Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 14:23-29
15:1-7
2 Kron. 26:1-23
Jes. 5:25
Amos 3:15
8:8
9:5
Zach. 14:5
Hier volgen de woorden en visioenen van Amos, een schapenfokker uit Tekoa. Hij profeteerde over Israël toen Uzzia in Juda regeerde en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël, twee jaar voor de aardbeving. 2
1:2
Jes. 33:9
Jer. 25:30
Hos. 11:10
Joël 4:16
Nah. 1:4
Dit is wat hij zei.

De HEER brult vanaf de Sion, hij gromt vanuit Jeruzalem,

de weiden van de herders verdrogen, de top van de Karmel verdort.

Het vonnis van de HEER

3

1:3-5
Jes. 17:1-3
Jer. 49:23-27
Zach. 9:1
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Damascus begaan: ze hebben een spoor van verwoesting getrokken door Gilead. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 4
1:4
2 Kon. 8:12
13:3-7
Ik zal het paleis van Hazaël in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Benhadad verteren. 5
1:5
2 Kon. 16:9
Amos 9:7
Ik zal de poorten van Damascus openbeuken, de koning van Bikat-Awen zal ik ombrengen, en ook de heerser van Bet-Eden breng ik om. Het volk van Aram gaat in ballingschap naar Kir – zegt de HEER.

6

1:6-10
Joël 4:4-8
1:6-8
2 Kron. 21:16-17
26:6
Jes. 14:29-31
Jer. 47:1-7
Ezech. 25:15-17
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan: ze hebben een heel volk in ballingschap gedreven en uitgeleverd aan Edom. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 7Ik zal de muren van Gaza in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. 8De koning van Asdod zal ik ombrengen, en ook de heerser van Askelon breng ik om. Ik zal mij tegen Ekron keren, tot de laatste man zullen de Filistijnen te gronde gaan – zegt God, de HEER.

9

1:9-10
Jes. 23:1-18
Ezech. 26:1-28:19
Zach. 9:3-4
1:9
1 Kon. 5:26
9:11-14
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Tyrus begaan: ze hebben een heel volk als ballingen uitgeleverd aan Edom en zich niet gehouden aan het verdrag met hun broeders. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 10Ik zal de muren van Tyrus in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren.

11

1:11-12
Jes. 34:5-17
63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 25:12-14
35:1-15
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
1:11
Gen. 25:22-26
Num. 20:14-21
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Edom begaan: ze hebben hun broeders met het zwaard achtervolgd, zonder enig medelijden. Hun woede was onverzadigbaar, ontembaar hun razernij. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 12Ik zal Teman in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Bosra verteren.

13

1:13-15
Jer. 49:1-6
Ezech. 21:33-37
25:1-7
Sef. 2:8-11
1:13
2 Kon. 8:12
15:16
Hos. 14:1
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Ammon begaan: ze hebben, toen ze hun gebied wilden vergroten, de zwangere vrouwen van Gilead de buik opengereten. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 14
1:14
Jes. 28:2
Ik zal de muren van Rabba in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. Op die dag van strijd klinkt er krijgsgeschreeuw en zal het stormen als in een orkaan. 15Hun koning gaat in ballingschap, en de leiders van zijn rijk met hem – zegt de HEER.

2

21

2:1-3
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Jer. 48:1-47
Ezech. 25:8-11
Sef. 2:8-11
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 2Ik zal Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. 3Hun vorst breng ik om, en met hem zal ik alle andere leiders van dat rijk doden – zegt de HEER.

4Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Juda begaan: ze hebben de wetten van de HEER verworpen en zich niet gehouden aan zijn geboden; de valse goden waar hun voorouders al achteraan liepen, hebben ook hen doen dwalen. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 5

2:5
Hos. 8:14
Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.

6

2:6
Amos 8:6
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. 7
2:7
Deut. 27:20
Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn heilige naam te schande. 8
2:8
Deut. 24:12-13
Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen.

9

2:9
Deut. 3:8-11
Job 18:16
Hos. 9:16
En toch heb ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide ik ze uit. 10
2:10
Deut. 2:7
Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11
2:11
Num. 6:1-7
Deut. 18:18
Sommigen van jullie maakte ik profeet, anderen nazireeër – zo is het toch, Israëlieten? – spreekt de HEER. 12
2:12
Jes. 30:10
Jer. 11:21
Amos 7:12-13
Maar jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken, en tegen de profeten hebben jullie gezegd: ‘Jullie mogen niet profeteren.’

13

2:13-16
Amos 9:1
Daarom zal ik de grond onder jullie voeten doen kraken,

zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen.

14

2:14-16
Jer. 46:5-6
De snelste man vlucht dan tevergeefs,

de sterke heeft niets aan zijn kracht,

de krijgsheld redt zijn leven niet,

15geen boogschutter houdt stand,

geen hardloper ontkomt,

geen ruiter brengt het er levend af,

16zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag

– spreekt de HEER.