Bijbel in Gewone Taal (BGT)
40

Psalm 40

401Een lied van David. Voor de zangleider.

De Heer heeft mij gered

2Ik wachtte op hulp van de Heer,

en hij heeft naar mij geluisterd.

Hij heeft mijn gebed gehoord.

3Ik dacht dat ik zou sterven,

maar hij haalde mij uit de ellende.

Hij redde mij van de dood,

hij bracht mij naar een veilige plek.

Ik kan weer leven zonder angst.

4Daarom zing ik een nieuw lied,

een danklied voor hem, onze God.

Alle mensen moeten horen dat hij mij heeft gered.

Dan krijgen ze eerbied voor de Heer,

dan zullen ze op hem vertrouwen.

5Gelukkig zijn mensen die op de Heer vertrouwen.

Ze gaan niet om met trotse mensen

die geloven in andere goden.

Ik wil vertellen over Gods wonderen

6Heer, mijn God, u zorgt voor uw volk,

u hebt veel wonderen voor hen gedaan.

Niemand is zo machtig als u.

Ik wil erover spreken,

ik wil het allemaal vertellen.

Het is meer dan ik kan zeggen.

7U vraagt mij niet om offers,

maar u wilt dat ik naar u luister.

8Daarom zeg ik: Hier ben ik,

de woorden in uw boek gaan over mij.

9Ik wil doen wat u van mij wilt,

uw wet staat in mijn hart geschreven.

10Ik wil over uw goedheid vertellen

aan alle mensen van uw volk.

Ik kan niet anders,

ik moet erover spreken.

Dat weet u, Heer.

11Ik zal niet zwijgen over uw goedheid,

ik zal spreken over uw trouw en uw hulp,

ik zal vertellen over uw trouw en uw liefde.

12Heer, u zult bij mij zijn met uw liefde,

uw liefde en uw trouw zullen mij altijd beschermen.

Ik vraag de Heer om hulp

13Overal om mij heen is ellende,

te veel om op te noemen.

Mijn zonden maken me bang,

ze laten me niet met rust.

Ik heb zo veel verkeerd gedaan

dat ik geen moed meer heb.

14Heer, kom mij redden!

Kom snel en help mij, Heer.

15Houd al mijn vijanden tegen,

want ze willen mij kwaad doen.

Straf ze, jaag ze weg,

want ze willen mij doden!

16Zorg dat ze zwijgen,

want ze lachen om mijn ellende.

17Maar geef vreugde aan mensen die bij u willen zijn.

Laat ze op u vertrouwen en steeds weer zeggen:

‘De Heer is machtig!’

18Ik ben ongelukkig en alleen.

Heer, vergeet mij niet!

U zult mij helpen,

bij u ben ik veilig.

Mijn God, wacht niet langer!

41

Psalm 41

411Een lied van David. Voor de zangleider.

De Heer helpt goede mensen

2Gelukkig zijn mensen die voor anderen zorgen.

Als zij zelf in nood zijn, zal de Heer hen redden.

3De Heer zal hen beschermen.

Hij zorgt dat ze in leven blijven,

hij redt ze van hun vijanden.

Iedereen ziet dat ze gelukkig zijn!

4Als ze ziek zijn, krijgen ze weer kracht.

Hoe erg het ook is, de Heer maakt hen gezond.

Heer, help mij

5Heer, ik ben ziek,

maak mij weer beter!

Heb medelijden met mij,

ook al heb ik veel verkeerd gedaan.

6Mijn vijanden hopen dat het slecht met mij zal gaan.

Ze hopen dat ik snel zal sterven,

en dat iedereen me zal vergeten.

7Als ze bij mijn bed staan, doen ze aardig,

maar buiten op straat zeggen ze wat ze denken.

In hun hart zijn ze slecht.

8Mijn vijanden haten mij.

Ik hoor ze met elkaar fluisteren,

ze hopen dat het slecht met mij zal gaan.

9Ze zeggen: ‘Die man is doodziek.

Hij ligt daar in zijn bed,

hij komt er nooit meer uit!’

10En zelfs mijn beste vriend is tegen mij.

Hij was iemand die ik helemaal vertrouwde

en met wie ik alles deelde.

11Heer, heb medelijden, help mij.

Laat mij weer opstaan van mijn bed,

dan kan ik mijn vijanden straffen!

12-13Red mij van mijn vijanden.

Neem mijn schuld weg en bescherm mij,

laat mij altijd bij u zijn.

Dan weet ik dat u van mij houdt.

14Dank aan de Heer, de God van Israël,

nu en altijd.

Amen, amen!

42

Psalm 42

421Een lied van de Korachieten. Voor de zangleider.

Ik verlang naar God

2God, ik verlang naar u,

zoals een hert verlangt naar helder water.

3Met heel mijn hart verlang ik naar u,

u bent de God die leven geeft.

Wanneer zal ik weer bij u zijn?

4Dag en nacht ben ik verdrietig,

ik kan alleen nog maar huilen.

En steeds weer vragen mijn vijanden mij:

‘Waar is nu je God?’

Waarom ben ik zo bedroefd?

5Lang geleden liep ik mee met iedereen,

op weg naar de tempel van God.

We juichten en we zongen,

we vierden allemaal feest.

Daar denk ik aan terug,

daar verlang ik naar.

6Waarom ben ik zo bedroefd,

waarom zo onrustig van binnen?

Ik moet op God vertrouwen.

Eens zal ik hem weer danken.

Hij zal mij redden,

hij is mijn God.

7Ik ben diep bedroefd.

En ik denk aan God,

hier bij de bronnen van de Jordaan,

hoog in de bergen in het noorden,

ver van Jeruzalem.

8Overal om mij heen is water.

Overal hoor ik water stromen,

met veel geweld komt het omlaag.

Ik voel me door God verlaten.

Waarom vergeet de Heer mij?

9Eens zal de Heer mij weer zijn liefde geven!

Dan zal ik dag en nacht voor hem zingen,

ik zal bidden tot de God die mij leven geeft.

10Maar nu vraag ik aan God,

de God die mij beschermt:

Waarom vergeet u mij?

Waarom onderdrukken mijn vijanden mij

en loop ik rond in sombere kleren?

11Mijn vijanden lachen me uit,

het doet pijn tot in mijn botten.

En steeds weer zeggen ze:

‘Waar is nu je God?’

12Waarom ben ik zo bedroefd,

waarom zo onrustig van binnen?

Ik moet op God vertrouwen.

Eens zal ik hem weer danken.

Hij zal mij redden,

hij is mijn God.