Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
27

271De HEER richtte zich tot mij: 2‘Zing, mensenkind, een klaaglied over Tyrus. 3Zeg tegen Tyrus, de stad die met haar havens de toegang tot de zee beheerst, de stad die handeldrijft met verre volken en landen overzee: “Dit zegt God, de HEER:

Jij, Tyrus, noemde je schoonheid volmaakt.

4Je land lag in het hart van de zee,

in volmaakte schoonheid was je gebouwd.

5Van Senircipressen waren je boorden,

een Libanonceder was je mast.

6Van eiken uit Basan waren je riemen,

je dek was van ivoor, ingelegd in dennenhout

van de eilanden waar de Kittiërs wonen.

7Van bont Egyptisch linnen waren de zeilen

waaraan je van verre te herkennen was,

het blauwpurper en roodpurper van Alasia’s kusten

werd de stof van je dekkleden.

8De vorsten van Sidon en Arwad waren je roeiers,

jouw wijzen, Tyrus, hielden het roer,

9de oudsten en wijzen van Gebal voeren als timmerlui mee.

Alle schepen van de zee kwamen langszij,

hun zeelui dreven handel met je.

10

27:10
Jer. 46:9
Soldaten uit Perzië, Lydië en Libië vochten voor je,

hun schilden en helmen hingen ze aan je muren –

zo zetten ze je luister bij.

11Arwadieten en Chelechieten bewaakten je muren,

Gammadieten hielden op je torens de wacht,

hun pijlkokers hingen ze overal aan je muren –

zo werd je schoonheid volmaakt.

12Tarsis handelde met je vanwege je vele rijkdommen; het betaalde je goederen met zilver en ijzer, met tin en lood. 13De kooplieden van Griekenland, Tubal en Mesech gaven je voor je handelswaar slaven en bronzen voorwerpen. 14Bet-Togarma leverde werkpaarden, rijpaarden en muildieren voor je goederen. 15Ook met de kooplieden uit Rhodos27:15 Rhodos – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Dedan’. en vele andere eilanden dreef je handel; ze betaalden je met ivoor en ebbenhout. 16Edom27:16 Edom – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Aram’. dreef handel met je voor allerlei producten; het betaalde je goederen met granaatstenen, met roodpurperen en bonte wol, met fijn linnen, koraal en robijnen. 17De kooplieden van Juda en Israël gaven voor je handelswaar rijst, fijn meel, honing, olijfolie en balsem. 18-19Damascus handelde met je vanwege je vele rijkdommen, het kocht allerlei producten; het betaalde je goederen – bewerkt ijzer, kaneel, kalmoes en andere handelswaar – met wijn uit Chelbon en wol uit Sachar en met kruiken wijn uit Izalla.27:18-19 en met kruiken wijn uit Izalla – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘en Dan en Jawan uit Uzzal’. 20Van de kooplieden uit Dedan betrok je je zadelkleden; 21de Arabieren en de vorsten van Kedar handelden met je in lammeren, rammen en bokken. 22De kooplieden van Seba en Rama leverden je de beste soort balsem voor je goederen, en allerlei edelstenen en goud. 23-24Ook de kooplieden van Charan, Kanne en Eden, en die van Seba, Assur en Kilmad handelden met je en verkochten je schitterende gewaden en mantels van blauwpurperen en bonte wol, kleden van tweekleurig weefsel en stevig gevlochten touwen. 25Met schepen uit Tarsis werd je handelswaar vervoerd.

Zo lag je volgeladen en zwaar

in het hart van de zeeën.

26Je roeiers brachten je in diepe wateren,

en daar, in het hart van de zeeën,

werd je door de oostenwind gebroken.

27Al je bezit en al je goederen,

je handelswaar en je matrozen,

je stuurlui en je scheepstimmerlieden,

allen die handel met je dreven,

je soldaten en al je inwoners –

alles zal met je ten onder gaan,

in het hart van de zeeën,

op de dag dat jij vergaat.

28De golven raken in beroering door de kreten van je stuurlui,

29de roeiers verlaten hun schepen,

matrozen, stuurlui, allen gaan aan land.

30

27:30-36
Op. 18:11-19
Ze verheffen hun stem en beklagen je bitter.

Ze zullen stof over hun hoofd werpen

en zich wentelen in het vuil,

31ze zullen zich kaalscheren om jou,

zich met een rouwkleed omgorden

en bitter over je wenen, in een bittere rouwklacht.

32Dan zingen en klagen ze over je:

‘Wie was aan Tyrus, daar midden in zee, gelijk?’

33Met de aanvoer van goederen over de zeeën

heb je vele volken welvarend gemaakt;

met al je schatten en handelswaar

heb je de koningen van de aarde rijkdom gebracht.

34Nu ben je door de zeeën gebroken,

door de waterdiepten verzwolgen.

Je handelswaar en je bewoners zijn met je vergaan.

35Verbijsterd zijn de kustbewoners,

hun koningen rijzen de haren te berge,

hun gezicht is van angst verwrongen.

36De handeldrijvende volken sissen van afschuw!

Een schrikbeeld ben je geworden, voor altijd vergaan.”’

28

281De HEER richtte zich tot mij: 2

28:2
Jes. 14:13
‘Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: “Dit zegt God, de HEER: Je bent hoogmoedig geworden, je hebt gezegd: ‘Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in zee.’ Je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent, en geen god. 3Je denkt wijzer te zijn dan Daniël, geen mysterie blijft voor je verborgen! 4Door je wijsheid en inzicht ben je welvarend geworden en heb je je schatkamers met goud en zilver gevuld. 5Door je grote wijsheid en je handelsgeest heb je je rijkdom nog vergroot, maar die rijkdom heeft je ook hoogmoedig gemaakt.

6Daarom, zegt God, de HEER, omdat je jezelf een god gelijk acht, 7zal ik vreemde volken op je afsturen, de wreedste van alle, die met hun zwaarden al je schitterende wijsheid zullen vernietigen en je van je luister zullen beroven. 8Ze zullen je het graf in drijven, je zult een gewelddadige dood sterven, in het hart van de zee. 9

28:9
Jes. 31:3
Zul je blijven zeggen: ‘Ik ben een god!’ als je oog in oog staat met je moordenaars? Wanneer je in de macht bent van hen die je zullen doden, zal blijken dat je een mens bent, en geen god. 10Je zult de dood van een onbesnedene sterven, door de hand van vreemdelingen. Ik heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.”’

11De HEER richtte zich tot mij: 12‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: “Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. 13Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. 14Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God,28:14 berg van God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘godenberg’. waar je wandelde tussen vurige stenen. 15Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. 16Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God28:16 berg van God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘godenberg’. en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. 17Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. 18Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. 19Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”’

Profetie tegen Sidon

20De HEER richtte zich tot mij: 21

28:21
Joël 4:4-8
Zach. 9:2
‘Mensenkind, richt je blik op Sidon en profeteer tegen de stad. 22Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Sidon! Zo zal ik mijn grootheid tonen. Ze zullen weten dat ik de HEER ben als ik Sidon straf, ik zal laten zien dat ik heilig ben. 23Ik zal de pest op de stad afsturen, het bloed zal door de straten stromen. De stad zal vol zijn met doden en gewonden, het zwaard komt van alle kanten; ze zullen weten dat ik de HEER ben. 24Maar het volk van Israël zal niet meer worden gepijnigd en geteisterd door dorens en distels, door de omringende volken die nu op hen neerkijken. En ze zullen beseffen dat ik God, de HEER, ben.

25

28:25
Ezech. 37:25
Dit zegt God, de HEER: Ik zal het volk van Israël bijeenbrengen vanuit de landen waarheen het is verstrooid – zo zal ik alle volken laten zien dat ik heilig ben. De Israëlieten zullen weer wonen in hun eigen land, het land dat ik aan mijn dienaar Jakob heb gegeven. 26Wanneer ik de omringende volken die nu op hen neerkijken heb gestraft, zullen de Israëlieten daar veilig wonen. Ze zullen er in veiligheid huizen bouwen en wijngaarden planten, en ze zullen beseffen dat ik, de HEER, hun God ben.”’

29

Profetie tegen Egypte

291

29:1-21
Jes. 19:1-25
Jer. 46:1-26
Op de twaalfde dag van de tiende maand in het tiende jaar richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte. 3
29:3
Job 40:25-41:26
Zeg: “Dit zegt God, de HEER:

Farao, ik keer me tegen je,

jij, koning van Egypte,

jij, grote krokodil die daar ligt

in de waterstromen van de Nijl,

jij die zegt: ‘De Nijl is van mij,

ik heb hem voor mijzelf gemaakt.’

4

29:4
Ezech. 38:4
Ik zal haken door je kaak slaan

en de vissen van de Nijl aan je schubben laten kleven.

Ik haal je omhoog uit je waterstromen,

en alle vissen van de Nijl zullen aan je schubben kleven.

5Dan zal ik je neersmijten in de woestijn,

met alle vissen uit je waterstromen

val je in het zand,

onaangeroerd en onbegraven.

Ik geef je als voedsel

aan de dieren van het land

en aan de vogels van de hemel.

6

29:6
2 Kon. 18:21
Jes. 36:6
Alle inwoners van Egypte zullen weten

dat ik de HEER ben.

Want voor het volk van Israël

was jij, Egypte, als een rieten stok.

7Als zij je met hun hand vastgrepen, knakte je

en sneed je hun hele schouder open.

Als zij op je leunden, brak je

en raakten hun lendenen verlamd.

8Daarom, zegt God, de HEER: Ik stuur een zwaard op je af dat mens en dier zal uitroeien. 9Egypte zal een woestenij vol puin worden. Ze zullen weten dat ik de HEER ben, omdat hun koning heeft gezegd: ‘Van mij is de Nijl, ik heb hem gemaakt.’ 10Daarom keer ik me tegen jou en je waterstromen, en maak ik van Egypte een land van ruïnes, een dorre woestenij, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Nubië. 11Geen mens of dier zal er nog een voet zetten, en het land zal veertig jaar onbewoond blijven. 12Ik zal van Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en ook de steden zullen er verlaten bij liggen, te midden van een woestenij van steden, veertig jaar lang. En ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken.

13Maar ook zegt God, de HEER: Als die veertig jaar voorbij zijn, zal ik de Egyptenaren weer samenbrengen vanuit de landen waarheen ze verdreven zijn. 14Ik zal hun lot ten goede keren en hen terugbrengen naar Patros, het land van hun oorsprong. Daar zullen ze een onbeduidend koninkrijk vormen. 15Het zal het minste van alle koninkrijken zijn en zich nooit meer boven de andere volken verheffen; ik zal een klein volk van hen maken dat niet meer over andere volken heersen zal. 16Het volk van Israël zal niet langer vertrouwen in hen stellen, het zal niet opnieuw schuld op zich laden door zich op hen te verlaten – en ze zullen weten dat ik God, de HEER, ben.”’

17Op de eerste dag van de eerste maand in het zevenentwintigste jaar richtte de HEER zich tot mij: 18‘Mensenkind, Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft zijn leger afgebeuld in de strijd tegen Tyrus. De hoofden van zijn mannen zijn kaalgeschuurd en hun schouders zijn ontveld. Maar al die strijd tegen Tyrus heeft hem en zijn leger niets goeds gebracht.

19

29:19
Ezech. 30:10,24
32:11
Daarom – zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar Egypte geven. Hij zal de bevolking wegvoeren, hij zal buit behalen en het land plunderen; zo zal zijn leger worden beloond. 20
29:20
Jer. 43:10
44:30
Als loon voor zijn moeite zal ik hem Egypte geven, als beloning voor wat hij en zijn leger voor mij gedaan hebben – zo spreekt God, de HEER. 21Op die dag zal ik Israël nieuwe kracht geven, en jij zult weer met de Israëlieten kunnen spreken. Dan zullen zij beseffen dat ik de HEER ben.’