Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Wie kwaad doet, wordt gestraft

21Misschien zegt iemand: ‘Al die dingen gaan niet over mij.’ Maar dan zeg ik tegen hem: Luister, jij oordeelt over andere mensen en je hebt kritiek op hun gedrag. Maar de dingen waar jij kritiek op hebt, die doe je zelf ook. Zo laat je zelf zien dat je straf verdient.

2Mensen die al die verkeerde dingen doen, krijgen van God de straf die ze verdienen. Dat weten we allemaal. 3Denk jij dan dat je kunt ontsnappen aan Gods straf? Jij hebt wel steeds kritiek op andere mensen, maar je doet zelf ook verkeerde dingen!

4God is goed en geduldig, hij wacht lang met straffen. Jij denkt: Zo’n God hoef ik niet serieus te nemen! Maar dan begrijp je het niet. God is juist goed voor je: hij geeft je de kans om een nieuw leven te beginnen.

5Maar jij bent ongehoorzaam. Je wilt je leven niet veranderen. Zo maak je jezelf nog schuldiger. Op de dag dat God zal rechtspreken over de wereld, zal hij ook jou straffen.

Je krijgt wat je verdient

6God zal alle mensen geven wat ze verdienen. 7De mensen die het volhouden om te doen wat God wil, krijgen het eeuwige leven. Want zij hebben alles over voor het volmaakte leven bij God. 8Maar God straft de mensen die zichzelf beter vinden dan anderen. De waarheid is voor hen niet belangrijk. Voor hen telt alleen oneerlijk gedrag.

9Ieder mens die slechte dingen doet, zal door God gestraft worden met pijn en ellende. Dat geldt in de eerste plaats voor de Joden, maar ook voor alle niet-Joden. 10Maar ieder mens die het goede doet, zal eer krijgen van God, en in vrede bij hem leven. Dat geldt in de eerste plaats voor de Joden, maar ook voor alle niet-Joden. 11Want God beoordeelt ieder mens op dezelfde manier.

Het gaat erom hoe je leeft

12De niet-Joden kennen Gods wet niet. Maar ook zonder wet geldt: als je verkeerd leeft, loopt het slecht met je af. De Joden kennen Gods wet wel. Voor hen geldt: wie verkeerd leeft, wordt volgens de regels van de wet gestraft. 13Want voor God gaat het er niet om dat je de wet kent. Het gaat erom dat je je aan de wet houdt. Alleen dan zul je gered worden.

14-15Mensen die niet als Jood geboren zijn, kennen de Joodse wet niet. Maar stel dat ze toch leven zoals de wet het bedoelt. Dan zie je aan hun daden dat ze de wet in hun hart hebben. Diep van binnen weten ze wat goed en slecht is. In gedachten geven ze een eerlijk oordeel over hun eigen daden.

16God weet hoe de mensen van binnen zijn. Alles zal bekend worden op de dag dat hij Jezus Christus laat rechtspreken over de wereld. Dat is het goede nieuws dat ik vertel.

Het gaat erom wat je doet

17Jij zegt: ‘Ik ben een Jood. Ik vertrouw op de wet, en ik ben trots op mijn God. 18Ik ken Gods wil. Ik weet precies wat belangrijk is. Dat heeft de wet mij geleerd. 19-20Ik ken de wet goed. En de wet geeft mij ware wijsheid. Daardoor kan ik anderen vertellen hoe ze moeten leven. Mensen die dom zijn en nog veel moeten leren, wijs ik op hun fouten. Zo lijk ik op iemand die blinden de weg wijst. En op een lamp die in het donker schijnt.’

21Jij vertelt anderen dus hoe ze moeten leven. Maar luister jij zelf wel naar die lessen? Je vertelt iedereen: ‘Je mag niet stelen.’ Maar zelf steel je wel. 22Je zegt: ‘Je mag niet vreemdgaan.’ Maar zelf ga je wel vreemd. Je vindt het vereren van afgoden afschuwelijk. Maar voor de dingen die heilig zijn, heb je geen eerbied.

23Jij bent er trots op dat je de Joodse wet kent. Maar je houdt je niet aan die wet, en zo beledig je God. 24Zo staat het al in de heilige boeken: «Omdat jullie je zo slecht gedragen, hebben de andere volken geen eerbied voor God.»

Het gaat erom hoe je van binnen bent

25Goed, jij bent een Jood en dus ben je besneden. Maar dat is alleen een voordeel als je je houdt aan de wet. Anders heb je er niets aan dat je besneden bent. 26En stel dat iemand die niet besneden is, zich houdt aan de regels van de wet. Dan ziet God hem als iemand die wel besneden is.

27Stel dat een niet-Jood, die dus niet besneden is, leeft zoals de wet het bedoelt. En stel dat jij je niet houdt aan de wet, terwijl jij wel besneden bent en de wet precies kent. Dan ben jij degene die aan het einde van de tijd gestraft zal worden.

28-29Waardoor is iemand echt een Jood? Niet doordat andere mensen weten dat hij een Jood is, of doordat hij besneden is en de wet kent. Nee, iemand is echt een Jood door hoe hij van binnen is. En doordat hij zich laat leiden door de heilige Geest. De eer die zo iemand krijgt, komt niet van mensen, maar van God.

3

God blijft trouw aan zijn belofte

31Je zou kunnen zeggen: ‘Welk voordeel heeft het eigenlijk om Jood te zijn? Wat heb je eraan als je besneden bent?’ 2Het antwoord is: Je hebt er heel veel aan om Jood te zijn. Het belangrijkste is dat God aan de Joden zijn beloftes gegeven heeft. Die staan in de heilige boeken.

3Maar toen Gods beloftes uitkwamen, wilden veel Joden het niet geloven. Is dat voor God een reden om hen in de steek te laten? 4Nee, natuurlijk niet! Want mensen kun je niet vertrouwen, maar God wel. Hij blijft trouw aan wat hij beloofd heeft. Want zo staat het al in de heilige boeken: «God, iedereen zal zien dat uw woorden waar zijn. Iedereen zal weten dat u gelijk hebt.»

5-6Nu zou je kunnen zeggen: ‘De slechtheid van de mensen is dus nodig om te laten zien dat God eerlijk en betrouwbaar is. Maar dan is het oneerlijk als God de mensen voor hun slechtheid straft!’ Zo kun je natuurlijk niet over God spreken! God is goed en eerlijk. Anders zou hij nooit de rechter van de wereld kunnen zijn.

7Nu zou je kunnen zeggen: ‘Goed, alleen God is betrouwbaar, alleen hij verdient alle eer. Dankzij mijn slechte gedrag wordt dat juist duidelijk. Maar dan hoef ik toch niet meer gestraft te worden?’ 8Houd toch op, dat is niet wat ik zeg! Er zijn mensen die beweren: ‘Volgens Paulus moet je veel slechte dingen doen. Want dan kan God laten zien hoe goed hij is!’ De mensen die dat over mij zeggen, liegen. Zulke mensen verdienen Gods straf!

Alle mensen zijn zondig

9Je zou nu kunnen zeggen: ‘Is het dan een nadeel om Jood te zijn?’ Absoluut niet! Want wat ik vastgesteld heb, is dit: alle mensen doen verkeerde dingen, Joden en niet-Joden.

10In de heilige boeken staat: «Er is geen mens die altijd goed doet, zelfs niet één. 11Niemand is wijs, niemand is trouw aan God. 12Iedereen is slecht en oneerlijk. Geen mens is goed, zelfs niet één. 13Mensen spreken alleen maar kwaad, en ze vertellen alleen maar leugens. Hun woorden zijn slecht en gevaarlijk. 14Ze liegen en bedriegen. 15Ze plegen graag moorden. 16Overal brengen ze geweld en ellende. 17Vrede krijgt bij hen geen kans. 18En eerbied voor God hebben ze niet.»

19Dat staat in de heilige boeken van de Joden, en dus gaat het ook over de Joden zelf. Voor hen geldt hetzelfde als voor iedereen: Niemand heeft een excuus voor zijn slechte gedrag. Iedereen is schuldig tegenover God. 20En niemand wordt gered doordat hij zich aan de Joodse wet houdt. Want het lukt niemand om alles te doen wat er in de wet staat. De wet leert ons juist dat ieder mens verkeerde dingen doet.

Redding door het geloof

God redt iedereen die gelooft

21-22Maar God wil de mensen redden. Dat wordt al verteld in de heilige boeken. En nu mag het aan iedereen bekendgemaakt worden: Mensen worden gered, niet doordat ze zich aan de wet houden, maar doordat ze geloven. Want God redt iedereen die gelooft in Jezus Christus.

God maakt geen verschil tussen Joden en niet-Joden. 23Want alle mensen doen verkeerde dingen. Daardoor leeft niemand dicht bij God. 24Maar God wil de mensen redden, zomaar, voor niets. Hij vergeeft de zonden van iedereen die gelooft in Jezus Christus. Zo goed wil God voor ons zijn.

25-26Tegelijk wil God dat de schuld van de mensen weer goedgemaakt wordt. Hij heeft daarom zelf gezorgd voor een geschenk waarmee dat kan gebeuren. Dat geschenk is Jezus Christus. Dankzij zijn dood worden de mensen die in hem geloven, gered.

God heeft altijd veel geduld met de mensen gehad. Hij liet hen in leven, ook al deden ze veel verkeerde dingen. En nu redt God iedereen die gelooft in Jezus Christus. Want iedereen die gelooft, wordt door God als een goed mens gezien.

Alleen door geloof word je gered

27Kunnen we dan nog zeggen dat het ene volk beter is dan het andere? Nee! Voor iedereen geldt dezelfde wet. Is dat een wet met regels om je aan te houden? Nee, het is de wet van het geloof. 28Want wij weten dat mensen alleen gered kunnen worden door het geloof. En niet doordat ze zich aan de Joodse wet houden.

29-30Er is maar één God. En hij is niet alleen de God van de Joden, maar ook de God van alle andere volken. Hij redt Joden als ze geloven, en hij redt niet-Joden als ze geloven.

31Beweer ik nu dat alleen het geloof belangrijk is, en de wet helemaal niet? Nee, ik zeg juist dat je je pas echt aan de wet houdt als je gelooft.

4

Als je gelooft, ziet God je als een goed mens

41Laten we eens kijken naar het voorbeeld van Abraham, de voorvader van de Joden. Hoe is het met hem gegaan? 2Abraham heeft veel goede dingen gedaan. Dat maakt indruk op mensen, maar voor God gaat het om iets anders. God heeft Abraham niet gered omdat hij zo goed leefde. 3Nee, in de heilige boeken staat: «Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.»

4Als iemand werkt, krijgt hij loon. Niet als geschenk, maar omdat hij het verdient. 5Maar niemand verdient het om door God gered te worden. Je moet er dus op vertrouwen dat God je wil redden, ook al ben je een slecht mens. Als je dat gelooft, ziet God je als een goed mens.

6Wat is het echte geluk? Dat God je als een goed mens ziet, ook al verdien je dat niet. Ook David heeft dat gezegd in de heilige boeken. Hij zei: 7-8«Je bent gelukkig als God je zonden vergeeft. Je bent gelukkig als God niet meer denkt aan je fouten, en niet meer kijkt naar je schuld.»

Het geloof was er voor de besnijdenis

9Maar voor wie is het echte geluk? Alleen voor mensen die besneden zijn? Of ook voor mensen die niet besneden zijn? Denk even aan wat ik net zei: ‘Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.’ 10Wanneer gebeurde dat? Toen Abraham al besneden was, of toen hij nog niet besneden was? Het gebeurde toen hij nog niet besneden was!

11Door Abrahams geloof zag God hem als een goed mens, ook al was hij toen nog niet besneden. Zo werd Abraham de voorvader van alle gelovigen die niet besneden zijn. Zij worden gered omdat ze geloven.

Later werd Abraham besneden. Dat was het teken dat God hem als een goed mens zag. 12Zo werd Abraham ook de voorvader van de mensen die besneden zijn. Maar dan moeten ze wel geloven! Net zoals Abraham, die al geloofde voordat hij besneden was.

Gods belofte hoort bij het geloof

13God beloofde aan Abraham en zijn nakomelingen dat de nieuwe wereld voor hen zou zijn. Dat was niet omdat Abraham zich aan de wet hield, maar omdat hij geloofde. Want daarom zag God hem als een goed mens.

14Dus waar gaat het om? Dat je leeft volgens de Joodse wet? Nee, dan zou het geloof geen zin hebben. En dan zou Gods belofte niet uitkomen. 15De wet laat alleen maar zien dat mensen schuldig zijn. Maar voor wie gelooft, geldt dat niet.

16God wilde laten zien hoe goed hij voor ons is. Daarom beloofde hij zijn nieuwe wereld aan alle nakomelingen van Abraham. Niet alleen aan de Joden, maar ook aan de niet-Joden. Als ze maar geloven, net zoals onze voorvader Abraham. 17Want in de heilige boeken zegt God tegen Abraham: «Ik beloof je dat er later heel veel volken van jou zullen afstammen.»

Abraham geloofde wat God zei

God beloofde dus veel nakomelingen aan Abraham, en Abraham geloofde God. Hij wist dat God de macht heeft om doden levend te maken. En om iets dat niet bestaat, te laten leven. 18Abraham geloofde dat er later heel veel volken van hem zouden afstammen. Want God had gezegd: ‘Je zult heel veel nakomelingen krijgen.’

Abraham geloofde dat, ook al was het iets dat eigenlijk helemaal niet kon. 19Want Abraham wist best dat hij veel te oud was om vader te worden. Hij was al honderd jaar. En zijn vrouw Sara was veel te oud om een kind te krijgen. 20Toch twijfelde Abraham niet, maar hij geloofde dat ze een kind zouden krijgen. Omdat God het beloofd had.

God zorgde ervoor dat Abrahams geloof steeds sterker werd. En Abraham eerde God. 21Want God heeft de macht om te doen wat hij belooft. Dat geloofde Abraham, zonder te twijfelen. 22En daarom zag God hem als een goed mens.

God ziet ook ons als goede mensen

23In de heilige boeken staat dus dat God Abraham als een goed mens zag. Dat geldt niet alleen voor Abraham, 24maar ook voor ons. Want God ziet ook ons als goede mensen, omdat we in hem geloven. Wij geloven dat God Jezus Christus, onze Heer, heeft laten opstaan uit de dood. 25Omdat Jezus Christus gestorven is, worden onze zonden vergeven. En omdat hij is opgestaan uit de dood, worden wij gered.