Bijbel in Gewone Taal (BGT)
139

Psalm 139

1391Een lied van David. Voor de zangleider.

God, u weet alles van mij

Heer, u weet alles van mij,

u kent mij.

2U weet waar ik ben,

en u weet waar ik heen ga.

U weet wat ik denk,

ook al bent u ver weg.

3U ziet me als ik thuis ben

en u ziet me onderweg.

U ziet alles wat ik doe.

4Voordat ik mijn mond opendoe,

weet u al wat ik wil zeggen.

5U bent voor mij en achter mij,

u bent om mij heen.

Uw hand houdt me vast.

6Ik vind het een wonder

dat u mij zo goed kent.

Ik kan het niet begrijpen.

God, u weet waar ik ben

7Waar kan ik heen gaan

zonder dat u het merkt?

Waar kan ik heen vluchten

zonder dat u mij ziet?

8Ik kan wel naar de hemel klimmen,

maar dan bent u daar.

Ik kan wel afdalen

naar het land van de dood,

maar daar bent u ook.

9Ik kan naar de plaats gaan waar de zon opkomt.

Ik kan naar de plaats gaan waar de zon ondergaat.

10Maar ook daar zal uw hand mij leiden,

ook daar houdt uw hand mij vast.

11Ik kan wel willen

dat het donker wordt,

zodat u mij niet ziet.

Ik kan wel willen

dat de dag verandert in nacht.

12Maar voor u is het donker niet donker.

Voor u is de nacht net zo licht als de dag.

De duisternis lijkt op het licht.

God, u hebt mij gemaakt

13U maakte mij in de buik van mijn moeder.

Elk deel van mijn lichaam hebt u gevormd.

14Ik dank u daarvoor.

Want het is een wonder,

zoals ik gemaakt ben.

Alles wat u maakt, is een wonder.

Dat weet ik heel goed.

15U hebt me al gezien

toen ik in het geheim gemaakt werd.

U hebt me al gezien

toen ik diep in de aarde ontstond.

16Toen mijn lichaam nog geen vorm had,

zag u mij al.

Nog voordat ik werd geboren,

wist u alles al van mij.

En u schreef het in uw boek.

17God, uw gedachten kan ik niet begrijpen,

ze zijn te moeilijk voor mij.

18Ik probeer uw gedachten te tellen,

maar het zijn er zo veel,

meer dan er zand is bij de zee.

Ik ben dicht bij u,

elke ochtend weer.

God, blijf bij me

19Bescherm mij tegen slechte mensen, God,

laat ze voorgoed verdwijnen.

Moordenaars zijn het!

20Ze spreken kwaad over u,

ze vertellen leugens over u.

Het zijn uw vijanden.

21Met hen wil ik niet omgaan, Heer.

Zij kunnen mijn vrienden niet zijn,

want ze verzetten zich tegen u.

22Ik wil ze nooit meer zien.

Uw vijanden zijn ook mijn vijanden.

23God, ik wil dat u alles van mij weet,

ik wil dat u weet wie ik ben.

Kijk in mijn hart,

onderzoek al mijn gedachten.

24Kijk of ik leef zoals u dat wilt,

en leid me op de weg die u wijst.

140

Psalm 140

1401Een lied van David. Voor de zangleider.

Heer, bevrijd mij van slechte mensen

2Heer, bevrijd mij van mensen die kwaad doen,

bescherm me tegen hun geweld.

3Ze bedenken slechte plannen,

en altijd willen ze vechten.

4Ze vallen me aan met hun woorden,

ze zijn zo gevaarlijk als giftige slangen.

5-6Heer, bescherm mij tegen die slechte mensen,

bescherm mij tegen hun geweld.

Ze denken dat ze sterker zijn dan ik.

Ze jagen op mij,

ze proberen me te vangen.

Ze willen mij in de val laten lopen,

ze willen me doden.

Straf mijn vijanden, Heer

7Heer, u bent mijn God.

Luister naar mijn gebed!

8Heer, mijn God, u bent machtig.

U zult mij redden,

u zult me verdedigen tegen mijn vijanden.

9Heer, laat ze hun zin niet krijgen.

Laat hun plannen mislukken,

laat ze niet overwinnen!

10Mijn vijanden staan om mij heen

en wensen me ellende toe.

Laat ze zelf ongelukkig worden!

11Tref hen met het vuur van uw bliksem,

laat ze sterven en nooit meer opstaan.

12Jaag alle leugenaars weg van de aarde.

Straf slechte mensen met hun eigen kwaad,

laat dat kwaad hen vernietigen.

De Heer helpt arme mensen

13Dit weet ik:

De Heer helpt arme mensen,

hij verdedigt mensen zonder macht.

14Goede mensen zullen voor hem zingen,

zij mogen altijd bij hem zijn.

141

Psalm 141

1411Een lied van David.

Heer, luister naar mijn gebed

Heer, tot u bid ik.

Kom snel en help mij!

Ik roep naar u,

luister naar mijn gebed.

2Laat mijn woorden opstijgen als wierook,

als de geur van een offer in de avond.

Heer, bescherm mij

3Heer, wees bij mij als ik ga spreken,

help me om niets verkeerds te zeggen.

4Zorg dat ik geen kwaad doe,

dat ik niet meedoe met slechte mensen.

Zorg dat ik hun vriend niet word,

dat ik niet meedoe met hun feesten.

5Als goede mensen mij straffen en slaan,

dan is dat alleen maar goed voor mij.

En als slechte mensen me kwaad doen,

dan blijf ik voor hen bidden.

6Ik zal hen blijven troosten,

ook al worden hun leiders gestraft met de dood.

Heer, red mij van de dood

7-8Heer, mijn God,

er is niets meer over van uw volk.

We zijn verspreid over de aarde,

we sterven bijna.

Maar ik kijk omhoog naar u,

ik zoek hulp bij u.

Laat mij niet sterven!

9Bescherm mij tegen slechte mensen.

Ze jagen op mij,

ze willen me in de val laten lopen.

10Zorg dat ze zelf gegrepen worden,

en laat mij ontsnappen.