Bijbel in Gewone Taal (BGT)
38

Psalm 38

381Een lied van David. Een gebed om hulp.

Heer, straf mij niet langer

2Heer, straf mij niet langer,

ook al bent u boos.

Doe me niet langer pijn,

ook al bent u woedend.

3Uw hand heeft mij geslagen,

u hebt mij hard geraakt.

4Overal heb ik pijn,

mijn hele lichaam is ziek.

U bent woedend op mij,

want ik heb veel fout gedaan.

5Mijn zonden zijn te groot,

ze zijn te zwaar voor mij.

6Ik heb dom en dwaas geleefd.

Daarom ben ik ziek,

mijn wonden stinken en rotten.

7Ik loop krom, met mijn hoofd omlaag.

Elke dag weer draag ik sombere kleren.

8Overal heb ik pijn,

en ook van binnen ben ik ziek.

9Ik kan niet meer, ik ben doodmoe.

Mijn hart bonst hevig,

ik schreeuw het uit van angst!

Ik heb geen kracht meer

10Heer, u weet wat ik nodig heb,

u kent mijn verdriet.

11Mijn hart bonst hevig,

ik heb geen kracht meer,

ik zie niets meer.

12Mijn vrienden zien hoe ik lijd,

maar ze komen niet bij me.

Zelfs mijn familie blijft weg.

13Mijn vijanden willen me grijpen en doden,

ze maken me bang.

Mijn vijanden vertellen leugens,

elke dag weer.

14Maar ik zeg niets,

ik doe alsof ik niet kan spreken.

Ik wil niet naar ze luisteren.

15Ik doe alsof ik doof ben,

en ik verdedig me niet.

Heer, laat mij niet alleen

16Ik vertrouw op u, Heer.

U zult mij antwoord geven, God.

17Ik wil niet dat mijn vijanden om mij lachen,

ik wil niet dat ze vrolijk zijn omdat ik val.

18Ik kan bijna niet meer staan,

en ik heb voortdurend pijn.

19Ik wil zeggen wat ik verkeerd gedaan heb,

anders vind ik geen rust.

20Ik heb heel veel vijanden,

maar ik weet niet waarom ze mij haten.

21Ik wil goed doen, maar zij zijn tegen mij.

Voor mijn goedheid krijg ik ellende terug.

22Mijn God, blijf niet ver weg van mij.

Heer, laat mij niet alleen.

23U kunt mij redden, Heer,

kom snel en help mij!

39

Psalm 39

391Een lied van David. Voor Jedutun, de zangleider.

Ik kan niet langer zwijgen

2Ik dacht: Ik moet me inhouden.

Ik zal mijn mond niet opendoen,

want ik wil geen verkeerde dingen zeggen.

Ik wil niet meedoen met slechte mensen.

3En ik was stil, ik zei geen woord.

Ik zweeg, maar ik bleef ongelukkig.

Ik hield het bijna niet meer uit.

4Het was alsof ik in brand stond,

mijn gedachten leken wel vlammen.

En toen begon ik toch te spreken.

5Ik zei: ‘Heer, zeg me wanneer ik zal sterven.

Ik wil weten hoe lang ik nog leven moet,

vertel me wanneer mijn leven voorbij is.

6-7U hebt al bepaald dat het kort zal zijn.

Voor u is mijn leven niets,

het verdwijnt zo snel als een schaduw.

Het bestaan van een mens is zinloos.

Mensen maken zich druk, maar het leidt tot niets.

Als ze sterven, zijn ze alles kwijt.

8Heer, is er nog hoop voor mij?

Ik kan alleen op u vertrouwen.

9Vergeef me wat ik fout gedaan heb.

Laat slechte mensen mij niet uitlachen.’

Laat mij niet langer lijden

10Eerst wilde ik niet spreken,

want u gaf mij deze pijn.

11Maar nu vraag ik u:

Laat mij niet langer lijden.

U straft mij zo streng dat ik bijna sterf.

12U straft mensen voor hun fouten,

ze raken alles kwijt.

Een mens betekent niets voor u.

13Heer, hoor mijn gebed.

Hoor hoe ik om hulp roep,

hoor hoe ik huil.

Ik ben maar kort op aarde,

net zoals mijn voorouders.

Ik ben hier niet voor altijd.

14Laat mij daarom nu met rust.

Dan beleef ik misschien nog wat geluk,

voordat ik sterf en voorgoed verdwijn.

40

Psalm 40

401Een lied van David. Voor de zangleider.

De Heer heeft mij gered

2Ik wachtte op hulp van de Heer,

en hij heeft naar mij geluisterd.

Hij heeft mijn gebed gehoord.

3Ik dacht dat ik zou sterven,

maar hij haalde mij uit de ellende.

Hij redde mij van de dood,

hij bracht mij naar een veilige plek.

Ik kan weer leven zonder angst.

4Daarom zing ik een nieuw lied,

een danklied voor hem, onze God.

Alle mensen moeten horen dat hij mij heeft gered.

Dan krijgen ze eerbied voor de Heer,

dan zullen ze op hem vertrouwen.

5Gelukkig zijn mensen die op de Heer vertrouwen.

Ze gaan niet om met trotse mensen

die geloven in andere goden.

Ik wil vertellen over Gods wonderen

6Heer, mijn God, u zorgt voor uw volk,

u hebt veel wonderen voor hen gedaan.

Niemand is zo machtig als u.

Ik wil erover spreken,

ik wil het allemaal vertellen.

Het is meer dan ik kan zeggen.

7U vraagt mij niet om offers,

maar u wilt dat ik naar u luister.

8Daarom zeg ik: Hier ben ik,

de woorden in uw boek gaan over mij.

9Ik wil doen wat u van mij wilt,

uw wet staat in mijn hart geschreven.

10Ik wil over uw goedheid vertellen

aan alle mensen van uw volk.

Ik kan niet anders,

ik moet erover spreken.

Dat weet u, Heer.

11Ik zal niet zwijgen over uw goedheid,

ik zal spreken over uw trouw en uw hulp,

ik zal vertellen over uw trouw en uw liefde.

12Heer, u zult bij mij zijn met uw liefde,

uw liefde en uw trouw zullen mij altijd beschermen.

Ik vraag de Heer om hulp

13Overal om mij heen is ellende,

te veel om op te noemen.

Mijn zonden maken me bang,

ze laten me niet met rust.

Ik heb zo veel verkeerd gedaan

dat ik geen moed meer heb.

14Heer, kom mij redden!

Kom snel en help mij, Heer.

15Houd al mijn vijanden tegen,

want ze willen mij kwaad doen.

Straf ze, jaag ze weg,

want ze willen mij doden!

16Zorg dat ze zwijgen,

want ze lachen om mijn ellende.

17Maar geef vreugde aan mensen die bij u willen zijn.

Laat ze op u vertrouwen en steeds weer zeggen:

‘De Heer is machtig!’

18Ik ben ongelukkig en alleen.

Heer, vergeet mij niet!

U zult mij helpen,

bij u ben ik veilig.

Mijn God, wacht niet langer!