Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Terug naar Egypte

91Wees maar niet zo vrolijk, Israël, houd ermee op zo te jubelen als de andere volken: in overspel heb je je God verlaten; je was altijd uit op hoerenloon, overal waar graan werd gedorst. 2Dorsvloer en perskuip zullen hun niet langer gunstig gezind zijn, de wijnoogst zal hen teleurstellen. 3Ze blijven niet in het land van de HEER: Efraïm zal terugkeren naar Egypte, onrein voedsel eten in Assyrië. 4

9:4
Num. 19:11-13
Deut. 26:14
Het is als brood in een sterfhuis: wie het eet wordt onrein. Ze zullen de HEER geen wijnoffers brengen, hem met hun offers niet meer behagen. Het brood stilt alleen nog maar hun honger, het komt het huis van de HEER niet in. 5Wat moeten jullie dan nog op hoogtijdagen of op feestdagen ter ere van de HEER? 6En degenen die de ondergang ontlopen, vinden onderdak in Egypte: graven genoeg daar in Memfis, voor hen en hun kostbare zilver. Dorens en distels zullen hen en hun huizen overwoekeren.

7Het is tijd voor de afrekening, de tijd van de vergelding is daar, laat Israël dat beseffen! Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. 8

9:8
Jer. 20:1-6
Amos 7:10-17
De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt9:8 De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt – Voorgestelde lezing. MT: ‘Efraïm waakt met mijn God; een profeet vindt’. op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid. 9
9:9
Recht. 19:1-30
Hos. 8:13
10:9
Ze zijn diep gezonken, zoals destijds in Gibea. Nu zal de HEER hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen.

Gods oordeel over Israëls ontrouw

10

9:10
Num. 25:1-5
Deut. 32:10
Als druiven in de woestijn, zo vond ik Israël,

jullie voorouders keurde ik als vroege vijgen,

eerstelingen van de vijgenboom.

Maar zij – zodra ze in Baäl-Peor waren

wijdden ze zich aan de god van de schande.

Ze werden even weerzinwekkend als het voorwerp van hun liefde.

11Efraïms luister vervliegt, verdwijnt als een vogel:

er wordt geen kind meer geboren,

er is geen zwangerschap meer, geen bevruchting.

12

9:12
Deut. 32:25
Ook al brengen zij hun kinderen groot,

kinderloos maak ik hen, niemand blijft over.

Groot onheil is hun deel wanneer ik van hen wijk.

13Efraïm, in mijn ogen ooit een jonge palm, geplant in een oase,

Efraïm moet nu zijn kinderen aan moordenaars toevertrouwen.

14– Ach HEER, geef hun toch ... ja, wat te geven? ...

geef hun een onvruchtbare schoot en verdroogde borsten. –

15

9:15
Hos. 1:6
4:15
In Gilgal bleek mij hun slechtheid, van toen af ging ik hen haten.

Om hun wangedrag verjaag ik hen uit mijn huis.

Ik geef hun mijn liefde niet meer: al hun leiders zijn verleiders.

16Geveld is Efraïm: zijn wortels verdroogd, een boom zonder vrucht.

Ook al brengen zij kinderen voort,

het kostbaarste uit hun schoot, ik breng het om.

17

9:17
Deut. 28:64-65
– Mijn God zal hen verwerpen

want zij hebben niet naar hem geluisterd.

Zij zullen dolen onder vreemde volken. –

10

101Israël was een weelderige wijnstok,

die volop vruchten voortbracht.

Maar hoe meer vrucht de wijnstok droeg,

hoe meer er op de altaren kwam;

en hoe rijker het land,

hoe rijker versierd de gewijde stenen.

2Zo bedrieglijk is dat volk! Nu zal het ervoor boeten:

de HEER breekt hun altaren af,

hun gewijde stenen verbrijzelt hij.

3Dan zullen ze zeggen: ‘Wij missen een koning!’

Maar wat zou een koning nog voor ons kunnen doen:

wij hadden toch nooit ontzag voor de HEER?

4

10:4
Amos 6:12
Koningen, ze spreken holle woorden,

zweren valse eden, sluiten slechte verdragen.

De rechtspraak woekert als onkruid,

als een gifplant in de voren van een akker.

5

10:5
Hos. 8:5
Het volk van Samaria verkeert in zorg,

is in de rouw om dat stierkalf in Betel,

en zijn priesters schreeuwen het uit

omdat zijn glorie vervliegt:

6het kalf wordt naar Assyrië gesleept

als geschenk voor koning Kemphaan.

Wat een schande is dat voor Efraïm,

wat een misrekening van Israël!

7Nu al wordt afgerekend met Samaria en zijn koning;

ze zijn als wrakhout op de golven.

8

10:8
2 Kon. 23:15
Jes. 2:10
Hos. 4:13
Luc. 23:30
Op. 6:16
De offerhoogten worden verwoest,

die plaatsen van verderf, tekens van Israëls zonde;

dorens en distels zullen hun altaren overwoekeren.

Dan roepen ze de bergen toe: ‘Bedek ons!’

en de heuvels: ‘Val op ons neer!’

9

10:9
Recht. 19:1-30
Hos. 9:9
Al in Gibea gaf jij je over aan zonden, Israël,

en sindsdien heb je daarin volhard.

Zou je dan nu in Gibea worden ontzien,

gespaard waar misdadigers worden gestraft?

10Ik heb besloten hen te straffen:

vreemde volken zullen tegen hen samenspannen

om hen vast te binden en hun bronnen leeg te drinken.

11

10:11
Jer. 2:20
5:5
Hos. 4:16
Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste.

Toen ik haar fraaie hals zag, dacht ik:

Ik ga Efraïm inspannen, ik laat Juda ploegen, Jakob eggen.

12

10:12
Jer. 4:3
Zaai rechtvaardig! Oogst met liefde! Ontgin nieuw land!

Het is tijd om de HEER te smeken,

dat hij nadert met de regen van zijn goedheid.

13

10:13
Jes. 31:1
Maar jullie ploegden wetteloosheid

en oogstten onrechtvaardigheid;

jullie moesten de vrucht van leugens eten

omdat jullie op je eigen inspanning vertrouwden,

op de kracht van je vele soldaten.

14

10:14
Hos. 14:1
Daarom zal het krijgsgeweld tegen jullie losbreken,

al je vestingen zullen worden verwoest

zoals destijds Bet-Arbel werd verwoest door Salman:

moeders werden doodgeslagen, samen met hun kinderen.

15Dat heeft Betel jullie aangedaan

om jullie eigen diepe verdorvenheid.

Bij het aanbreken van de morgen

komt Israëls koning voorgoed ten val.

11

111

11:1-2
Jer. 2:1-9
11:1
Ex. 4:22
Mat. 2:15
Toen Israël nog een kind was, had ik het lief;

uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen.

2Hoe harder ze geroepen werden,

hoe meer ze hun eigen weg gingen.

Ze brachten offers aan de Baäls

en brandden wierook voor godenbeelden –

3terwijl ik het toch was die Efraïm leerde lopen

en hem op mijn arm nam.

Maar zij beseften niet dat ík hen verzorgde.

4

11:4
Deut. 8:16
Zacht leidde ik hen bij de teugels,

aan koorden van liefde trok ik hen mee;

ik verloste hen van het juk om hen te laten eten,

ik hield hun het voer zelfs nog voor.

5Zouden zij niet naar Egypte terugkeren,

zou Assyrië niet over hen heersen,

nu zij weigeren naar mij terug te keren?

6Het zwaard zal huishouden in hun steden

en hun orakelpriesters neerhouwen

om alles wat ze hebben uitgebroed.

7Mijn volk bijt zich vast in zijn ontrouw jegens mij.

Al roepen ze tot mij, de Allerhoogste,

ik zal hun lot niet verlichten.

8

11:8
Deut. 29:22
Jes. 54:8
Jer. 31:20
Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven?

Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël?

Zou ik je prijsgeven als Adma,

je laten ondergaan als Seboïm?

Mijn hart wordt verscheurd,

door barmhartigheid word ik bewogen.

9

11:9
Num. 23:19
Ik zal mijn toorn laten varen

en Efraïm niet opnieuw te gronde richten.

Want God ben ik, en geen mens,

ik ben in jullie midden, ik ben heilig,

ik zal niet meer in woede ontsteken.

10

11:10
Jer. 25:30
De HEER zal brullen als een leeuw en zij zullen hem weer volgen.

Wanneer hij brult, keren ze schuchter terug van overzee,

11als bange vogeltjes komen ze uit Egypte,

als duiven uit Assyrië.

Dan laat ik hen weer wonen in hun eigen huis

– zo spreekt de HEER.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]