Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

81Toen kwam Jezus van de berg naar beneden. Een grote groep mensen ging met hem mee.

Jezus maakt zieke mensen beter

Jezus maakt een zieke man beter

2Er kwam een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’

3Jezus raakte de man aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg. 4Jezus zei tegen de man: ‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

Een Romeinse officier vraagt om hulp

5Jezus ging naar Kafarnaüm. Daar kwam een Romeinse officier bij hem. Hij vroeg Jezus om hulp. 6Hij zei: ‘Heer, mijn zoon kan niet lopen en heeft erge pijn. Hij ligt thuis op bed.’ 7Jezus zei: ‘Ik zal met je meegaan en hem beter maken.’

8Maar de officier zei: ‘Heer, kom alstublieft niet naar mijn huis, want dat ben ik niet waard. U hoeft alleen maar te zeggen dat mijn zoon beter moet worden. Dan zal dat gebeuren. 9Want ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen een soldaat zeg: ‘Je moet gaan,’ dan gaat hij. En als ik zeg: ‘Je moet komen,’ dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg: ‘Doe dit,’ dan doet hij het.’

Jezus is verbaasd

10Toen Jezus hoorde wat de officier zei, was hij verbaasd. Hij zei tegen de mensen die met hem meegingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Zo’n groot geloof heb ik in heel Israël nog niet gezien!

11Mensen uit alle landen zullen in Gods nieuwe wereld komen. Ze zullen er feestvieren met Abraham, Isaak en Jakob. 12Maar er zullen ook mensen zijn die niet naar binnen mogen. Ook al was de nieuwe wereld wel voor hen bedoeld. Ze worden weggestuurd naar de donkerste plaats. Daar huilen ze van ellende en spijt.’

13Daarna zei Jezus tegen de officier: ‘Ga maar rustig naar huis. Je geloofde dat je zoon beter zou worden. Dat zal ook gebeuren.’ Precies op dat moment werd de jongen beter.

Jezus maakt zieken beter

14-15Jezus ging naar het huis van Petrus. Daar lag de schoonmoeder van Petrus met koorts in bed. Jezus zag haar en raakte haar hand aan. Meteen had de vrouw geen koorts meer. Ze stond op en ging eten klaarmaken voor Jezus.

16’s Avonds laat werden er zieke mensen bij Jezus gebracht, en ook veel mensen die een kwade geest in zich hadden. Jezus zei tegen de kwade geesten dat ze weg moesten gaan, en hij maakte alle zieken beter.

17Dat moest zo gebeuren, want de profeet Jesaja heeft gezegd: «Hij neemt alle ziektes en alle pijn van ons weg.»

Het is moeilijk om Jezus te volgen

18Toen Jezus alle mensen om zich heen zag staan, zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’

19Een wetsleraar kwam naar Jezus toe en zei: ‘Meester, ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 20Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

21Eén van de leerlingen zei: ‘Heer, ik wil met u meegaan. Maar mag ik eerst nog mijn vader begraven?’ 22Maar Jezus zei: ‘Ga met mij mee, en laat de doden maar voor elkaar zorgen.’

Jezus heeft macht over wind en water

23Daarna stapte Jezus in de boot. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 24Opeens begon de grond onder het meer te bewegen. De golven werden zo hoog dat de boot bijna onder water verdween. Maar Jezus lag te slapen in de boot.

25De leerlingen gingen naar hem toe en maakten hem wakker. Ze riepen: ‘Heer, red ons! We verdrinken!’ 26Jezus zei: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Is jullie geloof dan zo klein?’

Jezus ging staan, en hij sprak streng tegen de wind en het water. Toen werd het water helemaal rustig.

27De leerlingen waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wat is dit voor iemand?’

Jezus jaagt kwade geesten weg

28Jezus en de leerlingen gingen naar de overkant van het meer. Daar was het gebied van de Gadarenen.

Er kwamen twee mannen op Jezus af. Ze kwamen tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Het waren mannen met een kwade geest. Ze waren erg gevaarlijk. Niemand kon daar zomaar langslopen.

29De kwade geesten schreeuwden tegen Jezus: ‘Jij daar, Zoon van God! Ben je gekomen om ons pijn te doen? Laat ons met rust! De tijd van onze straf is toch nog niet begonnen?’

30Een eind verderop liep een grote groep varkens. 31De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Als je ons wegjaagt, mogen we dan alsjeblieft in die varkens gaan?’ 32Jezus zei tegen hen: ‘Ga weg!’ De kwade geesten gingen weg uit de twee mannen en gingen in de varkens. Toen renden de varkens van de steile berg af, en vielen in het meer. Ze verdronken allemaal.

De mensen willen dat Jezus weggaat

33De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze gingen naar de stad. Daar vertelden ze wat er allemaal gebeurd was, en hoe het gegaan was met de kwade geesten. 34Alle mensen uit de stad gingen naar Jezus toe. Toen ze hem zagen, zeiden ze tegen hem: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’

9

Jezus heeft de macht om zonden te vergeven

91Jezus ging weer met de boot naar de overkant van het meer. Hij ging naar zijn woonplaats Kafarnaüm. 2Er kwamen daar een paar mensen bij hem met een draagbed waar een man op lag. De man kon niet lopen. Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Maak je geen zorgen. Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’

3Een paar wetsleraren dachten bij zichzelf: Jezus beledigt God! 4Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Jullie moeten niet zulke slechte dingen denken. 5Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ 6Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’

Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ 7De man stond op en liep naar huis.

8Alle mensen zagen het en waren diep onder de indruk. Ze dankten God, die zo veel macht aan mensen geeft.

Jezus gaat om met slechte mensen

9Jezus ging weer verder. Onderweg zag hij een man zitten bij het tolhuis. Hij heette Matteüs. Jezus zei tegen hem: ‘Kom, ga met mij mee.’ Matteüs stond op en ging met Jezus mee.

10Later waren Jezus en zijn leerlingen bij Matteüs thuis om te eten. Daar kwamen ook veel tollenaars en allerlei slechte mensen. En die aten mee. 11Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen de leerlingen: ‘Jullie meester hoort niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’

12-13Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Maar ik ben gekomen om aan slechte mensen het goede nieuws te vertellen.

Denk eens goed na over deze woorden van God: «Ik wil geen offers, maar ik wil dat jullie goed voor elkaar zijn.»’

Gasten op een bruiloft vasten niet

14De leerlingen van Johannes de Doper kwamen bij Jezus. Ze zeiden tegen hem: ‘Wij hebben speciale dagen om God te eren. Op die dagen vasten we. De farizeeën doen dat ook. Waarom doen uw leerlingen dat niet?’

15Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft zijn de gasten vrolijk, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen zijn ook vrolijk, zolang ik bij hen ben. Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

16Jezus zei ook: ‘Een oude jas met een scheur erin moet je niet herstellen met een nieuwe lap stof. Want als die nieuwe stof gaat krimpen, scheurt je jas nog verder kapot. 17En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan zijn je wijnzakken kapot en stroomt de wijn weg. Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken. Dan blijven de wijnzakken en de wijn goed.’

Een man vraagt Jezus om hulp

18Terwijl Jezus nog aan het praten was, kwam er een man naar hem toe. Hij was een leider van de synagoge. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Mijn dochter is net gestorven. Kom alstublieft mee en leg uw hand op haar. Dan zal ze weer levend worden.’ 19Jezus stond op en ging met hem mee, samen met de leerlingen.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

20Toen kwam er een vrouw aan die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. Ze kwam dichterbij totdat ze vlak achter Jezus was. En ze raakte de rand van zijn jas aan. 21Want ze dacht: Om beter te worden hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken.

22Jezus draaide zich om. Hij zag de vrouw en zei tegen haar: ‘Maak je geen zorgen. Je bent beter geworden dankzij je geloof.’ Vanaf dat moment was de vrouw beter.

Jezus maakt een meisje weer levend

23-24Jezus kwam bij het huis van de man die hem om hulp gevraagd had. Binnen stond een grote groep mensen te huilen, en er werd treurige muziek gemaakt. Toen Jezus het zag, zei hij: ‘Allemaal naar buiten! Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’ De mensen lachten hem uit.

25Toen iedereen weggestuurd was, ging Jezus naar het meisje toe. Hij pakte haar hand vast, en het meisje stond op.

26Het verhaal over het meisje werd bekend in het hele land.

Jezus maakt twee blinde mensen beter

27Toen Jezus weer verderging, kwamen er twee blinde mensen aan. Ze liepen met hem mee en riepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 28Toen Jezus een huis binnenging, kwamen de twee blinden naar hem toe. Jezus vroeg aan hen: ‘Geloven jullie dat ik je kan helpen?’ Zij antwoordden: ‘Ja, Heer!’

29Jezus raakte hun ogen aan en zei: ‘Jullie geloven dat ik je kan helpen. Dat zal ook gebeuren.’ 30Toen konden de blinden zien.

Jezus waarschuwde hen. Hij zei: ‘Denk erom, niemand mag weten wat er gebeurd is.’ 31Maar toen ze weggingen, vertelden ze het toch. Het nieuws over Jezus werd bekend in het hele land.

Jezus jaagt een kwade geest weg

32Toen Jezus en de leerlingen weer verdergingen, werd er een man bij Jezus gebracht. Hij had een kwade geest in zich, en daardoor kon hij niet praten. 33Jezus jaagde de kwade geest uit de man weg. Toen kon de man praten.

Alle mensen die het zagen, waren verbaasd. Ze zeiden: ‘Zoiets is in Israël nog nooit gebeurd!’ 34Maar de farizeeën zeiden: ‘Jezus krijgt hulp van Satan, de leider van de kwade geesten. Daardoor kan hij kwade geesten wegjagen.’

Jezus heeft medelijden met de mensen

35Jezus reisde rond. Hij ging naar alle steden en dorpen. In de synagogen gaf hij de mensen uitleg over God. Hij vertelde hun het goede nieuws over de nieuwe wereld. En hij maakte iedereen beter die ziek was of pijn had.

36Toen Jezus al die mensen zag, kreeg hij medelijden met hen. Hij dacht: Die mensen hebben het moeilijk. Niemand helpt hen. Ze lijken op schapen zonder herder.

37Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. 38Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.’

10

Opdracht voor de leerlingen

Jezus roept de leerlingen bij zich

101Jezus riep de twaalf leerlingen bij zich. Hij gaf hun de macht om kwade geesten weg te jagen. En om iedereen beter te maken die ziek was of pijn had.

2Nu volgen de namen van de twaalf leerlingen. Om te beginnen Simon, die ook Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. 3Verder Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs, de tollenaar, en Jakobus, de zoon van Alfeüs. Ten slotte Taddeüs, 4Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

5Jezus wilde de twaalf leerlingen op weg sturen. Hij vertelde hun wat ze moesten doen. Hij zei: ‘Jullie moeten niet naar de ongelovigen gaan, en ook niet naar de steden van de Samaritanen. 6Nee, jullie moeten naar de mensen van Israël gaan, want zij zijn net verdwaalde schapen. 7Overal waar je komt, moet je het goede nieuws vertellen en zeggen: ‘Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

8Maak zieke mensen beter en maak dode mensen weer levend. Maak mensen met een huidziekte beter en jaag kwade geesten weg. Jullie krijgen die macht van God. Help daarmee andere mensen en vraag er niets voor terug.

9Neem geen geld aan van de mensen. Geen groot bedrag maar ook geen kleingeld. 10Neem ook geen tas mee, geen extra kleren, geen schoenen en geen stok. Je krijgt wel wat je nodig hebt, want jullie werken hard.’

De leerlingen krijgen een opdracht

11Jezus zei verder: ‘Als je in een stad of een dorp komt, zoek dan iemand die bij mij wil horen. Daar moet je blijven totdat je weer verder reist. 12Als je een huis binnenkomt, wens dan de mensen die er wonen, vrede toe. 13Als ze bij mij willen horen, dan zullen ze die vrede krijgen. Maar als ze niet bij mij willen horen, dan krijgen ze die vrede niet.

14Maar stel dat je ergens niet wordt binnengelaten, of dat mensen niet naar je luisteren. Dan moet je weggaan bij dat huis en uit die stad. Je moet dan zelfs het stof van je voeten vegen. 15Luister goed naar mijn woorden: Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij die stad zwaar straffen. Nog zwaarder dan Sodom en Gomorra.

Jezus waarschuwt zijn leerlingen

16Ik stuur jullie op weg, maar het zal gevaarlijk zijn voor jullie. Net zo gevaarlijk als het voor schapen is om tussen wolven te lopen. Wees daarom zo voorzichtig als een slang. Maar wees tegelijk zo onschuldig als een duif.

17-18Pas op voor de mensen! Want omdat jullie bij mij horen, zullen jullie naar de rechtbank gebracht worden. En in de synagoge zullen jullie met de zweep geslagen worden. En jullie zullen bij bestuurders en koningen gebracht worden. Daar moeten jullie het goede nieuws vertellen. Want alle volken moeten het horen.

19Stel dat jullie gevangengenomen worden. Maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen, of hoe je het moet zeggen. Want op dat moment zal God je de juiste woorden geven. 20Want je spreekt dan niet zelf, maar de Geest van jullie Vader spreekt dan door jullie mond.

Jezus vertelt wat er zal gebeuren

21Mensen zullen hun eigen broer aangeven om hem te laten doden. En vaders zullen hun kinderen aangeven. Kinderen worden vijanden van hun ouders. Ze zullen hun ouders zelfs laten doden. 22En omdat jullie bij mij horen, zal iedereen jullie behandelen als vijanden. Maar als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.

23Als jullie het moeilijk hebben in de ene stad, vlucht dan naar een volgende stad. Luister goed naar mijn woorden: Nog voordat jullie in alle steden van Israël geweest zijn, zal de Mensenzoon terugkomen.

Jezus en de leerlingen horen bij elkaar

24Een leerling is niet belangrijker dan zijn leraar. En een slaaf is niet belangrijker dan zijn meester. 25Een goede leerling wil op zijn leraar lijken. En een goede slaaf wil lijken op zijn meester.

Ik ben jullie leraar en jullie meester. Sommige mensen zeggen dat ik de duivel ben. Dan begrijp je wel hoe ze over jullie denken!

De leerlingen moeten niet bang zijn

26Wees niet bang voor mensen die slechte dingen over jullie zeggen. Want alles wat verborgen is, zal zichtbaar worden. En alles wat geheim is, zal bekend worden. 27Alles wat ik jullie vertel, is nu nog geheim. Ik vertel het alleen aan jullie. Maar jullie moeten ervoor zorgen dat het overal bekend wordt. En dat iedereen het hoort.

28Jullie moeten niet bang zijn voor de mensen. Ze kunnen wel je lichaam doden, maar niet je ziel. Je moet alleen bang zijn voor God, want hij kan iemand met lichaam en ziel vernietigen in de hel.

29Mussen kosten bijna niets, je hebt er al twee voor een paar cent. Toch valt er dankzij de macht van God, jullie Vader, geen mus zomaar dood op de grond. 30God weet zelfs hoeveel haren je op je hoofd hebt. 31Je hoeft dus niet bang te zijn. Jullie zijn voor God veel belangrijker dan mussen.

32Jullie moeten aan de mensen vertellen dat je bij mij hoort. Dan zal ik ook tegen mijn hemelse Vader zeggen dat jullie bij mij horen. 33Maar stel dat jullie tegen de mensen zeggen: ‘Ik ken Jezus niet.’ Dan zal ik ook tegen mijn hemelse Vader zeggen dat ik jullie niet ken.

Jezus brengt geen vrede

34Denk niet dat ik vrede kom brengen op aarde. Nee, ik breng geen vrede, maar vijandschap. 35-36Want de mensen die bij mij horen, zullen door hun eigen familie behandeld worden als vijanden. Zo komt er ruzie tussen vaders en zonen, tussen moeders en dochters, en tussen schoonmoeders en schoondochters.

37Als je meer van je vader of je moeder houdt dan van mij, dan kun je niet bij mij horen. Ook als je meer van je zoon of je dochter houdt dan van mij, kun je niet bij mij horen. 38Je kunt alleen bij mij horen als je met mij meegaat en samen met mij lijdt. 39Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.

God beloont mensen die goed zijn voor de gelovigen

40Iedereen die jullie met open armen ontvangt, die ontvangt mij. En niet alleen mij, maar ook God, die mij gestuurd heeft.

41Stel dat iemand een profeet ontvangt omdat een profeet bij God hoort. Dan krijgt hij van God dezelfde beloning als een profeet. Stel dat iemand een goed mens ontvangt omdat een goed mens bij God hoort. Dan krijgt hij van God dezelfde beloning als een goed mens.

42En luister goed naar mijn woorden: Stel dat iemand een beker koud water geeft aan een gelovige omdat die gelovige bij mij hoort. Dan krijgt hij zeker een beloning van God.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]