Bijbel in Gewone Taal (BGT)
42

Psalm 42

421Een lied van de Korachieten. Voor de zangleider.

Ik verlang naar God

2God, ik verlang naar u,

zoals een hert verlangt naar helder water.

3Met heel mijn hart verlang ik naar u,

u bent de God die leven geeft.

Wanneer zal ik weer bij u zijn?

4Dag en nacht ben ik verdrietig,

ik kan alleen nog maar huilen.

En steeds weer vragen mijn vijanden mij:

‘Waar is nu je God?’

Waarom ben ik zo bedroefd?

5Lang geleden liep ik mee met iedereen,

op weg naar de tempel van God.

We juichten en we zongen,

we vierden allemaal feest.

Daar denk ik aan terug,

daar verlang ik naar.

6Waarom ben ik zo bedroefd,

waarom zo onrustig van binnen?

Ik moet op God vertrouwen.

Eens zal ik hem weer danken.

Hij zal mij redden,

hij is mijn God.

7Ik ben diep bedroefd.

En ik denk aan God,

hier bij de bronnen van de Jordaan,

hoog in de bergen in het noorden,

ver van Jeruzalem.

8Overal om mij heen is water.

Overal hoor ik water stromen,

met veel geweld komt het omlaag.

Ik voel me door God verlaten.

Waarom vergeet de Heer mij?

9Eens zal de Heer mij weer zijn liefde geven!

Dan zal ik dag en nacht voor hem zingen,

ik zal bidden tot de God die mij leven geeft.

10Maar nu vraag ik aan God,

de God die mij beschermt:

Waarom vergeet u mij?

Waarom onderdrukken mijn vijanden mij

en loop ik rond in sombere kleren?

11Mijn vijanden lachen me uit,

het doet pijn tot in mijn botten.

En steeds weer zeggen ze:

‘Waar is nu je God?’

12Waarom ben ik zo bedroefd,

waarom zo onrustig van binnen?

Ik moet op God vertrouwen.

Eens zal ik hem weer danken.

Hij zal mij redden,

hij is mijn God.

43

Psalm 43

Eens zal ik God weer danken

431Help mij, God!

Verdedig mij tegen slechte mensen,

bescherm me tegen leugenaars en bedriegers.

2Bij u ben ik toch veilig?

Waarom mag ik dan niet bij u zijn?

Waarom onderdrukken mijn vijanden mij

en loop ik rond in sombere kleren?

3Blijf bij mij met uw licht en uw trouw,

en breng me naar uw heilige berg,

naar de plaats waar u woont.

4Laat mij weer in uw tempel komen,

want u bent mijn grootste vreugde.

Ik wil spelen op de harp

en zingen voor u, mijn God.

5Waarom ben ik zo bedroefd,

waarom zo onrustig van binnen?

Ik moet op God vertrouwen.

Eens zal ik hem weer danken.

Hij zal mij redden,

hij is mijn God.

44

Psalm 44

441Een lied van de Korachieten. Voor de zangleider.

God heeft zijn volk een land gegeven

2God, lang geleden hebt u wonderen gedaan,

in de tijd van onze voorouders.

Zij hebben het doorverteld aan hun kinderen,

en die hebben het weer aan ons verteld.

3U hebt andere volken weggejaagd

om onze voorouders een eigen land te geven,

een plek waar ze konden wonen.

4Ze kregen het land niet op eigen kracht,

niet door hun wapens en hun leger.

U hebt hun het land gegeven,

u hebt hen geholpen met uw macht.

U hebt hen beschermd,

omdat u van hen hield.

5God, u hebt dat gedaan,

u liet het volk van Jakob overwinnen.

U bent onze koning!

God redt ons

6Samen met u verslaan wij onze vijanden,

met uw hulp vernietigen wij onze tegenstanders.

7We vertrouwen niet op onze wapens,

we weten dat geweld ons niet kan redden.

8U bent het die ons redt van onze vijanden.

U overwint ze, u jaagt ze weg.

9Daarom zingen we elke dag voor u,

daarom danken wij u steeds opnieuw.

God denkt niet meer aan ons

10-11Maar nu wilt u ons niet meer zien.

U gaat niet meer met onze legers mee,

u gaat niet voor onze soldaten uit.

Daarom moesten we vluchten voor onze vijanden.

Ze hebben ons verslagen,

en ze hebben alles van ons afgenomen.

12U hebt ons zomaar weggedaan,

zo makkelijk als je een schaap laat slachten.

U hebt ons weggejaagd naar verre landen.

13Wij waren uw volk,

maar u hebt ons weggegeven,

u hebt ons zomaar weggedaan.

Onze vijanden spotten met ons

14De volken om ons heen beledigen ons,

ze hebben geen respect voor ons,

ze lachen ons uit.

15U hebt ons overal belachelijk gemaakt,

alle volken spotten met ons.

16-17Dat moeten we meemaken,

elke dag weer.

Als we onze vijanden horen lachen,

als we zien hoe ze ons straffen,

dan voelen we ons vernederd.

Wij zijn trouw gebleven aan God

18Al die dingen maken we mee,

maar we vergeten u niet.

We zijn u trouw gebleven,

19we zijn niet bij u weggegaan.

We leven volgens uw wet,

20en toch vernietigt u ons!

U laat ons leven in ellende,

u hebt ons alleen gelaten.

21We zijn u niet vergeten, God,

we hebben geen andere goden vereerd.

22Dat zou u wel hebben ontdekt!

U weet toch alles van ons?

23Maar wij moeten sterven omdat we trouw zijn aan u.

We worden behandeld als schapen die worden geslacht.

Wij vragen God om hulp

24Word wakker, Heer! Waarom slaapt u?

Word wakker, en laat ons weer bij u komen.

25Waarom verbergt u zich,

waarom vergeet u onze ellende,

waarom denkt u niet aan ons?

26We zijn diep bedroefd,

we hebben geen kracht meer om te leven.

27Kom ons te hulp, Heer,

laat ons uw liefde zien en red ons!