Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

Johannes moet de tempel opmeten

111Daarna kreeg ik een meetstok, en iemand zei: ‘Ga Gods tempel en het altaar opmeten. En tel de mensen die in de tempel God vereren. 2Het plein voor de tempel hoef je niet op te meten, want dat plein is voor de ongelovigen. Zij zullen drieënhalf jaar lang over de heilige stad heersen.

3Ik zal mijn twee profeten naar de stad sturen. Ze zullen rouwkleren dragen, en vertellen dat Gods straf zal komen. Dat zullen ze drieënhalf jaar lang doen.’

De twee profeten van God

4De twee profeten zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars die voor God staan, de Heer van de wereld. 5Als iemand die profeten kwaad wil doen, dan komt er vuur uit hun mond. Op die manier zullen ze al hun vijanden doden. Want iedereen die hun kwaad wil doen, moet sterven.

6Die twee profeten zullen ervoor zorgen dat er geen regen meer valt. Want zolang ze over God vertellen, hebben ze de macht om de hemel te sluiten. Ze hebben ook de macht om water in bloed te veranderen. En ze kunnen op aarde allerlei rampen laten gebeuren, zo vaak als ze willen.

De profeten sterven in Jeruzalem

7Drieënhalf jaar lang zullen de twee profeten over Gods plannen vertellen. Dan zal het beest uit de hel omhoogkomen. Dat beest zal tegen de profeten strijden, hen overwinnen en hen doden. 8Hun lichamen zullen midden in de grote stad liggen, in de stad die door sommigen Sodom genoemd wordt, of Egypte. Het is de stad waar Jezus gedood is.

9-10Er zullen veel mensen naar de lichamen komen kijken, mensen uit de hele wereld, van alle volken en talen. Die mensen willen niet dat de profeten begraven worden. In plaats daarvan vieren ze drieënhalve dag feest. Ze zijn blij en feliciteren elkaar omdat de profeten dood zijn. Want die profeten waren de oorzaak van allerlei ellende.

God laat de profeten weer leven

11Na die drieënhalve dag zal God het leven aan de profeten teruggeven. Ze zullen opstaan uit de dood. Iedereen die het ziet, zal erg schrikken.

12Dan klinkt er een luide stem uit de hemel, die tegen de profeten zegt: ‘Kom hierheen!’ En de profeten zullen op een wolk naar de hemel gaan, terwijl hun vijanden toekijken.

13Op hetzelfde moment komt er een zware aardbeving, die een tiende deel van de stad zal verwoesten. Zevenduizend mensen zullen door de aardbeving gedood worden. Alle andere mensen zullen bang worden, en de God van de hemel beginnen te eren.

14Als dat gebeurd is, is de tweede ramp voorbij, maar de derde ramp zal snel volgen!

De zevende engel blaast op zijn trompet

15Toen blies de zevende engel op zijn trompet. En in de hemel klonken luide stemmen, die zeiden: ‘Nu is de Heer, onze God, koning van de wereld, samen met de messias. Zij zullen voor altijd heersen.’

16De 24 leiders van het volk, die op hun tronen bij God zaten, knielden. Ze eerden God 17en zeiden: ‘Heer, onze God, u bent de machtige God, die er is, en die er was. Wij danken u, omdat u nu uw grote macht gebruikt en laat zien dat u koning bent.

18De ongelovigen zijn kwaad en verzetten zich, maar u laat nu ook zelf uw woede zien. Want de tijd is gekomen om recht te spreken over de doden. Het is tijd om uw dienaren, de profeten, te belonen, net als de gelovigen en alle anderen die uw naam eren. En het is tijd om iedereen te vernietigen die de aarde wil vernietigen.’

19Toen ging Gods tempel in de hemel open en de heilige kist werd zichtbaar. Meteen kwam er bliksem en donder, de aarde beefde, en het ging hard hagelen.

12

De vrouw en de draak

Twee tekens aan de hemel

121Daarna was er aan de hemel een belangrijk teken te zien. Het was een vrouw. Ze had de zon als een mantel om zich heen, ze had de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd. 2Ze was zwanger. Ze had weeën en schreeuwde van pijn.

3Er was nog een teken aan de hemel te zien. Het was een grote, rode draak met zeven koppen en tien hoorns. Op al zijn koppen stond een kroon. 4Met zijn staart veegde hij een derde deel van de sterren weg, en gooide ze op aarde. Toen ging de draak voor de vrouw staan die aan het bevallen was. Want hij wilde haar kind opeten, zodra het geboren was.

5De vrouw kreeg haar kind, het was een zoon. Hij zou later alle ongelovigen vernietigen. Het kind werd meteen meegenomen naar God en bij zijn troon gebracht. 6De vrouw vluchtte naar de woestijn, naar een plek die God voor haar klaargemaakt had. Daar werd drieënhalf jaar voor haar gezorgd.

De draak wordt op de aarde gegooid

7Toen kwam er oorlog in de hemel. De engel Michaël vocht met zijn engelen tegen de draak. De draak en zijn engelen vochten terug, 8maar ze verloren de strijd. Daarna was er in de hemel voor hen geen plaats meer.

9De grote draak werd op de aarde gegooid, samen met zijn engelen. Hij is de slang uit de oude tijd, die de mensen ook wel duivel of Satan noemen. Hij verleidt de mensen op aarde om slechte dingen te doen.

Feest in de hemel

10Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Onze God is koning, hij heeft ons gered! Vandaag heeft hij laten zien hoeveel macht hij heeft. Vanaf nu heerst hij, samen met de messias. Want Satan is uit de hemel op de aarde gegooid. Dag en nacht vertelde hij aan God wat de christenen fout deden. 11Maar de christenen hebben van hem gewonnen. Ze hebben gewonnen doordat Jezus Christus voor hen gestorven is. En doordat ze aan iedereen over God en Jezus vertelden.

12Dat is een feest voor de hemel en voor iedereen die daar woont! Maar voor de aarde en de zee is het een ramp! Nu woont de duivel daar bij jullie, en hij is woedend. Want hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft voor zijn slechte plannen.’

De draak jaagt op de vrouw

13De draak zag dat hij op aarde gegooid was. En hij begon direct te jagen op de vrouw die een zoon gekregen had. 14Maar God gaf haar de vleugels van een adelaar, en daarmee vloog ze naar haar plek in de woestijn. Daar werd drieënhalf jaar voor haar gezorgd en was ze veilig voor de draak. 15De draak spuugde nog wel een enorme stroom water achter de vrouw aan, om haar daarmee te doden. 16Maar de aarde hielp haar, ging open en liet het water wegstromen.

17Toen werd de draak woedend op de vrouw, en hij ging weg om haar andere kinderen te zoeken. Dat waren de christenen die zich hielden aan de wetten van God, en die in Jezus bleven geloven. De draak wilde hen allemaal doden. 18Maar op het strand bij de zee bleef hij staan.

13

De twee beesten

Het beest uit de zee

131Toen zag ik een beest uit de zee komen. Het beest had zeven koppen en tien hoorns. Op elke hoorn had het een kroon, en op elke kop stond een naam die alleen voor God gebruikt mag worden. 2Het beest leek op een panter, maar het had de poten van een beer en de tanden van een leeuw. Aan dat beest gaf de draak zijn kracht en zijn koninklijke macht.

3Het beest was dodelijk gewond aan één van zijn koppen, maar de wond genas. Alle mensen waren diep onder de indruk en liepen het beest achterna. 4Ze eerden de draak omdat hij zijn macht aan het beest gegeven had. En ze eerden het beest door te roepen: ‘Niemand is zo sterk als het beest. Niemand kan een oorlog tegen hem winnen!’

Het beest heerst drieënhalf jaar lang

5Het beest mocht slechte dingen zeggen. Het sprak vol trots over zichzelf, maar spotte met God. Drieënhalf jaar lang liet God dat toe. 6Al die tijd beledigde het beest God, Gods naam, Gods tempel, en alle bewoners van de hemel.

7Het beest kreeg de macht over mensen uit de hele wereld, van alle volken en talen. Het mocht van God ook oorlog voeren tegen de christenen, en hen overwinnen.

Christenen moeten op God vertrouwen

8Alle mensen op aarde zullen het beest vereren. Iedereen, behalve de mensen van wie de namen in het boek van het leven staan. Dat boek bestaat al vanaf het begin van de wereld, en het is van het lam dat geslacht is.

9-10Als je christen bent, moet je niet bang zijn om gevangengenomen of gedood te worden. Je moet op God vertrouwen en in hem blijven geloven, wat er ook met je gebeurt. Laat dat goed tot je doordringen.

Het beest uit de aarde

11Toen zag ik nog een beest. Dat beest kwam uit de aarde. Het had twee hoorns, net als een lam, maar het sprak als een draak.

12Dat tweede beest werkte voor het eerste beest, van wie het alle macht kreeg. Het gebruikte die macht om ervoor te zorgen dat iedereen op aarde het eerste beest vereerde. Het eerste beest was genezen van zijn dodelijke wond.

Het teken van het beest

13-14Het tweede beest deed grote wonderen in dienst van het eerste beest. Het liet zelfs vuur uit de hemel naar beneden komen. Iedereen kon dat zien. Op die manier verleidde het beest de mensen op aarde om naar hem te luisteren. Het zei dat ze een beeld moesten maken van het eerste beest. Dat beest was door een zwaard dodelijk gewond, maar nu leefde het weer. 15Het tweede beest kreeg de macht om het beeld van het eerste beest te laten leven, en daardoor kon dat beeld spreken. En iedereen die er niet voor wilde knielen, werd gedood.

16Het tweede beest liet een teken zetten op de rechterhand of op het voorhoofd van alle mensen. Iedereen kreeg zo’n teken: jong en oud, rijk en arm, slaven en vrije mensen. 17Alleen mensen met dat teken mochten nog dingen kopen of verkopen.

Het teken was de naam van het eerste beest, of het getal dat je van zijn naam kunt maken. 18Het getal is 666. En nu moet je slim zijn. Want als je goed nadenkt, kun je uitrekenen wie ermee bedoeld wordt.