Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Een boodschap over de toekomst

81-2Maar nu zegt de machtige Heer: ‘Ik houd veel van Jeruzalem, heel veel! Daarom straf ik de vijanden van mijn volk. 3Ik kom terug naar de berg Sion, en ik ga weer in Jeruzalem wonen. Jeruzalem krijgt een nieuwe naam: Stad van Trouw. En de Sion, de berg van de machtige Heer, heet nu Heilige Berg.

4Op de pleinen van Jeruzalem zullen weer oude mensen zitten, mannen en vrouwen. Ze zijn zo oud dat ze een stok nodig hebben om te lopen. 5De pleinen zullen vol zijn met kinderen, met spelende jongens en meisjes.

6Jullie zijn nog maar met weinig mensen. Daarom denken jullie nu dat zo’n wonder niet mogelijk is. Maar ik ben de machtige Heer, voor mij is alles mogelijk!

7-8Ik zal mijn volk bevrijden. Ik haal de Israëlieten terug uit de hele wereld en ik laat hen weer in Jeruzalem wonen. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Ik zal trouw en goed voor hen zijn.’

Het volk zal weer gelukkig worden

9Dit zegt de machtige Heer: ‘De profeten hebben gesproken toen het werk aan mijn tempel begon. Nu horen jullie opnieuw wat zij toen gezegd hebben. En daarom moeten jullie het werk volhouden!

10Eerst werkte iedereen zonder dat het iets opleverde. Het was nergens veilig, want ik zorgde ervoor dat de mensen vijanden van elkaar waren.

11Maar nu zal ik zorgen dat jullie het beter krijgen. 12Wie zaait, krijgt een goede oogst. Er zullen druiven groeien in de wijngaard, er zal koren groeien op het land. En er zal regen vallen als het nodig is. Daar zal ik voor zorgen. Want jullie zijn mijn volk.

13Jullie werden door de andere volken ongelukkig genoemd. Jullie, het volk van Juda en van Israël! Maar nu zal ik jullie helpen. Ik zal zorgen dat die andere volken jullie gelukkig gaan noemen! Verlies de moed niet, houd vol.’

Het volk moet leven zoals de Heer wil

14Dit zegt de machtige Heer: ‘Jullie voorouders maakten mij boos. Daarom besloot ik om ze kwaad te doen, en dat heb ik gedaan. 15Maar nu is het anders. Nu heb ik besloten om te zorgen dat het goed gaat met Jeruzalem en Juda. Jullie moeten dus niet de moed verliezen.

16Dit is hoe jullie moeten leven: Wees eerlijk tegen elkaar en spreek eerlijk recht, zodat er vrede tussen jullie is. 17Maak geen plannen om een ander kwaad te doen. En lieg niet als je voor de rechter staat. Want dat vind ik vreselijk.’ Dat zegt de machtige Heer.

Het volk hoeft niet meer te vasten

18-19De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘De mensen in Juda vasten op sommige dagen in de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand. Vanaf nu zullen dat feestdagen worden, dagen waarop iedereen vrolijk en blij is. Maar de mensen moeten wel eerlijk tegen elkaar zijn en in vrede met elkaar leven.’

Alle volken zullen de Heer vereren

20De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘Er zullen weer mensen uit andere steden en landen naar Jeruzalem komen. 21Onderweg zullen ze tegen iedereen zeggen: ‘Kom met ons mee! Wij zijn op weg om de Heer te eren, we willen bidden tot de machtige Heer!’

22Grote, machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar te bidden en mij te eren.

23In die tijd zal het gebeuren dat er tien vreemdelingen naar een Joodse man toe komen. Ze spreken verschillende talen, maar ze zullen allemaal zeggen: ‘Wij hebben gehoord dat God bij uw volk is. Daarom willen we met u meegaan.’’

9

De toekomst van Gods volk

De Heer zal heersen over alle volken

91-3Hier volgt een boodschap over de toekomst.

De woorden van de Heer klinken overal! Hij spreekt in het land Chadrach, en ook in de stad Damascus. Hij spreekt in Hamat, het land naast Chadrach, en hij spreekt ook in de steden Tyrus en Sidon. Alle mensen zullen hem vereren, samen met het volk van Israël.

De mensen in Tyrus zijn slim en rijk. Ze hebben sterke muren om hun stad gebouwd, en ze hebben heel veel goud en zilver. 4Maar de Heer zal Tyrus arm maken. Al het goud en zilver verdwijnt in zee, en de stad zelf zal afbranden.

5De Filistijnen zullen schrikken als ze dat horen. De mensen in de stad Askelon worden bang. De mensen in Gaza beven van angst, en de inwoners van Ekron hebben geen hoop meer. De koning van Gaza verdwijnt uit de stad. Uit Askelon vlucht iedereen weg. 6En in Asdod wonen alleen nog maar vreemdelingen.

De Heer zal de trotse Filistijnen straffen. 7Hij zal ervoor zorgen dat ze geen vlees meer kunnen eten waar nog bloed in zit. En ook geen vlees dat geofferd is aan hun goden. Want dat voedsel is onrein.

De Filistijnen die in leven blijven, zullen de God van Israël gaan dienen. Ze zullen bij zijn volk horen, en samen met hen in Juda wonen. Ook de mensen uit Ekron zullen bij Israël horen, net als vroeger de Jebusieten.

8De Heer zal zelf zijn volk beschermen. Er komen geen vreemde legers meer in het land, en het volk wordt niet meer onderdrukt. De Heer zal daar zelf voor zorgen.

Er komt een nieuwe koning

9Dit zegt de Heer: ‘Op de berg Sion moet iedereen juichen! In Jeruzalem moet iedereen vrolijk zijn! Want jullie koning komt eraan. Hij is rechtvaardig, en hij overwint zijn vijanden. Hij is vriendelijk. En hij rijdt op een ezel, op een jonge ezel.

10Dan komt er een einde aan alle oorlog. Alle wapens worden vernietigd. En er zullen geen strijdwagens en geen paarden meer zijn in Israël en Jeruzalem.

Jullie koning zal zorgen dat er vrede komt tussen de volken. Hij zal heersen over de hele aarde: van het oosten tot het westen, van het noorden tot het zuiden.’

De Heer maakt zijn volk weer gelukkig

11Dit zegt de Heer tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie zijn mijn volk, en ik ben jullie God. Ik haal alle mensen terug die nog gevangen zitten in Babylonië. 12Ze krijgen waar ze naar verlangen: ze mogen terugkeren naar Jeruzalem. Daar zullen ze veilig zijn. Ze hebben het heel moeilijk gehad, maar nu zal ik zorgen dat ze weer gelukkig worden.

13Ik zal jullie gebruiken als wapens in het gevecht. De mensen uit Juda en Israël zijn mijn pijl en boog, de mensen uit Jeruzalem zijn mijn zwaard. Met jullie zal ik de Grieken verslaan.’

De Heer zal zijn volk beschermen

14God, de Heer, zal boven zijn volk verschijnen in de lucht. Hij zal de vijand aanvallen. Dan flitst de bliksem, dan klinkt de donder, en dan waait er een storm uit het zuiden. 15Zo zal de machtige Heer zijn volk beschermen.

De Israëlieten zullen de wapens van hun vijanden vernietigen. Ze zullen niets van hun vijanden overlaten. Ze zullen hun bloed drinken tot ze er dronken van zijn. Ze zullen drinken tot ze niet meer kunnen, tot het bloed over hen heen stroomt.

16De Heer, hun God, zal hen redden, zoals een herder zijn schapen redt. Het land zal schitterend zijn als zij er weer wonen. 17Alles is er prachtig, alles is er mooi. Er zal genoeg graan en wijn zijn. Dat maakt de jonge mensen weer sterk.

10

De Heer laat alles groeien

101Je moet de Heer om regen vragen als het lente wordt. Hij maakt de wolken en de wind. Hij alleen geeft regen aan de mensen, hij alleen laat alles groeien op het land.

2Je kunt op afgoden niet vertrouwen. Waarzeggers vertellen leugens, hun voorspellingen komen niet uit. Ze kunnen je niet helpen.

De mensen zijn ongelukkig, want er is niemand die voor hen zorgt. Ze zijn alleen, ze lijken op schapen die geen herder hebben.

De Heer zal zijn volk sterk maken

3De Heer is woedend op de onderdrukkers van zijn volk. Hij zal hen straffen.

De machtige Heer zal voor zijn volk zorgen, zoals een goede herder voor zijn schapen zorgt. Hij zal het volk van Juda weer sterk maken, zodat ze voor hem kunnen vechten. 4Ze zullen sterke leiders krijgen om hen te leiden in de strijd.

5De Heer zal hen helpen, zodat ze hun vijanden kunnen verslaan. Ze zullen hun vijanden vertrappen in de modder. Ze zullen zelfs de ruiters en hun paarden op de vlucht jagen.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

6Dit zegt de Heer: ‘Ik zal het volk van Juda sterk maken en de Israëlieten redden. Ik zal voor hen zorgen en hen naar hun land terugbrengen. Ik had hen weggejaagd, maar het zal weer worden zoals vroeger. Ik ben de Heer, hun God, en ik zal naar hun gebeden luisteren.

7De Israëlieten zullen hun vijanden verslaan. Ze zullen blij zijn en feestvieren. En als hun kinderen dat zien, zullen ze voor mij juichen van blijdschap.

De Heer zal de Israëlieten redden

8Ik zal de Israëlieten redden. Ik zal hen roepen en hen bij elkaar brengen. Ze zullen weer een groot volk worden, net zo groot als vroeger. 9Ze zullen kinderen krijgen in de verre landen waar ze nu zijn. Daar zullen ze aan mij blijven denken. En als hun kinderen groot zijn, zullen ze samen met hen terugkomen naar hun land.

10Ik zal de Israëlieten terughalen uit Egypte en Assyrië. Ik breng hen naar hun eigen land. Ik breng hen ook naar het gebied Gilead en naar de Libanon-bergen. En zelfs dan zal er niet genoeg plaats voor hen zijn.

11De Israëlieten zullen door een gevaarlijke zee trekken, maar ze zullen sterker zijn dan de golven. Ook het diepe water van de Nijl zal voor hen opzij gaan.

Assyrië wordt verslagen, en er komt een einde aan de macht van Egypte. 12Ik, de Heer, zal de Israëlieten sterk maken. Zij zullen mij eren, en leven zoals ik het wil.’

Dat heeft de Heer gezegd.