Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1
Gen. 22:17
32:13
Rom. 9:26
Maar2:1-3 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:10-12. eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer,’ zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd. 2Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël weer bijeenkomen en één leider aanstellen. Op de dag dat God zelf zal zaaien, op de grote dag van Jizreël, zullen ze uit de aarde opschieten. 3Dan noemen jullie je broeders weer Ammi2:3 Ammi – Ammi kan worden vertaald als ‘mijn volk’. en je zusters weer Ruchama.2:3 Ruchama – Ruchama kan worden vertaald als ‘die ontferming ontvangt’.

Israëls ontrouw beantwoord met liefde

4Klaag2:4-25 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:1-22. jullie moeder aan! Klaag haar aan! Want zij is mijn vrouw niet meer en ik ben haar man niet meer. Laat ze die hoerige opschik wegdoen van haar gezicht, de tekens van overspel tussen haar borsten weghalen. 5

2:5
Jer. 6:8
9:11
Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd; anders maak ik haar onvruchtbaar als een woestijn, als een land van grote droogte, en laat ik haar omkomen van dorst. 6
2:6
Hos. 1:2
Ook ontferm ik me niet over haar kinderen, want ze zijn geboren uit overspel. 7
2:7
Jer. 2:25
3:13
44:17
Amos 2:4
Overspelig was immers hun moeder; de vrouw die hen gedragen heeft leefde in schande. Ze zei: ‘Ik ga achter mijn minnaars aan, want zij zorgen voor mijn eten en drinken, voor wol en vlas, olijfolie en wijn.’

8Daarom zal ik haar met een doornhaag de weg versperren, met een muur zal ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan gaan. 9

2:9
Jer. 3:22
Hos. 6:1-3
Als ze dan achter haar minnaars aan wil gaan kan ze hen niet bereiken; ze zoekt maar kan hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu.’

10

2:10
Deut. 7:13
8:11-18
Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12
2:12
Ezech. 16:37
Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13
2:13
Jes. 1:13-14
Jer. 7:34
Amos 5:21-23
Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14
2:14
Ps. 80:13-14
Jes. 5:5-6
Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren. 15
2:15
Jer. 2:32
Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze – spreekt de HEER.

16Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17

2:17
Jes. 65:10
Jer. 2:2
Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18Dan, op die dag – spreekt de HEER –, zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man,’ en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord. 20
2:20
Gen. 9:8-11
Job 5:23
Jes. 2:4
Ezech. 34:25
Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. 22Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn.

23Op die dag – spreekt de HEER –

zal ik antwoord geven.

Dan antwoord ik de hemel

en de hemel antwoordt de aarde,

24

2:24-25
Hos. 1:4-9
en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok,

en zij antwoorden Jizreël,

25

2:25
Rom. 9:25
1 Petr. 2:10
want het land zaai ik in met mijn volk.

Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen,

Lo-Ammi noem ik weer mijn volk,

en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’

3

Israëls liefde afgedwongen

31De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’3:3 Ook ik zal niet met je slapen – Voorgestelde lezing. MT: ‘Ook ik [ben] met je’. 4Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5

3:5
Jer. 30:9
Hos. 2:9
6:1-3
14:2
Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen.

4

Aanklacht tegen volk en priesters

41

4:1-2
Jes. 3:13-15
Micha 6:1-2
Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2
4:2
Jer. 7:9
Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3
4:3
Jer. 4:28
Sef. 1:3
Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit.

4Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht!4:4 Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht – Voorgestelde lezing. MT: ‘Jouw volk is als degenen die een priester aanklagen’. 5Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ’s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6

4:6
Jer. 5:4
Mal. 2:1-9
Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11
4:10-11
Micha 6:14
Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt.

12

4:12
Jer. 2:27
Hos. 1:2
Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val.

15Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16

4:16
Jer. 31:18
Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17
4:17
Hos. 14:9
Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar! 18
4:18
Amos 6:4-6
Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19
4:19
Jer. 4:11-13
Amos 1:14
Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]