Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101Israël was een weelderige wijnstok,

die volop vruchten voortbracht.

Maar hoe meer vrucht de wijnstok droeg,

hoe meer er op de altaren kwam;

en hoe rijker het land,

hoe rijker versierd de gewijde stenen.

2Zo bedrieglijk is dat volk! Nu zal het ervoor boeten:

de HEER breekt hun altaren af,

hun gewijde stenen verbrijzelt hij.

3Dan zullen ze zeggen: ‘Wij missen een koning!’

Maar wat zou een koning nog voor ons kunnen doen:

wij hadden toch nooit ontzag voor de HEER?

4

10:4
Amos 6:12
Koningen, ze spreken holle woorden,

zweren valse eden, sluiten slechte verdragen.

De rechtspraak woekert als onkruid,

als een gifplant in de voren van een akker.

5

10:5
Hos. 8:5
Het volk van Samaria verkeert in zorg,

is in de rouw om dat stierkalf in Betel,

en zijn priesters schreeuwen het uit

omdat zijn glorie vervliegt:

6het kalf wordt naar Assyrië gesleept

als geschenk voor koning Kemphaan.

Wat een schande is dat voor Efraïm,

wat een misrekening van Israël!

7Nu al wordt afgerekend met Samaria en zijn koning;

ze zijn als wrakhout op de golven.

8

10:8
2 Kon. 23:15
Jes. 2:10
Hos. 4:13
Luc. 23:30
Op. 6:16
De offerhoogten worden verwoest,

die plaatsen van verderf, tekens van Israëls zonde;

dorens en distels zullen hun altaren overwoekeren.

Dan roepen ze de bergen toe: ‘Bedek ons!’

en de heuvels: ‘Val op ons neer!’

9

10:9
Recht. 19:1-30
Hos. 9:9
Al in Gibea gaf jij je over aan zonden, Israël,

en sindsdien heb je daarin volhard.

Zou je dan nu in Gibea worden ontzien,

gespaard waar misdadigers worden gestraft?

10Ik heb besloten hen te straffen:

vreemde volken zullen tegen hen samenspannen

om hen vast te binden en hun bronnen leeg te drinken.

11

10:11
Jer. 2:20
5:5
Hos. 4:16
Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste.

Toen ik haar fraaie hals zag, dacht ik:

Ik ga Efraïm inspannen, ik laat Juda ploegen, Jakob eggen.

12

10:12
Jer. 4:3
Zaai rechtvaardig! Oogst met liefde! Ontgin nieuw land!

Het is tijd om de HEER te smeken,

dat hij nadert met de regen van zijn goedheid.

13

10:13
Jes. 31:1
Maar jullie ploegden wetteloosheid

en oogstten onrechtvaardigheid;

jullie moesten de vrucht van leugens eten

omdat jullie op je eigen inspanning vertrouwden,

op de kracht van je vele soldaten.

14

10:14
Hos. 14:1
Daarom zal het krijgsgeweld tegen jullie losbreken,

al je vestingen zullen worden verwoest

zoals destijds Bet-Arbel werd verwoest door Salman:

moeders werden doodgeslagen, samen met hun kinderen.

15Dat heeft Betel jullie aangedaan

om jullie eigen diepe verdorvenheid.

Bij het aanbreken van de morgen

komt Israëls koning voorgoed ten val.

11

111

11:1-2
Jer. 2:1-9
11:1
Ex. 4:22
Mat. 2:15
Toen Israël nog een kind was, had ik het lief;

uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen.

2Hoe harder ze geroepen werden,

hoe meer ze hun eigen weg gingen.

Ze brachten offers aan de Baäls

en brandden wierook voor godenbeelden –

3terwijl ik het toch was die Efraïm leerde lopen

en hem op mijn arm nam.

Maar zij beseften niet dat ík hen verzorgde.

4

11:4
Deut. 8:16
Zacht leidde ik hen bij de teugels,

aan koorden van liefde trok ik hen mee;

ik verloste hen van het juk om hen te laten eten,

ik hield hun het voer zelfs nog voor.

5Zouden zij niet naar Egypte terugkeren,

zou Assyrië niet over hen heersen,

nu zij weigeren naar mij terug te keren?

6Het zwaard zal huishouden in hun steden

en hun orakelpriesters neerhouwen

om alles wat ze hebben uitgebroed.

7Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens mij.

Al roepen ze tot mij, de Allerhoogste,

ik zal hun lot niet verlichten.

8

11:8
Deut. 29:22
Jes. 54:8
Jer. 31:20
Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven?

Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël?

Zou ik je prijsgeven als Adma,

je laten ondergaan als Seboïm?

Mijn hart wordt verscheurd,

door barmhartigheid word ik bewogen.

9

11:9
Num. 23:19
Ik zal mijn toorn laten varen

en Efraïm niet opnieuw te gronde richten.

Want God ben ik, en geen mens,

ik ben in jullie midden, ik ben heilig,

ik zal niet meer in woede ontsteken.

10

11:10
Jer. 25:30
De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen hem weer volgen.

Wanneer hij brult, keren ze schuchter terug van overzee,

11als bange vogeltjes komen ze uit Egypte,

als duiven uit Assyrië.

Dan laat ik hen weer wonen in hun eigen huis

– zo spreekt de HEER.

12

Israël en zijn voorvader Jakob

121Efraïm heeft mij omsingeld met leugens, het volk van Israël heeft mij ingesloten met bedrog. Maar Juda heeft nog een band met God en blijft de Heilige nog trouw. 2

12:2
Jes. 30:1-2
31:1
Hos. 5:13
Efraïm bouwt op lucht; het zoekt zelfs de verzengende oostenwind op. Elke dag weer stapelt het leugen op leugen en pleegt het nieuwe gewelddaden. Met Assyrië sluiten ze een verbond, Egypte bieden ze olijfolie aan. 3
12:3
Hos. 4:1
De HEER voert een geding tegen Juda; hij zal Jakob om zijn wangedrag bestraffen, zijn misdaden zal hij hem vergelden. 4
12:4
Gen. 25:26
Al in de moederschoot heeft hij zijn broer beetgenomen, en in de kracht van zijn leven worstelde hij met God. 5
12:5
Gen. 28:10-22
32:25-29
Hij worstelde met een engel en overwon; onder tranen smeekte hij hem om een gunst. In Betel vond God hem, daar sprak hij al tot ons. 6Hij is de HEER, de God van de hemelse machten; HEER is zijn naam! 7Keer voorgoed terug naar die God. Laat je leiden door liefde en recht. Blijf voortdurend hopen op je God.

8

12:8
Deut. 25:13
Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand, het is verzot op afzetterij. 9Hoor Efraïm zeggen: ‘Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven? Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient?’ 10
12:10
Lev. 23:42-43
Hos. 13:4
Maar ik, de HEER, ben je God al sinds Egypte, en ik laat je opnieuw in tenten wonen, als in de tijd van onze ontmoeting. 11
12:11
Hos. 6:5
Ik heb tot de profeten gesproken en talrijke visioenen geschonken; door mijn profeten heb ik je een spiegel voorgehouden. 12
12:12
Hos. 4:15
6:8
9:15
Was Gilead al misdadig, Efraïm is nog dieper gevallen: al die stierenoffers in Gilgal! En al die altaren, als steenhopen aan de rand van een geploegde akker!

13

12:13
Gen. 29:1-30
Jakob vluchtte naar Aram; Israël werd knecht om een vrouw te krijgen, om een vrouw hoedde hij de schapen. 14
12:14
Ex. 3:10
Deut. 18:15,18
Door een profeet leidde de HEER Israël uit Egypte weg, door een profeet werd Israël gehoed.

15Hoe diep heeft dit volk zijn Heer gekrenkt! Maar het bloed aan Efraïms handen zal de HEER hem aanrekenen, en de smaad die Efraïm hem aandeed zal hij vergelden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]