Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
26

Profetie tegen Tyrus

261

26:1-21
Jes. 23:1-18
Joël 4:4-8
Amos 1:9-10
Zach. 9:3-4
In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand, richtte de HEER zich tot mij: 2
26:2
Ezech. 25:3
‘Mensenkind, Tyrus heeft zich vrolijk gemaakt over Jeruzalem, zij heeft uitgeroepen: “De Poort der volken is verwoest en is mij toegevallen. Nu de stad in puin ligt, zal ik mij vullen met haar schatten!” 3Daarom zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Tyrus, ik zal een vloed van volken op je afsturen, ze zullen op je aanstormen als de golven van de zee! 4De muren van Tyrus zullen ze verwoesten en haar torens neerhalen. Ik zal zelfs het stof uit Tyrus wegvegen, ik zal van haar een kale rots maken, 5een plaats waar je netten te drogen hangt, midden in zee. Ik heb gesproken – spreekt God, de HEER. Tyrus wordt een prooi voor andere volken, 6en haar dochtersteden op het land zullen door het zwaard worden geveld. Ze zullen weten dat ik de HEER ben.

7

26:7
Ezech. 29:17-21
Want dit zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, de koning der koningen, naar jou, Tyrus, laten optrekken. Hij komt vanuit het noorden, met paarden, wagens en ruiters, met een groot en machtig leger. 8
26:8
Ezech. 4:1-3
Hij zal je dochters op het vasteland vellen met zijn zwaard en tegen jou zal hij een belegeringswal en een bestormingsdam opwerpen, terwijl zijn soldaten door schilden worden beschermd. 9Met zijn stormram zal hij op je muren beuken, je torens zal hij met houwelen neerhalen. 10Met zo veel paarden komt hij op je af dat stofwolken je zullen bedekken; als hij je poorten binnenkomt zullen je muren beven door het geraas van de ruiters, de wielen en de wagens, alsof de stad wordt opengereten. 11De hoeven van zijn paarden zullen je straten kapot trappen, hij zal je bevolking doden met zijn zwaard, je machtige zuilen zullen tegen de grond gaan. 12Je rijkdommen worden geroofd, je handelswaren geplunderd, je muren neergehaald en je kostbare huizen afgebroken. Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee. 13
26:13
Jes. 24:8-9
Jer. 25:10
Op. 18:22
Je gezang zal ik doen verstommen, niemand zal de klank van je lieren nog horen. 14Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten, je zult nooit meer worden herbouwd. Ik, de HEER, heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.

15Ook dit zegt God, de HEER, tegen Tyrus: De kusten en de eilanden zullen beven bij het geluid van je val, bij het gekerm van de gewonden, als er binnen je muren een slachting wordt aangericht. 16

26:16-17
Op. 18:9-10
26:16
Jona 3:6
Alle vorsten van de zee zullen van hun troon afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurige gewaden uittrekken, gehuld in het kleed van de angst zullen ze op de grond gaan zitten, onophoudelijk bevend, verbijsterd over je val. 17Ze zullen dit klaaglied over je zingen:

“Ach, hoe ben je te gronde gegaan!

Jij, eens vanuit de zeeën bevolkt,

roemrijke stad, burcht in de zee,

jij en je bewoners zaaiden overal angst.

18Nu beven de kusten, op de dag van je val,

ontzet zijn de eilanden in de zee

over je ondergang.”

19Dit zegt God, de HEER: Wanneer ik jou tot een stad van ruïnes maak, een stad zonder bewoners, wanneer ik de oervloed op je af laat komen en de machtige wateren je overspoelen, 20

26:20
Ezech. 32:18-32
dan zal ik je doen afdalen naar hen die je zijn voorgegaan, naar het volk van weleer. Daar zul je wonen, in het land van de diepten, bij hen die zijn afgedaald in de afgrond, in de eeuwige ruïnes. Je zult niet langer in het land van de levenden wonen, daar zul je geen plek meer hebben. 21
26:21
Op. 18:21
Ik zal je tot een schrikbeeld maken, je zult er niet meer zijn. Je wordt gezocht, maar nooit meer word je gevonden – zo spreekt God, de HEER.’

27

271De HEER richtte zich tot mij: 2‘Zing, mensenkind, een klaaglied over Tyrus. 3Zeg tegen Tyrus, de stad die met haar havens de toegang tot de zee beheerst, de stad die handeldrijft met verre volken en landen overzee: “Dit zegt God, de HEER:

Jij, Tyrus, noemde je schoonheid volmaakt.

4Je land lag in het hart van de zee,

in volmaakte schoonheid was je gebouwd.

5Van Senircipressen waren je boorden,

een Libanonceder was je mast.

6Van eiken uit Basan waren je riemen,

je dek was van ivoor, ingelegd in dennenhout

van de eilanden waar de Kittiërs wonen.

7Van bont Egyptisch linnen waren de zeilen

waaraan je van verre te herkennen was,

het blauwpurper en roodpurper van Alasia’s kusten

werd de stof van je dekkleden.

8De vorsten van Sidon en Arwad waren je roeiers,

jouw wijzen, Tyrus, hielden het roer,

9de oudsten en wijzen van Gebal voeren als timmerlui mee.

Alle schepen van de zee kwamen langszij,

hun zeelui dreven handel met je.

10

27:10
Jer. 46:9
Soldaten uit Perzië, Lydië en Libië vochten voor je,

hun schilden en helmen hingen ze aan je muren –

zo zetten ze je luister bij.

11Arwadieten en Chelechieten bewaakten je muren,

Gammadieten hielden op je torens de wacht,

hun pijlkokers hingen ze overal aan je muren –

zo werd je schoonheid volmaakt.

12Tarsis handelde met je vanwege je vele rijkdommen; het betaalde je goederen met zilver en ijzer, met tin en lood. 13De kooplieden van Griekenland, Tubal en Mesech gaven je voor je handelswaar slaven en bronzen voorwerpen. 14Bet-Togarma leverde werkpaarden, rijpaarden en muildieren voor je goederen. 15Ook met de kooplieden uit Rhodos27:15 Rhodos – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Dedan’. en vele andere eilanden dreef je handel; ze betaalden je met ivoor en ebbenhout. 16Edom27:16 Edom – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Aram’. dreef handel met je voor allerlei producten; het betaalde je goederen met granaatstenen, met roodpurperen en bonte wol, met fijn linnen, koraal en robijnen. 17De kooplieden van Juda en Israël gaven voor je handelswaar rijst, fijn meel, honing, olijfolie en balsem. 18-19Damascus handelde met je vanwege je vele rijkdommen, het kocht allerlei producten; het betaalde je goederen – bewerkt ijzer, kaneel, kalmoes en andere handelswaar – met wijn uit Chelbon en wol uit Sachar en met kruiken wijn uit Izalla.27:18-19 en met kruiken wijn uit Izalla – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘en Dan en Jawan uit Uzzal’. 20Van de kooplieden uit Dedan betrok je je zadelkleden; 21de Arabieren en de vorsten van Kedar handelden met je in lammeren, rammen en bokken. 22De kooplieden van Seba en Rama leverden je de beste soort balsem voor je goederen, en allerlei edelstenen en goud. 23-24Ook de kooplieden van Charan, Kanne en Eden, en die van Seba, Assur en Kilmad handelden met je en verkochten je schitterende gewaden en mantels van blauwpurperen en bonte wol, kleden van tweekleurig weefsel en stevig gevlochten touwen. 25Met schepen uit Tarsis werd je handelswaar vervoerd.

Zo lag je volgeladen en zwaar

in het hart van de zeeën.

26Je roeiers brachten je in diepe wateren,

en daar, in het hart van de zeeën,

werd je door de oostenwind gebroken.

27Al je bezit en al je goederen,

je handelswaar en je matrozen,

je stuurlui en je scheepstimmerlieden,

allen die handel met je dreven,

je soldaten en al je inwoners –

alles zal met je ten onder gaan,

in het hart van de zeeën,

op de dag dat jij vergaat.

28De golven raken in beroering door de kreten van je stuurlui,

29de roeiers verlaten hun schepen,

matrozen, stuurlui, allen gaan aan land.

30

27:30-36
Op. 18:11-19
Ze verheffen hun stem en beklagen je bitter.

Ze zullen stof over hun hoofd werpen

en zich wentelen in het vuil,

31ze zullen zich kaalscheren om jou,

zich met een rouwkleed omgorden

en bitter over je wenen, in een bittere rouwklacht.

32Dan zingen en klagen ze over je:

‘Wie was aan Tyrus, daar midden in zee, gelijk?’

33Met de aanvoer van goederen over de zeeën

heb je vele volken welvarend gemaakt;

met al je schatten en handelswaar

heb je de koningen van de aarde rijkdom gebracht.

34Nu ben je door de zeeën gebroken,

door de waterdiepten verzwolgen.

Je handelswaar en je bewoners zijn met je vergaan.

35Verbijsterd zijn de kustbewoners,

hun koningen rijzen de haren te berge,

hun gezicht is van angst verwrongen.

36De handeldrijvende volken sissen van afschuw!

Een schrikbeeld ben je geworden, voor altijd vergaan.”’

28

281De HEER richtte zich tot mij: 2

28:2
Jes. 14:13
‘Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: “Dit zegt God, de HEER: Je bent hoogmoedig geworden, je hebt gezegd: ‘Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in zee.’ Je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent, en geen god. 3Je denkt wijzer te zijn dan Daniël, geen mysterie blijft voor je verborgen! 4Door je wijsheid en inzicht ben je welvarend geworden en heb je je schatkamers met goud en zilver gevuld. 5Door je grote wijsheid en je handelsgeest heb je je rijkdom nog vergroot, maar die rijkdom heeft je ook hoogmoedig gemaakt.

6Daarom, zegt God, de HEER, omdat je jezelf een god gelijk acht, 7zal ik vreemde volken op je afsturen, de wreedste van alle, die met hun zwaarden al je schitterende wijsheid zullen vernietigen en je van je luister zullen beroven. 8Ze zullen je het graf in drijven, je zult een gewelddadige dood sterven, in het hart van de zee. 9

28:9
Jes. 31:3
Zul je blijven zeggen: ‘Ik ben een god!’ als je oog in oog staat met je moordenaars? Wanneer je in de macht bent van hen die je zullen doden, zal blijken dat je een mens bent, en geen god. 10Je zult de dood van een onbesnedene sterven, door de hand van vreemdelingen. Ik heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.”’

11De HEER richtte zich tot mij: 12‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: “Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. 13Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. 14Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God,28:14 berg van God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘godenberg’. waar je wandelde tussen vurige stenen. 15Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. 16Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God28:16 berg van God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘godenberg’. en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. 17Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. 18Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. 19Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”’

Profetie tegen Sidon

20De HEER richtte zich tot mij: 21

28:21
Joël 4:4-8
Zach. 9:2
‘Mensenkind, richt je blik op Sidon en profeteer tegen de stad. 22Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Sidon! Zo zal ik mijn grootheid tonen. Ze zullen weten dat ik de HEER ben als ik Sidon straf, ik zal laten zien dat ik heilig ben. 23Ik zal de pest op de stad afsturen, het bloed zal door de straten stromen. De stad zal vol zijn met doden en gewonden, het zwaard komt van alle kanten; ze zullen weten dat ik de HEER ben. 24Maar het volk van Israël zal niet meer worden gepijnigd en geteisterd door dorens en distels, door de omringende volken die nu op hen neerkijken. En ze zullen beseffen dat ik God, de HEER, ben.

25

28:25
Ezech. 37:25
Dit zegt God, de HEER: Ik zal het volk van Israël bijeenbrengen vanuit de landen waarheen het is verstrooid – zo zal ik alle volken laten zien dat ik heilig ben. De Israëlieten zullen weer wonen in hun eigen land, het land dat ik aan mijn dienaar Jakob heb gegeven. 26Wanneer ik de omringende volken die nu op hen neerkijken heb gestraft, zullen de Israëlieten daar veilig wonen. Ze zullen er in veiligheid huizen bouwen en wijngaarden planten, en ze zullen beseffen dat ik, de HEER, hun God ben.”’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]