Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Ruth ontmoet Boaz

Ruth gaat koren oprapen

21-3Op een dag zei Ruth tegen Noömi: ‘De boeren zijn koren aan het maaien. Ik wil graag naar het land gaan, en koren oprapen dat na het maaien is blijven liggen. Ik ga alleen maar koren oprapen bij een boer die dat goedvindt.’ Noömi zei: ‘Dat is goed, kind, doe dat maar.’

Ruth ging dus naar het land. Toevallig kwam ze op het land van een man die familie was van Noömi en Elimelech. Die man heette Boaz. Hij was rijk en belangrijk.

Boaz komt op het land

4Na een poosje kwam Boaz zelf vanuit Betlehem naar het land. Hij groette de knechten die aan het maaien waren, en zij groetten terug.

5Toen vroeg Boaz aan de knecht die de leiding had: ‘Wie is die jonge vrouw daar?’ 6‘Dat is een buitenlandse vrouw,’ zei de knecht. ‘Ze is met Noömi meegekomen uit Moab. 7Ze verzamelt koren dat na het maaien blijft liggen. Ze heeft gevraagd of dat mocht. Vanmorgen vroeg was ze hier al, en ze is de hele dag bezig. Ze is maar heel even gaan zitten.’

Boaz en Ruth ontmoeten elkaar

8Boaz ging naar Ruth toe. ‘Luister eens,’ zei hij. ‘Je moet niet naar een andere boer gaan. Blijf hier op het land bij de vrouwen die voor mij werken. 9Loop maar achter hen aan. Ik zal tegen mijn knechten zeggen dat ze je met rust moeten laten. Let jij maar op het koren dat op de grond gevallen is, en blijf dicht bij de andere vrouwen. En als je dorst hebt, kun je water halen bij de knechten.’

10Ruth maakte een diepe buiging en zei: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? Waarom zorgt u zo goed voor me? U kent me helemaal niet.’ 11Boaz zei: ‘Ik heb veel over je gehoord. Ik weet hoe goed je voor Noömi geweest bent na de dood van je man. Je hebt je vader en je moeder en je geboorteland verlaten. En je bent met Noömi meegegaan naar mensen die je helemaal niet kende. 12De God van Israël zal je daarvoor belonen. Bij hem heb je hulp gezocht, en hij zal je beschermen.’

13Ruth zei: ‘Dank u wel. Ik werk niet eens voor u, en toch bent u zo vriendelijk voor me. Nu hoef ik me geen zorgen meer te maken.’

Boaz zorgt goed voor Ruth

14Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen Ruth: ‘Kom maar hier, en eet wat brood en drink wat wijn.’ Ruth ging bij de knechten en de vrouwen zitten. Boaz gaf haar brood. Ruth at tot ze genoeg had, en ze hield zelfs nog wat over.

15Na het eten ging Ruth weer aan het werk. Boaz zei tegen de knechten: ‘Laat haar overal koren verzamelen, 16zeg er niets van. Jullie moeten juist wat extra koren voor haar laten liggen.’

17Ruth werkte door tot de avond. Toen schudde ze de graankorrels uit het koren dat ze opgeraapt had. Het was wel 30 kilo. 18Ze nam het allemaal mee terug naar de stad.

Ruth komt thuis

Ruth liet aan Noömi het graan zien dat ze verzameld had. En ze gaf ook het brood dat ze overhad van het eten op het land. 19‘Waar ben je vandaag geweest?’ riep Noömi. ‘Bij wie heb je gewerkt? God zal de man gelukkig maken die zo goed voor je geweest is!’ Ruth vertelde bij wie ze geweest was: ‘De man bij wie ik vandaag gewerkt heb, heet Boaz.’

20Toen zei Noömi: ‘De Heer zal Boaz zeker geluk geven! Want Boaz heeft gedaan wat hij moest doen. Voor jou en voor mij, maar ook voor onze gestorven mannen. Hij is familie van ons. Volgens de wet moet hij voor ons zorgen, nu onze mannen gestorven zijn.’

21Ruth zei: ‘Boaz heeft nog iets gezegd. Ik mag op zijn land blijven werken tot al het koren gemaaid is.’ 22‘Dat is fijn,’ zei Noömi. ‘Want op het land van iemand anders zou je misschien slecht behandeld worden.’

23Ruth bleef koren verzamelen op het land van Boaz tot al het koren gemaaid was. Al die tijd woonde ze bij Noömi.

3

Ruth vraagt hulp aan Boaz

Noömi heeft een plan

31Op een dag zei Noömi tegen Ruth: ‘Ik zou graag willen dat je een man had en kinderen.

2Luister. Je weet toch dat Boaz familie van ons is? Die Boaz bij wie je koren ging zoeken. Vanavond werkt hij op het land. 3Als jij nu eens naar hem toe gaat. Neem eerst een bad. Zorg dat je er mooi uitziet en dat je lekker ruikt. Ga dan naar het land, maar laat je nog niet aan Boaz zien. Als hij klaar is met eten en drinken, 4gaat hij slapen. Je moet opletten waar hij gaat liggen. Dan moet je bij zijn voeten de deken optillen en daar bij hem gaan liggen. En wacht verder maar af wat hij zegt.’

5‘Dat is goed,’ zei Ruth. 6En ze deed alles precies zoals Noömi gezegd had.

Ruth vraagt Boaz om hulp

7Toen Boaz gegeten en gedronken had, was hij helemaal tevreden. Hij ging tegen een hoop koren aan liggen en viel in slaap. Zachtjes liep Ruth naar hem toe. Ze tilde de deken op en ging bij zijn voeten liggen.

8Midden in de nacht schrok Boaz wakker. Hij draaide zich om en merkte dat er een vrouw aan zijn voeteneind lag. 9‘Wie ben jij?’ riep hij. ‘Ik ben het, Ruth,’ antwoordde Ruth. ‘Mag ik bij u blijven? U bent familie van mijn gestorven man. Dan moet u toch voor mij en Noömi zorgen?’

Boaz vindt Ruth een geweldige vrouw

10‘De Heer zal je gelukkig maken,’ zei Boaz. ‘Ik wist al dat je veel voor de familie doet. Maar nu wordt me dat nog duidelijker. Want je had best een andere man kunnen krijgen. Een jonge man, arm of rijk. Maar je komt naar mij. 11Wees niet bang, want ik zal alles doen wat je vraagt. Je bent een geweldige vrouw. Dat weet iedereen in de stad.

12Maar er is één probleem. Volgens de wet moet ik inderdaad voor jou en Noömi zorgen, omdat ik familie van jullie ben. Maar iemand anders in de familie is eigenlijk eerder aan de beurt. 13Morgen zoek ik uit of die man voor jullie wil zorgen. Als hij niet wil, dan doe ik het. Dat beloof ik echt. Maar ga nu eerst maar slapen en blijf hier tot het ochtend wordt.’

14Ruth bleef tot de ochtend bij Boaz.

Ruth gaat weer naar huis

Toen het nog donker was, stond Ruth op. Dan zou niemand zien dat zij op het land van Boaz geweest was. Want Boaz wilde niet dat iemand dat wist. 15Boaz zei: ‘Kom eens met je omslagdoek, en houd hem goed open.’ Hij deed zes grote scheppen graan in de doek en hielp haar om de doek met het graan op te tillen. Daarna ging hij weer naar de stad.

16Ruth ging terug naar Noömi. Die zei: ‘Hoe is het gegaan, kind?’ Ruth vertelde alles. 17En ze zei: ‘Kijk eens hoeveel graan ik gekregen heb! Boaz wilde niet dat ik met lege handen thuis zou komen.’ 18Noömi zei: ‘Wacht nu maar af hoe het verdergaat. Ik weet zeker dat Boaz alles zo snel mogelijk zal regelen.’

4

Ruth en Boaz krijgen een zoon

Iemand moet het land van Noömi kopen

41Die dag ging Boaz naar het plein bij de stadspoort. Daar ging hij zitten. Toen kwam de man voorbij die eigenlijk voor Ruth en Noömi moest zorgen. Hoe die man heet, is niet belangrijk. Boaz riep hem, en de man kwam bij Boaz zitten. 2Boaz haalde er ook nog tien mannen van het stadsbestuur bij.

Iedereen ging zitten. 3Toen zei Boaz tegen de man die voor Noömi en Ruth moest zorgen: ‘Je weet dat Noömi uit Moab teruggekomen is zonder haar man Elimelech. Elimelech was familie van jou en van mij. Nu wil Noömi het land van Elimelech verkopen. Maar het moet in de familie blijven. 4Mijn vraag is: Wil jij het kopen?

Als je ja zegt, weet iedereen hier bij de poort dat het van jou is. Jij hebt als eerste het recht om het te kopen. Maar als jij niet wilt, moet je het zeggen. Dan koop ik het.’

Ruth hoort bij het land

‘Ik wil het land wel kopen,’ zei de man. 5Toen zei Boaz: ‘Als je het land van Noömi koopt, dan is Ruth ook van jou. Ruth is die vrouw uit Moab. Ze was getrouwd met een zoon van Noömi en Elimelech. Als jij en Ruth kinderen krijgen, blijft het land in de familie van Elimelech.’

6-8De man zei: ‘Dat kan ik niet doen. Dan hebben mijn eigen kinderen later niets aan dat land. Koop jij het maar. Ik kan het niet doen.’ En meteen trok die man één van zijn schoenen uit. Want dat deden ze vroeger in Israël, als ze iets wilden kopen of ruilen. Je gaf dan je schoen aan de tegenpartij. En dan was de zaak officieel geregeld.

Boaz koopt het land

9Boaz zei tegen de mannen van het stadsbestuur en tegen de andere mensen: ‘Jullie zien allemaal wat hier gebeurt. Ik koop van Noömi het land van Elimelech. En ook alles wat van haar zonen geweest is. 10En Ruth is dan ook van mij. Zij is de vrouw uit Moab die met de zoon van Elimelech getrouwd was. Zij wordt mijn vrouw. Het land blijft op naam van Elimelech staan. Zo zal de naam van Elimelech niet vergeten worden in de familie en in de stad. Vinden jullie dat goed?’

Iedereen wenst Boaz geluk

11-12Alle mensen bij de poort zeiden: ‘Ja, dat is goed. We hopen dat de Heer veel kinderen geeft aan je vrouw, net als vroeger aan Rachel en Lea. Door die twee vrouwen is Israël een groot volk geworden. We hopen dat het met jou net zo zal gaan als met Peres, de zoon van Tamar en Juda. Dat je net als hij een grote familie krijgt, samen met Ruth. Dan zul je hier in Betlehem in Efrata een belangrijke man zijn.’

Ruth krijgt een zoon

13Ruth werd de vrouw van Boaz en ze sliepen met elkaar. De Heer liet Ruth zwanger worden en ze kreeg een zoon.

14Toen zeiden de vrouwen van de stad tegen Noömi: ‘Dank de Heer! Hij heeft je vandaag een kleinzoon gegeven die voor je kan zorgen. Later zullen de mensen in Israël zich dit kind nog steeds herinneren. 15Hij zal weer geluk in je leven brengen en voor je zorgen als je oud bent. Je hebt dit kind gekregen van je schoondochter Ruth. Zij houdt veel van je. En ze is meer waard dan zeven zonen!’

16Noömi nam het kind op schoot en ging voor hem zorgen. 17Toen zeiden de buurvrouwen: ‘Kijk, Noömi heeft een zoon gekregen!’ Ze noemden het kind Obed.

Ruth is familie van David

Obed, de zoon van Ruth, werd later de vader van Isaï, en die werd weer de vader van David. 18-22Dit zijn de voorouders van David: Peres, Chesron, Ram, Amminadab, Nachson, Salmon, Boaz, Obed, en Isaï, de vader van David.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]