Toen greep de HEER mij bij de hand en hield me voor dat ik me anders moest gedragen dan dit volk. Hij zei: 12

8:12-13
1 Petr. 3:14
‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor. 13Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor hem zijn angst en ontzag op hun plaats. 14
8:14
Rom. 9:33
1 Petr. 2:8
Hij zal een heiligdom zijn, maar ook de steen waaraan men zich stoot, de rots waarover de twee koningshuizen van Israël struikelen, de valstrik en het net waarin de inwoners van Jeruzalem verstrikt raken. 15
8:15
Jes. 28:13
Velen zullen struikelen, ze komen ten val en worden vermorzeld, raken verstrikt en worden gevangen. 16Bewaar mijn getuigenis zorgvuldig, verzegel dit onderricht in mijn leerlingen.’

17

8:17
Hebr. 2:13
Ik stel mijn vertrouwen in de HEER, hoewel hij zich voor het volk van Jakob verborgen houdt; ik heb mijn hoop op hem gevestigd. 18Ik ben, met de kinderen die de HEER mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de HEER van de hemelse machten, die op de Sion woont.

19

8:19
Lev. 19:31
Wanneer men jullie vraagt om de geesten van doden te raadplegen en naar fluisterende en mompelende waarzeggers te luisteren – elk volk raadpleegt toch zijn goden en vraagt de doden toch om raad voor de levenden? –, 20ga dan alleen af op dit onderricht, op mijn getuigenis. Spreek uitsluitend volgens deze woorden, waartegen geen bezwering bestand is.

21Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het land zwerven. Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken. Ze kijken omhoog 22of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal. 23En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen.

Licht in de duisternis

Zoals het land van Zebulon en Naftali

in het verleden smadelijk bejegend is,

zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek,

het Overjordaanse en het domein van andere volken.

9

91

9:1
Mat. 4:15-16
Luc. 1:79
1 Petr. 2:9
Het volk dat in duisternis ronddoolt

ziet een schitterend licht.

Zij die in het donker wonen

worden door een helder licht beschenen.

2

9:2
Ps. 126:1-2
U hebt het volk weer groot gemaakt,

diepe vreugde gaf u het,

blijdschap als de vreugde bij de oogst,

zij jubelen als bij het verdelen van de buit.

3

9:3
Recht. 7:15-25
Ps. 83:10
Jes. 10:26-27
14:25
Het juk dat op hen drukte,

de stok op hun schouder, de zweep van de drijver,

u hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.

4Iedere laars die dreunend stampte

en elke mantel waar bloed aan kleeft,

ze worden verbrand, een prooi van het vuur.

5

9:5-6
Jes. 11:1-5
16:5
32:1-2
9:5
Gen. 49:10
Num. 24:17
Micha 5:1-3
Een kind is ons geboren,

een zoon is ons gegeven;

de heerschappij rust op zijn schouders.

Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,

Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.

6

9:6
2 Sam. 7:12-16
Luc. 1:32-33
Groot is zijn heerschappij,

aan de vrede zal geen einde komen.

Davids troon en rijk zijn erop gebouwd,

ze staan vast, in recht en gerechtigheid,

van nu tot in eeuwigheid.

Daarvoor zal hij zich beijveren,

de HEER van de hemelse machten.

De opgeheven hand van de HEER

7

9:7
Jes. 55:10-11
De Heer heeft zijn woord op Israël afgestuurd,

het heeft Jakobs volk getroffen.

8Het volk van Efraïm, de inwoners van Samaria,

zij hebben het ondervonden.

Hoogmoedig en verwaten zeiden ze:

9‘De gemetselde muren zijn ingestort,

maar wij herbouwen met gehouwen steen;

de vijgenbomen zijn geveld,

maar wij planten ceders in hun plaats.’

10De HEER heeft Resins vijanden tegen hen opgezet,

hij heeft hun tegenstanders opgehitst:

11

9:11
Jes. 5:25
9:16,20
10:4
Micha 3:3
vanuit het oosten viel Aram aan,

vanuit het westen de Filistijnen,

en zij verslonden Israël met huid en haar.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

12

9:12
Jer. 5:3
Hos. 7:10
Het volk keert niet terug naar wie hen sloeg,

de HEER van de hemelse machten zoeken zij niet.

13Daarom zal de HEER bij Israël in één haal

kop en staart, palmtak en riet afsnijden;

14de kop zijn de oudsten en aanzienlijken,

en de staart de leugenprofeten.

15De leiders van het volk misleiden het,

het volk dat leiding zoekt, is op een dwaalspoor gebracht.

16

9:16
Jes. 5:25
Daarom wil de Heer hun jongeren niet sparen,9:16 Daarom wil de Heer hun jongeren niet sparen – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘Daarom zal de Heer zich niet verheugen over hun jongeren’.

zich over hun wezen en weduwen niet ontfermen.

Heel het volk is goddeloos en zondig,

iedereen verkondigt dwaasheid.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

17Hun goddeloosheid is als een verterend vuur:

dorens en distels verbranden, het bos vat vlam,

en alles verdwijnt in dikke rook.

18De toorn van de HEER van de hemelse machten

zal het land in duisternis hullen,

het volk valt ten prooi aan het vuur.

De mensen zullen elkaar niet ontzien:

19men bijt naar rechts, maar de honger blijft,

men hapt naar links, maar raakt niet verzadigd,

zelfs het vlees van hun verwanten eten zij.9:19 zelfs het vlees van hun verwanten eten zij – Voorgestelde lezing ondersteund door de Targoem. MT: ‘ieder eet het vlees van zijn eigen arm’.

20Manasse eet Efraïm, Efraïm Manasse,

en samen storten zij zich op Juda.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

10

101Wee degenen die onrechtvaardige wetten uitvaardigen,

die de onderdrukking wettelijk bekrachtigen.

2

10:2
Jes. 1:23
3:14
5:23
Zij verdraaien het recht van de zwakken

en ontnemen de armen van mijn volk hun deel.

Weduwen vallen hun ten prooi,

wezen worden door hen beroofd.

3

10:3
Jer. 5:31
Maar wat doen jullie op de dag van de vergelding,

wanneer ver weg de storm opsteekt?

Bij wie zoeken jullie dan je toevlucht,

waar laten jullie je rijke buit?

4

10:4
Jes. 5:25
9:11,16,20
In gevangenschap zullen zij zuchten,

sneuvelen in de strijd.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

Oordeel over Assyrië, de stok in Gods hand

5

10:5
Jes. 14:24-27
Nah. 3:18
Sef. 2:13-15
Wee Assyrië, gesel van mijn toorn,

stok waarmee ik in mijn woede sla.

6Je koning zend ik naar een goddeloos volk,

ik stuur hem af op het volk dat mij tergde,

om te plunderen en te roven en buit te behalen,

en hen te vertrappen als vuil op straat.

7Maar zo heeft hij dat niet bedoeld,

hij heeft iets anders in de zin,

hij streeft naar de ondergang van talloze volken.

8

10:8-11
Jes. 36:18-20
Hij zegt: ‘Zijn mijn aanvoerders niet machtig als koningen?

9Is het Kalno niet vergaan als Karkemis?

En Hamat als Arpad? Samaria als Damascus?

10Ik heb de hand gelegd op koninkrijken vol afgoden,

rijker aan beelden dan Jeruzalem en Samaria.

11Samaria met zijn afgoden heb ik vernietigd,

zou ik niet hetzelfde kunnen doen

met Jeruzalem en zijn gruwelijke beelden?’

12Maar zodra de Heer heeft afgerekend met de Sion

en zich op Jeruzalem gewroken heeft,

zal hij de koning van Assyrië straffen

om zijn hoogmoedige houding en trotse blik.

13

10:13
Deut. 8:17
Want deze beweerde:

‘Op eigen kracht heb ik dit gedaan,

in mijn grote wijsheid – want ik ben wijs!

Ik heb grenzen verlegd en volken geplunderd,

door mijn macht heb ik hen in het stof doen bijten.

14Zoals iemand een vogelnest vindt,

zo vond ik de rijkdom van die volken,

en zoals iemand verlaten eieren verzamelt,

zo nam ik heel de aarde in mijn handen.

Er was niemand meer die zijn vleugels bewoog

of die zijn snavel opende om te tjilpen.’

15

10:15
Jes. 45:9
Rom. 9:20-21
Schept een bijl op tegen wie ermee hakt?

Verheft een zaag zich boven wie hem hanteert?

Alsof de scepter heerst over wie hem vastheeft,

alsof de stok optilt wie hem omhooghoudt!

16Daarom laat God, de HEER van de hemelse machten,

zijn weldoorvoede volk vermageren,

hij verteert hun welvaart als door een groot vuur.

17Het licht van Israël zal een vlam worden,

de Heilige van Israël een vuur;

op één dag verbrandt en verteert het

de dorens en distels van zijn volk.

18De weelde van hun wouden en wijngaarden

vernietigt hij, met alles wat daar leeft;

het volk zal zijn als een zieke die wegkwijnt.

19Wat blijft over van zijn bossen?

Enkele bomen, een kind kan ze tellen.

20Op die dag zullen de overlevenden van Israël niet langer vertrouwen stellen in hem door wie ze werden geslagen. Het deel van Jakobs volk dat ontkomen is, zal weer oprecht vertrouwen op de HEER, de Heilige van Israël. 21Een rest zal terugkeren naar de sterke God, de rest die van Jakob is overgebleven. 22Want, Israël, al was je volk zo talrijk als zandkorrels aan de zee, slechts een rest zal terugkeren. Je vernietiging staat vast en de gerechtigheid zal overvloedig zijn. 23

10:23
Rom. 9:27-28
Want God, de HEER van de hemelse machten, heeft tot vernietiging van het hele land besloten.

24

10:24-27
Jes. 14:24-27
30:27-33
Daarom – dit zegt God, de HEER van de hemelse machten: Wees niet bang, mijn volk, dat op de Sion woont, wees niet bang voor Assyrië, dat zijn stok heeft opgenomen om jullie te slaan, zoals eerder Egypte deed. 25Want nog een korte tijd, dan is de maat van mijn toorn vol en richt mijn woede zich op zijn ondergang. 26
10:26
Ex. 14:26-28
Recht. 7:25
Jes. 9:3
Dan zal de HEER van de hemelse machten hem met een gesel slaan, zoals Midjan bij de Rots van Oreb is geslagen; hij zal zijn stok opnemen tegen de zee, zoals hij eerder bij Egypte deed.

27Op die dag wordt de Assyrische last van je schouders genomen, je nek wordt van zijn juk bevrijd; het sterke juk zal verbrijzeld worden.

28

10:28-32
Micha 1:10-15
10:28-29
1 Sam. 14:2-5
Ze rukken op naar Ajjat, ze trekken door Migron;

ze laten de legertros bij Michmas achter, met de hele uitrusting.

29Ze steken het ravijn over. ‘In Geba zullen we overnachten!’

Rama siddert, Gibea van Saul vlucht weg.

30Gil het uit, Bat-Gallim! Laïs, geef gehoor!

Neem die kreten over,10:30 Neem die kreten over – Volgens de Pesjitta. MT: ‘Ellendig’. Anatot!

31Madmena slaat op de vlucht,

de inwoners van Gebim houden zich schuil.

32Vandaag nog houden ze halt bij Nob,

ze ballen de vuist tegen de Sion,

tegen de heuvel van Jeruzalem.

33God, de HEER van de hemelse machten,

houwt met geweld hun takken af;

de hoogste bomen worden omgehakt,

de statigste stammen komen ten val.

34Met een bijl kapt hij de struiken weg.

Heel de Libanon wordt door de Machtige geveld.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]