Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 14:23-29
15:32-38
16:1-20
18:1-20:21
2 Kron. 26:1-23
27:1-9
28:1-27
29:1-32:33
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Hosea, de zoon van Beëri, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden, en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël.

Israëls ontrouw

2Zo begon de HEER te spreken tegen Hosea.

De HEER zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren.’ 3Daarop trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en baarde hem een zoon, 4

1:4
2 Kon. 10:11
en de HEER zei tegen Hosea: ‘Noem hem Jizreël, want binnenkort zal ik het koningshuis van Jehu ter verantwoording roepen voor de moorden bij Jizreël en een einde maken aan het koningschap in Israël. 5Op die dag zal ik Israëls wapentuig breken in de vallei van Jizreël.’ 6Gomer werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Toen zei de HEER tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama,1:6 Lo-Ruchama – Lo-Ruchama kan worden vertaald als ‘die geen ontferming ontvangt’. want ik zal me niet nog eens over het volk van Israël ontfermen – alsof ik hun steeds zou moeten vergeven. 7
1:7
Ps. 20:8
Spr. 21:31
Jes. 31:1
Hos. 14:4
Maar over het volk van Juda zal ik me wel ontfermen; ik, de HEER, hun God, zal hen bevrijden door mijn macht, niet door het geweld van boog en zwaard of door paarden en ruiters.’ 8Toen Gomer Lo-Ruchama niet langer de borst gaf, werd ze weer zwanger en baarde een zoon. 9Toen zei de HEER: ‘Noem hem Lo-Ammi,1:9 Lo-Ammi – Lo-Ammi kan worden vertaald als ‘niet mijn volk’. want jullie zijn mijn volk niet meer en ik zal er voor jullie niet meer zijn.’

2

21

2:1
Gen. 22:17
32:13
Rom. 9:26
Maar2:1-3 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:10-12. eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer,’ zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd. 2Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël weer bijeenkomen en één leider aanstellen. Op de dag dat God zelf zal zaaien, op de grote dag van Jizreël, zullen ze uit de aarde opschieten. 3Dan noemen jullie je broeders weer Ammi2:3 Ammi – Ammi kan worden vertaald als ‘mijn volk’. en je zusters weer Ruchama.2:3 Ruchama – Ruchama kan worden vertaald als ‘die ontferming ontvangt’.

Israëls ontrouw beantwoord met liefde

4Klaag2:4-25 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:1-22. jullie moeder aan! Klaag haar aan! Want zij is mijn vrouw niet meer en ik ben haar man niet meer. Laat ze die hoerige opschik wegdoen van haar gezicht, de tekens van overspel tussen haar borsten weghalen. 5

2:5
Jer. 6:8
9:11
Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd; anders maak ik haar onvruchtbaar als een woestijn, als een land van grote droogte, en laat ik haar omkomen van dorst. 6
2:6
Hos. 1:2
Ook ontferm ik me niet over haar kinderen, want ze zijn geboren uit overspel. 7
2:7
Jer. 2:25
3:13
44:17
Amos 2:4
Overspelig was immers hun moeder; de vrouw die hen gedragen heeft leefde in schande. Ze zei: ‘Ik ga achter mijn minnaars aan, want zij zorgen voor mijn eten en drinken, voor wol en vlas, olijfolie en wijn.’

8Daarom zal ik haar met een doornhaag de weg versperren, met een muur zal ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan gaan. 9

2:9
Jer. 3:22
Hos. 6:1-3
Als ze dan achter haar minnaars aan wil gaan kan ze hen niet bereiken; ze zoekt maar kan hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu.’

10

2:10
Deut. 7:13
8:11-18
Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12
2:12
Ezech. 16:37
Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13
2:13
Jes. 1:13-14
Jer. 7:34
Amos 5:21-23
Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14
2:14
Ps. 80:13-14
Jes. 5:5-6
Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren. 15
2:15
Jer. 2:32
Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze – spreekt de HEER.

16Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17

2:17
Jes. 65:10
Jer. 2:2
Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18Dan, op die dag – spreekt de HEER –, zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man,’ en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord. 20
2:20
Gen. 9:8-11
Job 5:23
Jes. 2:4
Ezech. 34:25
Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. 22Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn.

23Op die dag – spreekt de HEER –

zal ik antwoord geven.

Dan antwoord ik de hemel

en de hemel antwoordt de aarde,

24

2:24-25
Hos. 1:4-9
en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok,

en zij antwoorden Jizreël,

25

2:25
Rom. 9:25
1 Petr. 2:10
want het land zaai ik in met mijn volk.

Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen,

Lo-Ammi noem ik weer mijn volk,

en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’

3

Israëls liefde afgedwongen

31De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’3:3 Ook ik zal niet met je slapen – Voorgestelde lezing. MT: ‘Ook ik [ben] met je’. 4Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5

3:5
Jer. 30:9
Hos. 2:9
6:1-3
14:2
Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]