Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Kijk eerst naar je eigen fouten

71Veroordeel andere mensen niet, dan zal God jou ook niet veroordelen. 2Want zoals jij kritiek hebt op andere mensen, zo zal God kritiek hebben op jou. En God zal jou beoordelen zoals jij andere mensen beoordeelt.

3-5Jullie letten goed op de fouten van anderen. Maar je eigen fouten zie je niet. Het is alsof je een splinter ziet in het oog van een ander, maar niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit. Je zegt tegen die ander: ‘Kom, ik haal die splinter wel even uit je oog.’ Doe niet zo schijnheilig! Haal eerst die balk uit je eigen oog. Dan kun je zelf weer goed zien. En pas dan kun je de splinter uit het oog van de ander halen.

6Vertel het goede nieuws niet aan mensen die niets met God te maken willen hebben. Je geeft varkens toch ook geen parels te eten? Nee, de varkens zouden die parels kapottrappen, en zich dan omdraaien en jou opvreten.

Als je iets vraagt, zul je het krijgen

7Als je iets vraagt, zul je het krijgen. Als je iets zoekt, zul je het vinden. Als je op de deur klopt, wordt er voor je opengedaan. 8Want iedereen die om iets vraagt, zal het krijgen. En iedereen die iets zoekt, zal het vinden. En voor iedereen die klopt, wordt de deur opengedaan.

9Niemand geeft zijn kind een steen als het om brood vraagt. 10Of een slang als het om een vis vraagt. 11Jullie zorgen goed voor je kinderen, ook al zijn jullie slechte mensen. Dan zal jullie hemelse Vader zeker goed voor jullie zorgen. Hij geeft goede dingen aan de mensen die dat aan hem vragen.

12Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden. Daar gaat het om in de wet en in de andere heilige boeken.

Ga door de smalle poort naar binnen

13-14Ga naar binnen door de smalle poort. Want door die smalle poort kom je bij het eeuwige leven. Het is een moeilijke weg, en het lukt maar weinig mensen om die weg te vinden. De meeste mensen kiezen de makkelijke weg, de weg met de brede poort. Dat is de weg naar de dood.

Je herkent mensen aan hun daden

15Pas op voor valse profeten. Ze lijken goed, maar ze zijn slecht. Ze lijken zo onschuldig als schapen, maar ze zijn zo gevaarlijk als wolven. 16-17Je kunt valse profeten herkennen aan hun slechte daden.

Het is net als met bomen. Je kunt geen druiven of vijgen plukken van een doornstruik. Een goede boom geeft goede vruchten, een slechte boom geeft slechte vruchten. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten geven, en een slechte boom kan geen goede vruchten geven. 19Alle bomen zonder goede vruchten worden omgehakt en in het vuur gegooid.

20Je kunt dus aan iemands daden zien of hij goed is of slecht.

Doe wat God wil

21Mensen die mij Heer noemen, komen niet vanzelf in Gods nieuwe wereld. Daar komen alleen de mensen die doen wat mijn hemelse Vader wil.

22Ik zal terugkomen om recht te spreken. Dan zullen veel mensen tegen mij zeggen: ‘Heer, bij alles wat we deden, hebben we uw naam genoemd. Toen we vertelden over Gods plannen, toen we kwade geesten wegjaagden, en toen we wonderen deden.’

23Maar dan zal ik tegen die mensen zeggen: ‘Ik ken jullie niet. Jullie hebben steeds weer dingen gedaan die God niet wil. Ik wil jullie niet meer zien!’

Doe wat Jezus vraagt

24Luister naar mijn woorden en doe wat ik vraag. Dan lijk je op een verstandige man, die zijn huis bouwt op stevige grond. 25Op een dag gaat het hard regenen en waaien. De rivieren stromen over, en de wind en het water slaan tegen het huis. Maar het huis blijft staan, want het is stevig gebouwd.

26Maar stel dat je wel naar mij luistert, maar niet doet wat ik vraag. Dan lijk je op een domme man, die zijn huis bouwt op zachte grond. 27Op een dag gaat het hard regenen en waaien. De rivieren stromen over, en de wind en het water slaan tegen het huis. Dat huis zakt in elkaar, er blijft niets van over.’

De woorden van Jezus maken indruk

28-29Dat is wat Jezus tegen de mensen zei. Zijn woorden maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren.

8

81Toen kwam Jezus van de berg naar beneden. Een grote groep mensen ging met hem mee.

Jezus maakt zieke mensen beter

Jezus maakt een zieke man beter

2Er kwam een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’

3Jezus raakte de man aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg. 4Jezus zei tegen de man: ‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

Een Romeinse officier vraagt om hulp

5Jezus ging naar Kafarnaüm. Daar kwam een Romeinse officier bij hem. Hij vroeg Jezus om hulp. 6Hij zei: ‘Heer, mijn zoon kan niet lopen en heeft erge pijn. Hij ligt thuis op bed.’ 7Jezus zei: ‘Ik zal met je meegaan en hem beter maken.’

8Maar de officier zei: ‘Heer, kom alstublieft niet naar mijn huis, want dat ben ik niet waard. U hoeft alleen maar te zeggen dat mijn zoon beter moet worden. Dan zal dat gebeuren. 9Want ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen een soldaat zeg: ‘Je moet gaan,’ dan gaat hij. En als ik zeg: ‘Je moet komen,’ dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg: ‘Doe dit,’ dan doet hij het.’

Jezus is verbaasd

10Toen Jezus hoorde wat de officier zei, was hij verbaasd. Hij zei tegen de mensen die met hem meegingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Zo’n groot geloof heb ik in heel Israël nog niet gezien!

11Mensen uit alle landen zullen in Gods nieuwe wereld komen. Ze zullen er feestvieren met Abraham, Isaak en Jakob. 12Maar er zullen ook mensen zijn die niet naar binnen mogen. Ook al was de nieuwe wereld wel voor hen bedoeld. Ze worden weggestuurd naar de donkerste plaats. Daar huilen ze van ellende en spijt.’

13Daarna zei Jezus tegen de officier: ‘Ga maar rustig naar huis. Je geloofde dat je zoon beter zou worden. Dat zal ook gebeuren.’ Precies op dat moment werd de jongen beter.

Jezus maakt zieken beter

14-15Jezus ging naar het huis van Petrus. Daar lag de schoonmoeder van Petrus met koorts in bed. Jezus zag haar en raakte haar hand aan. Meteen had de vrouw geen koorts meer. Ze stond op en ging eten klaarmaken voor Jezus.

16’s Avonds laat werden er zieke mensen bij Jezus gebracht, en ook veel mensen die een kwade geest in zich hadden. Jezus zei tegen de kwade geesten dat ze weg moesten gaan, en hij maakte alle zieken beter.

17Dat moest zo gebeuren, want de profeet Jesaja heeft gezegd: «Hij neemt alle ziektes en alle pijn van ons weg.»

Het is moeilijk om Jezus te volgen

18Toen Jezus alle mensen om zich heen zag staan, zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’

19Een wetsleraar kwam naar Jezus toe en zei: ‘Meester, ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 20Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

21Eén van de leerlingen zei: ‘Heer, ik wil met u meegaan. Maar mag ik eerst nog mijn vader begraven?’ 22Maar Jezus zei: ‘Ga met mij mee, en laat de doden maar voor elkaar zorgen.’

Jezus heeft macht over wind en water

23Daarna stapte Jezus in de boot. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 24Opeens begon de grond onder het meer te bewegen. De golven werden zo hoog dat de boot bijna onder water verdween. Maar Jezus lag te slapen in de boot.

25De leerlingen gingen naar hem toe en maakten hem wakker. Ze riepen: ‘Heer, red ons! We verdrinken!’ 26Jezus zei: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Is jullie geloof dan zo klein?’

Jezus ging staan, en hij sprak streng tegen de wind en het water. Toen werd het water helemaal rustig.

27De leerlingen waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wat is dit voor iemand?’

Jezus jaagt kwade geesten weg

28Jezus en de leerlingen gingen naar de overkant van het meer. Daar was het gebied van de Gadarenen.

Er kwamen twee mannen op Jezus af. Ze kwamen tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Het waren mannen met een kwade geest. Ze waren erg gevaarlijk. Niemand kon daar zomaar langslopen.

29De kwade geesten schreeuwden tegen Jezus: ‘Jij daar, Zoon van God! Ben je gekomen om ons pijn te doen? Laat ons met rust! De tijd van onze straf is toch nog niet begonnen?’

30Een eind verderop liep een grote groep varkens. 31De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Als je ons wegjaagt, mogen we dan alsjeblieft in die varkens gaan?’ 32Jezus zei tegen hen: ‘Ga weg!’ De kwade geesten gingen weg uit de twee mannen en gingen in de varkens. Toen renden de varkens van de steile berg af, en vielen in het meer. Ze verdronken allemaal.

De mensen willen dat Jezus weggaat

33De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze gingen naar de stad. Daar vertelden ze wat er allemaal gebeurd was, en hoe het gegaan was met de kwade geesten. 34Alle mensen uit de stad gingen naar Jezus toe. Toen ze hem zagen, zeiden ze tegen hem: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’

9

Jezus heeft de macht om zonden te vergeven

91Jezus ging weer met de boot naar de overkant van het meer. Hij ging naar zijn woonplaats Kafarnaüm. 2Er kwamen daar een paar mensen bij hem met een draagbed waar een man op lag. De man kon niet lopen. Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Maak je geen zorgen. Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’

3Een paar wetsleraren dachten bij zichzelf: Jezus beledigt God! 4Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Jullie moeten niet zulke slechte dingen denken. 5Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ 6Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’

Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ 7De man stond op en liep naar huis.

8Alle mensen zagen het en waren diep onder de indruk. Ze dankten God, die zo veel macht aan mensen geeft.

Jezus gaat om met slechte mensen

9Jezus ging weer verder. Onderweg zag hij een man zitten bij het tolhuis. Hij heette Matteüs. Jezus zei tegen hem: ‘Kom, ga met mij mee.’ Matteüs stond op en ging met Jezus mee.

10Later waren Jezus en zijn leerlingen bij Matteüs thuis om te eten. Daar kwamen ook veel tollenaars en allerlei slechte mensen. En die aten mee. 11Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen de leerlingen: ‘Jullie meester hoort niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’

12-13Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Maar ik ben gekomen om aan slechte mensen het goede nieuws te vertellen.

Denk eens goed na over deze woorden van God: «Ik wil geen offers, maar ik wil dat jullie goed voor elkaar zijn.»’

Gasten op een bruiloft vasten niet

14De leerlingen van Johannes de Doper kwamen bij Jezus. Ze zeiden tegen hem: ‘Wij hebben speciale dagen om God te eren. Op die dagen vasten we. De farizeeën doen dat ook. Waarom doen uw leerlingen dat niet?’

15Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft zijn de gasten vrolijk, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen zijn ook vrolijk, zolang ik bij hen ben. Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

16Jezus zei ook: ‘Een oude jas met een scheur erin moet je niet herstellen met een nieuwe lap stof. Want als die nieuwe stof gaat krimpen, scheurt je jas nog verder kapot. 17En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan zijn je wijnzakken kapot en stroomt de wijn weg. Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken. Dan blijven de wijnzakken en de wijn goed.’

Een man vraagt Jezus om hulp

18Terwijl Jezus nog aan het praten was, kwam er een man naar hem toe. Hij was een leider van de synagoge. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Mijn dochter is net gestorven. Kom alstublieft mee en leg uw hand op haar. Dan zal ze weer levend worden.’ 19Jezus stond op en ging met hem mee, samen met de leerlingen.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

20Toen kwam er een vrouw aan die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. Ze kwam dichterbij totdat ze vlak achter Jezus was. En ze raakte de rand van zijn jas aan. 21Want ze dacht: Om beter te worden hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken.

22Jezus draaide zich om. Hij zag de vrouw en zei tegen haar: ‘Maak je geen zorgen. Je bent beter geworden dankzij je geloof.’ Vanaf dat moment was de vrouw beter.

Jezus maakt een meisje weer levend

23-24Jezus kwam bij het huis van de man die hem om hulp gevraagd had. Binnen stond een grote groep mensen te huilen, en er werd treurige muziek gemaakt. Toen Jezus het zag, zei hij: ‘Allemaal naar buiten! Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’ De mensen lachten hem uit.

25Toen iedereen weggestuurd was, ging Jezus naar het meisje toe. Hij pakte haar hand vast, en het meisje stond op.

26Het verhaal over het meisje werd bekend in het hele land.

Jezus maakt twee blinde mensen beter

27Toen Jezus weer verderging, kwamen er twee blinde mensen aan. Ze liepen met hem mee en riepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 28Toen Jezus een huis binnenging, kwamen de twee blinden naar hem toe. Jezus vroeg aan hen: ‘Geloven jullie dat ik je kan helpen?’ Zij antwoordden: ‘Ja, Heer!’

29Jezus raakte hun ogen aan en zei: ‘Jullie geloven dat ik je kan helpen. Dat zal ook gebeuren.’ 30Toen konden de blinden zien.

Jezus waarschuwde hen. Hij zei: ‘Denk erom, niemand mag weten wat er gebeurd is.’ 31Maar toen ze weggingen, vertelden ze het toch. Het nieuws over Jezus werd bekend in het hele land.

Jezus jaagt een kwade geest weg

32Toen Jezus en de leerlingen weer verdergingen, werd er een man bij Jezus gebracht. Hij had een kwade geest in zich, en daardoor kon hij niet praten. 33Jezus jaagde de kwade geest uit de man weg. Toen kon de man praten.

Alle mensen die het zagen, waren verbaasd. Ze zeiden: ‘Zoiets is in Israël nog nooit gebeurd!’ 34Maar de farizeeën zeiden: ‘Jezus krijgt hulp van Satan, de leider van de kwade geesten. Daardoor kan hij kwade geesten wegjagen.’

Jezus heeft medelijden met de mensen

35Jezus reisde rond. Hij ging naar alle steden en dorpen. In de synagogen gaf hij de mensen uitleg over God. Hij vertelde hun het goede nieuws over de nieuwe wereld. En hij maakte iedereen beter die ziek was of pijn had.

36Toen Jezus al die mensen zag, kreeg hij medelijden met hen. Hij dacht: Die mensen hebben het moeilijk. Niemand helpt hen. Ze lijken op schapen zonder herder.

37Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. 38Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.’