Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

111

11:1-2
Jer. 2:1-9
11:1
Ex. 4:22
Mat. 2:15
Toen Israël nog een kind was, had ik het lief;

uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen.

2Hoe harder ze geroepen werden,

hoe meer ze hun eigen weg gingen.

Ze brachten offers aan de Baäls

en brandden wierook voor godenbeelden –

3terwijl ik het toch was die Efraïm leerde lopen

en hem op mijn arm nam.

Maar zij beseften niet dat ík hen verzorgde.

4

11:4
Deut. 8:16
Zacht leidde ik hen bij de teugels,

aan koorden van liefde trok ik hen mee;

ik verloste hen van het juk om hen te laten eten,

ik hield hun het voer zelfs nog voor.

5Zouden zij niet naar Egypte terugkeren,

zou Assyrië niet over hen heersen,

nu zij weigeren naar mij terug te keren?

6Het zwaard zal huishouden in hun steden

en hun orakelpriesters neerhouwen

om alles wat ze hebben uitgebroed.

7Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens mij.

Al roepen ze tot mij, de Allerhoogste,

ik zal hun lot niet verlichten.

8

11:8
Deut. 29:22
Jes. 54:8
Jer. 31:20
Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven?

Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël?

Zou ik je prijsgeven als Adma,

je laten ondergaan als Seboïm?

Mijn hart wordt verscheurd,

door barmhartigheid word ik bewogen.

9

11:9
Num. 23:19
Ik zal mijn toorn laten varen

en Efraïm niet opnieuw te gronde richten.

Want God ben ik, en geen mens,

ik ben in jullie midden, ik ben heilig,

ik zal niet meer in woede ontsteken.

10

11:10
Jer. 25:30
De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen hem weer volgen.

Wanneer hij brult, keren ze schuchter terug van overzee,

11als bange vogeltjes komen ze uit Egypte,

als duiven uit Assyrië.

Dan laat ik hen weer wonen in hun eigen huis

– zo spreekt de HEER.

12

Israël en zijn voorvader Jakob

121Efraïm heeft mij omsingeld met leugens, het volk van Israël heeft mij ingesloten met bedrog. Maar Juda heeft nog een band met God en blijft de Heilige nog trouw. 2

12:2
Jes. 30:1-2
31:1
Hos. 5:13
Efraïm bouwt op lucht; het zoekt zelfs de verzengende oostenwind op. Elke dag weer stapelt het leugen op leugen en pleegt het nieuwe gewelddaden. Met Assyrië sluiten ze een verbond, Egypte bieden ze olijfolie aan. 3
12:3
Hos. 4:1
De HEER voert een geding tegen Juda; hij zal Jakob om zijn wangedrag bestraffen, zijn misdaden zal hij hem vergelden. 4
12:4
Gen. 25:26
Al in de moederschoot heeft hij zijn broer beetgenomen, en in de kracht van zijn leven worstelde hij met God. 5
12:5
Gen. 28:10-22
32:25-29
Hij worstelde met een engel en overwon; onder tranen smeekte hij hem om een gunst. In Betel vond God hem, daar sprak hij al tot ons. 6Hij is de HEER, de God van de hemelse machten; HEER is zijn naam! 7Keer voorgoed terug naar die God. Laat je leiden door liefde en recht. Blijf voortdurend hopen op je God.

8

12:8
Deut. 25:13
Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand, het is verzot op afzetterij. 9Hoor Efraïm zeggen: ‘Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven? Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient?’ 10
12:10
Lev. 23:42-43
Hos. 13:4
Maar ik, de HEER, ben je God al sinds Egypte, en ik laat je opnieuw in tenten wonen, als in de tijd van onze ontmoeting. 11
12:11
Hos. 6:5
Ik heb tot de profeten gesproken en talrijke visioenen geschonken; door mijn profeten heb ik je een spiegel voorgehouden. 12
12:12
Hos. 4:15
6:8
9:15
Was Gilead al misdadig, Efraïm is nog dieper gevallen: al die stierenoffers in Gilgal! En al die altaren, als steenhopen aan de rand van een geploegde akker!

13

12:13
Gen. 29:1-30
Jakob vluchtte naar Aram; Israël werd knecht om een vrouw te krijgen, om een vrouw hoedde hij de schapen. 14
12:14
Ex. 3:10
Deut. 18:15,18
Door een profeet leidde de HEER Israël uit Egypte weg, door een profeet werd Israël gehoed.

15Hoe diep heeft dit volk zijn Heer gekrenkt! Maar het bloed aan Efraïms handen zal de HEER hem aanrekenen, en de smaad die Efraïm hem aandeed zal hij vergelden.

13

Israëls einde

131Als de stam Efraïm zich liet horen, beefde iedereen; hij had groot gezag in Israël.13:1 hij had groot gezag in Israël – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘hij droeg in Israël’. Toen maakte hij zich schuldig aan de verering van Baäl, en daarmee tekende hij zijn doodvonnis. 2

13:2
1 Kon. 12:28
19:18
Jes. 40:19-20
Hos. 8:6
Toch bleven ze zondigen: ze maakten een godenbeeld. En met hun zilver maakten ze nog meer beelden, naar eigen smaak, niet meer dan het werk van ambachtslieden. Men zegt van hen: Mensen die offeren, kussen kalveren! 3
13:3
Ps. 1:4
35:5
Jes. 17:13
41:16
Hos. 6:4
Sef. 2:2
Daarom zullen ze worden als een ochtendnevel, als dauw die ’s morgens vroeg verdwijnt, als kaf dat wordt weggeblazen van de dorsvloer of als rook uit een trekgat.

4

13:4
Ex. 20:2-3
Deut. 5:6-7
Jes. 43:11
Hos. 12:10
Maar ik, de HEER, ben je God al sinds Egypte, en met andere goden mag je je niet inlaten; buiten mij is er niemand die je redt. 5Ik heb naar je omgezien in de woestijn, in de dorre woestenij. 6
13:6
Deut. 32:15
Ik heb hen op weidegrond gebracht en ze raakten verzadigd. Maar toen ze eenmaal verzadigd waren, werden ze hoogmoedig en keerden mij de rug toe. 7
13:7
Hos. 5:14
Daarom ben ik naar hen op jacht gegaan als een leeuw, als een panter lig ik langs de weg op de loer. 8
13:8
2 Sam. 17:8
Ik val hen aan als een berin die van haar jongen beroofd is. Ik rijt hun borstkas open, als een leeuwin verslind ik hen. Wilde dieren zullen hen verscheuren.

9Het wordt je noodlottig, Israël, dat je op mij aangewezen bent! 10

13:10
1 Sam. 8:5
Waar is die koning van je nu? Hij zou je toch redden, je steden beschermen? En je heersers? Je hebt toch om een koning en om leiders gevraagd? 11
13:11
1 Sam. 8:22
10:17-24
15:26
Hos. 10:15
Ik heb je koningen gegeven in mijn woede – en in mijn toorn nam ik ze weer weg.

12Efraïms misdaden zijn gebundeld en zijn zonden blijven bewaard. 13

13:13
Jes. 37:3
Wanneer de barensweeën komen, is hij het domme kind dat, als het zover is, de weg uit de baarmoeder niet weet te vinden. 14
13:14
Hos. 6:2
Waarom zou ik hen dan vrijkopen uit de macht van het dodenrijk of verlossen van de dood? Dood, zaai de pest om je heen! Dodenrijk, waar zijn je kwellingen? Ik ken geen medelijden meer. 15Zo voorspoedig als Efraïm was te midden van zijn broers ... als de oostenwind komt, ja, als de HEER de wind uit de woestijn laat opsteken, dan zullen zijn bronnen opdrogen, zijn waterputten droogvallen. Alles wat waardevol is, wordt uit zijn schatkamer geroofd.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]