Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Spreuken over slecht leven

281Slechte mensen vertrouwen niemand,

maar goede mensen voelen zich altijd veilig.

2Als een volk in opstand komt, willen veel mensen het land leiden,

maar alleen iemand die wijs is, kan voor echte vrede zorgen.

3Iemand die arm geworden is en dan zelf de armen onderdrukt,

is erger dan harde regen die de oogst vernielt.

4Mensen die niet leven volgens de wet, houden van slechte mensen,

maar mensen die aan de wet gehoorzaam zijn, haten hen.

5Slechte mensen begrijpen niet wat goed en eerlijk is,

maar mensen die de Heer dienen, weten dat heel goed.

Spreuken over eerlijkheid en rijkdom

6Je kunt beter arm zijn en eerlijk,

dan rijk en oneerlijk.

7Als je je houdt aan wat je geleerd hebt, ben je verstandig.

Als je omgaat met slechte mensen, doe je je ouders verdriet.

8Als je op een oneerlijke manier steeds rijker wordt,

gaat je geld uiteindelijk naar mensen die goed zijn voor de armen.

9Als je je niet houdt aan de wet,

luistert de Heer niet naar je gebed.

10Als je goede mensen verleidt om kwaad te doen,

treft dat kwaad jezelf.

Maar als je goed en eerlijk leeft, zul je gelukkig worden.

11Rijke mensen denken dat ze heel wijs zijn,

maar arme mensen met inzicht weten dat dat niet zo is.

12Goede heersers maken het volk gelukkig,

maar slechte heersers maken het volk bang.

13Als je je fouten niet toegeeft, krijg je ellende,

maar als je echt spijt hebt, krijg je vergeving.

14Het zal goed gaan met mensen die eerbied hebben voor de Heer,

maar het loopt slecht af met mensen die niet doen wat hij wil.

Spreuken over slechte heersers

15Een slechte heerser die zwakke mensen onderdrukt,

is net zo gevaarlijk als een brullende leeuw of een hongerige beer.

16Een dwaze heerser onderdrukt zijn volk.

Een rechtvaardige heerser zal lang regeren.

Spreuken over goed en eerlijk leven

17Iemand die een ander vermoord heeft, zal zelf willen sterven.

Houd hem dan niet tegen.

18Als je goed en eerlijk leeft, zul je veilig zijn,

maar als je slecht leeft, zal het verkeerd met je aflopen.

19Als je hard werkt op je akker, heb je genoeg te eten,

maar als je zinloze dingen doet, word je arm.

20Eerlijke mensen zullen een gelukkig leven hebben,

maar mensen die snel rijk willen zijn, worden gestraft.

21Je moet de één niet meer geven dan de ander,

ook niet in ruil voor een klein geschenk.

22Mensen die gierig zijn, willen steeds rijker worden.

Ze weten niet dat ze uiteindelijk juist arm worden.

23Je krijgt meer respect als je eerlijke kritiek geeft,

dan wanneer je alleen maar aardig doet.

24Als je steelt van je ouders en denkt: Dat kan best,

dan ben je net zo slecht als een moordenaar.

25Mensen die gierig zijn, veroorzaken ruzie.

Mensen die vertrouwen op de Heer, worden rijk.

26Als je alleen op jezelf vertrouwt, ben je een dwaas,

maar als je op wijsheid vertrouwt, ben je altijd veilig.

27Als je arme mensen geld geeft, zul je het altijd goed hebben,

maar als je hun voorbijloopt, krijg je ellende.

28Als er slechte heersers zijn, verbergen goede mensen zich,

maar als die heersers sterven, komen de goede mensen aan de macht.

29

Spreuken over goed leven

291Als je vaak gewaarschuwd bent en toch eigenwijs blijft,

zul je plotseling sterven, en niemand kan dat tegenhouden.

2Goede heersers maken het volk gelukkig,

maar slechte heersers maken het volk ongelukkig.

3Wijze mensen geven hun ouders vreugde,

maar mannen die omgaan met hoeren, doen hun ouders verdriet.

Zij maken al het geld van hun ouders op.

4Een goede en eerlijke koning maakt zijn land sterk,

maar een oneerlijke koning maakt zijn land kapot.

Spreuken over dwaas en slecht leven

5Als je alleen maar aardig bent voor iemand,

ben je niet eerlijk en bedrieg je hem.

6Slechte mensen komen in gevaar door hun eigen kwaad.

Goede mensen zullen juichen en vrolijk zijn.

7Goede mensen verdedigen arme mensen,

maar slechte mensen laten arme mensen in de steek.

8Ruziezoekers maken een stad onrustig,

maar wijze mensen zorgen voor rust.

9Wijze mensen moeten niet met dwaze mensen in discussie gaan,

want die zullen alleen maar schreeuwen en dom lachen.

10Moordenaars haten mensen die eerlijk zijn,

maar goede mensen beschermen eerlijke mensen juist.

11Dwaze mensen worden meteen woedend,

maar wijze mensen blijven altijd rustig.

12Als een heerser luistert naar leugens,

worden ook zijn dienaren onbetrouwbaar.

13De Heer geeft het leven aan iedereen,

aan arme mensen en aan mensen die armen onderdrukken.

14Een koning die zwakke mensen eerlijk behandelt,

blijft altijd aan de macht.

Spreuken over straffen

15Als kinderen straf krijgen, worden ze wijs.

Maar als kinderen niet gestraft worden,

zullen hun ouders zich later voor hen schamen.

16Als er slechte leiders zijn, komt er steeds meer misdaad.

Maar die leiders zullen gestraft worden,

en dan zijn goede mensen blij.

17Als je je kinderen straft,

zullen ze je later vreugde geven.

En dan hoef je geen zorgen om hen te hebben.

18Als er geen profeten zijn, gaan de mensen slecht leven.

Als mensen zich aan de wet houden, worden ze gelukkig.

Spreuken over slaven

19Je maakt een slaaf niet gehoorzaam door met hem te praten.

Hij hoort je misschien wel, maar hij verandert zijn gedrag niet.

20Er is meer hoop voor dwaze mensen,

dan voor mensen die altijd meteen beginnen te praten.

21Als je een slaaf verwent vanaf zijn jeugd,

zal hij later brutaal worden.

Spreuken over slechte mensen

22Mensen die snel boos worden,

beledigen vaak anderen en zorgen voor veel ruzie.

23Mensen die zichzelf geweldig vinden, zullen het moeilijk hebben,

maar mensen die bescheiden zijn, krijgen respect.

24Mensen die dieven helpen, brengen zichzelf in de problemen.

Ze weten dat ze gestraft zullen worden,

maar toch zwijgen ze over de dieven.

Spreuken over vertrouwen op de Heer

25Je hoeft niet bang te zijn voor andere mensen.

Vertrouw op de Heer, dan ben je veilig.

26Iedereen vertrouwt op de koning,

maar je kunt beter op de Heer vertrouwen,

want hij is rechtvaardig.

27Goede mensen haten slechte mensen,

en slechte mensen haten goede mensen.

30

De woorden van Agur

Agur weet niets van God

301Hier volgen de woorden van Agur, de zoon van Jake. Dit heeft hij gezegd:

‘Ik ben moe, mijn God,

ik ben doodmoe, ik kan niet meer.

2Ik heb geen verstand,

niemand is zo dom als ik.

3Wijsheid heb ik nooit geleerd,

ik weet niets van u, heilige God.

4Er is nog nooit een mens naar de hemel geklommen,

of weer uit de hemel naar beneden gekomen.

Er is geen mens die de wind met zijn handen kan vangen,

of de zee kan vasthouden in zijn jas.

En geen mens kan de grenzen van de aarde bepalen.

Als er toch iemand is die dat kan,

dan wil ik hem leren kennen,

dan wil ik alles van hem weten!

5God, u beschermt iedereen die u om hulp vraagt.

Alles wat u zegt, is waar.

6Niemand mag uw woorden veranderen.

Anders straft u hem, omdat hij liegt.

Twee vragen aan God

7God, ik vraag u twee dingen,

geef ze mij voordat ik sterf:

8Help me om altijd eerlijk te zijn,

en geef me precies wat ik nodig heb.

Ik wil niet arm zijn, maar ook niet rijk.

9Want als ik rijk was, zou ik misschien zeggen:

‘Ik ken de Heer niet, ik heb hem niet nodig.’

En als ik arm was, dan zou ik gaan stelen,

en door te stelen, zou ik u beledigen.’

Nog meer spreuken

Spreuken over kwaadspreken

10Zeg nooit slechte dingen over een slaaf tegen zijn meester,

want dan wordt die slaaf woedend, en zal hij jou vervloeken.

11Er zijn mensen die slechte dingen zeggen over hun vader,

en nooit iets goeds over hun moeder vertellen.

12Er zijn mensen die denken dat ze goed leven,

maar toch heel slecht zijn.

13Er zijn mensen die zichzelf geweldig vinden,

en geen respect hebben voor anderen.

14Er zijn mensen die alleen maar kwaadspreken,

hun tong lijkt wel een scherp zwaard.

Ze maken arme mensen kapot,

zwakke mensen vernietigen ze.

Spreuken over hebberigheid

15Een hebberig mens kent maar twee woorden:

‘meer’ en ‘meer’.

Er zijn dingen die nooit ophouden:

16Het land van de dood raakt nooit vol,

een onvruchtbare vrouw verlangt altijd naar kinderen,

een droge akker heeft nooit genoeg water,

en een vuur wil altijd blijven branden.

Een spreuk over ongehoorzaamheid

17Kinderen die hun vader belachelijk maken

of ongehoorzaam zijn aan hun moeder,

zullen gestraft worden.

Raven zullen hun ogen uitpikken,

en gieren zullen die opeten.

Een spreuk over wonderlijke dingen

18Sommige dingen zijn heel wonderlijk,

ik kan ze niet begrijpen:

19hoe een adelaar hoog aan de hemel vliegt,

hoe een slang over de rotsen glijdt,

hoe een schip zijn weg vindt op zee,

en hoe een man verliefd wordt op een vrouw.

Een spreuk over een ontrouwe vrouw

20Zo herken je een vrouw die vreemdgaat:

Ze gaat naar bed met een man, en wast zich daarna.

En dan zegt ze: ‘Ik heb niets verkeerds gedaan.’

Ze vindt vreemdgaan net zo gewoon als eten.

Een spreuk over de omgekeerde wereld

21Er zijn een paar dingen die niemand verdraagt,

omdat ze de omgekeerde wereld zijn:

22een slaaf die koning wordt,

een dwaas die genoeg te eten heeft,

23een slechte vrouw die trouwt met een goede man,

en een slavin die belangrijker wordt dan haar meesteres.

Spreuken over slimme en trotse dieren

24Vier dieren op aarde zijn heel klein, maar ook heel slim:

25Het eerste dier is de mier.

Mieren lijken zwak,

maar in de zomer verzamelen ze al eten voor de winter.

26Het tweede dier is de klipdas.

Klipdassen zijn niet sterk,

maar toch wonen ze tussen de rotsen.

27Het derde dier is de sprinkhaan.

Sprinkhanen hebben geen koning,

maar toch kunnen ze aanvallen alsof ze een leger zijn.

28Het vierde dier is de hagedis.

Hagedissen kun je met je handen vangen,

maar ze komen zelfs binnen in prachtige paleizen.

29Er zijn een paar dieren die heel trots lopen:

30De leeuw, de koning van de dieren,

die voor niets en niemand bang is.

31En de trotse haan, en de bok.

Ze lijken op een koning die trots voor zijn leger uit loopt.

Een spreuk over opscheppen

32Het is dom om op te scheppen over jezelf.

Doe het niet, houd je in!

Want je weet hoe het afloopt als je te lang met iets doorgaat:

33Als je melk lang schudt, wordt het boter.

Als je iemand op zijn neus slaat, gaat die bloeden.

En als je iemand slaat die boos is, komt er ruzie.