Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

261Dat waren de dingen die Jezus zei.

Jezus wordt gevangengenomen

Het plan om Jezus te doden

Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: 2‘Jullie weten dat het Paasfeest bijna begint. Dan zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan mensen die hem aan het kruis zullen hangen.’

3Intussen kwamen de priesters en de leiders van het volk bij elkaar in het paleis van Kajafas, de hogepriester. 4Ze maakten een plan om Jezus in het geheim gevangen te nemen en te doden. 5‘Maar dat moeten we niet midden op het feest doen,’ zeiden ze. ‘Anders komt het volk in opstand.’

Een vrouw giet olie over Jezus’ hoofd

6Jezus was in Betanië. Hij was op bezoek bij Simon, die Simon met de Huidziekte genoemd werd. 7Tijdens het eten kwam er een vrouw bij Jezus. Ze had een flesje bij zich met heel dure olie. En ze goot die olie over Jezus’ hoofd.

8De leerlingen zagen het en werden boos. Ze riepen: ‘Zonde van die olie! 9We hadden die olie voor veel geld kunnen verkopen. Dan hadden we dat geld aan arme mensen kunnen geven!’

De vrouw heeft iets goeds gedaan

10Jezus hoorde wat de leerlingen tegen de vrouw zeiden. Hij zei: ‘Doe niet zo boos tegen haar. Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 11Arme mensen zullen er altijd zijn, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 12Deze vrouw heeft mij verzorgd met olie. Daardoor is mijn lichaam klaar om begraven te worden.

13Luister goed naar mijn woorden: Als het goede nieuws verteld wordt, zal er ook over deze vrouw verteld worden. Overal in de wereld zullen de mensen horen wat zij gedaan heeft.’

Judas helpt de priesters

14Eén van de twaalf leerlingen ging naar de priesters toe. Het was Judas Iskariot. 15Hij zei: ‘Ik kan jullie helpen om Jezus gevangen te nemen. Wat krijg ik daarvoor?’ De priesters gaven hem 30 zilveren munten.

16Vanaf dat moment dacht Judas erover na hoe Jezus gevangengenomen kon worden.

De paasmaaltijd wordt klaargemaakt

17Het was de eerste dag van het Joodse Paasfeest. De leerlingen kwamen bij Jezus en vroegen: ‘Waar zullen we de paasmaaltijd voor u gaan klaarmaken?’

18Jezus noemde de naam van iemand in Jeruzalem. De leerlingen moesten naar hem toe gaan en tegen hem zeggen: ‘Onze meester zegt dat het einde van zijn leven dichtbij gekomen is. Hij wil in uw huis de paasmaaltijd eten met zijn leerlingen.’

19De leerlingen deden wat Jezus tegen hen gezegd had, en ze maakten de paasmaaltijd klaar.

Eén leerling gaat Jezus uitleveren

20’s Avonds gingen Jezus en de twaalf leerlingen samen eten. 21Onder het eten zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren.’ 22De leerlingen werden heel verdrietig en ze vroegen allemaal aan Jezus: ‘Ben ik het? Nee toch, Heer!’

23Jezus antwoordde: ‘Eén van jullie nam net iets uit de schaal, tegelijk met mij. Dat is de man die mij zal uitleveren. 24De Mensenzoon zal sterven. Dat wordt al verteld in de heilige boeken. Maar wat een ramp zal dat zijn voor de man die mij uitlevert! Die man had beter niet geboren kunnen worden.’

25Judas, de man die Jezus ging uitleveren, zei: ‘Ben ik het, meester? Nee toch!’ Jezus zei tegen hem: ‘Je zegt het zelf.’

Jezus deelt brood en wijn uit

26Tijdens het eten nam Jezus een brood. Hij dankte God, brak het brood in stukken en deelde het uit. Hij zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam. Eet ervan.’

27Daarna nam hij een beker wijn. Hij dankte God en liet de beker rondgaan. Hij zei: ‘Drink allemaal uit deze beker. 28Want dit is mijn bloed. Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen veel mensen gered worden, want hun zonden worden vergeven. Dat heeft God beloofd.’

29Jezus zei ook: ‘Luister naar mijn woorden: Vanaf nu zal ik geen wijn meer drinken. Ik zal pas weer wijn drinken als ik samen met jullie in de nieuwe wereld van mijn Vader ben.’ 30Toen zongen Jezus en zijn leerlingen een lied om God te danken. Daarna gingen ze op weg naar de Olijfberg.

De leerlingen zullen Jezus in de steek laten

31Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Vannacht zullen jullie mij allemaal in de steek laten. Want God zegt in de heilige boeken: «Ik zal de herder doden, en de schapen van zijn kudde zullen alle kanten op rennen.» 32Maar luister goed: Ik zal opstaan uit de dood. En dan ga ik naar Galilea, en daar zullen jullie mij zien.’

33Toen zei Petrus: ‘Misschien zullen alle anderen u in de steek laten. Maar ik zal u nooit in de steek laten!’ 34Jezus antwoordde: ‘Luister goed, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat gebeurt vannacht, nog voordat de haan gekraaid heeft.’

35Maar Petrus zei: ‘Ik laat u niet in de steek! Als het moet, wil ik zelfs samen met u sterven.’ En alle andere leerlingen zeiden hetzelfde als Petrus.

Jezus bidt in Getsemane

36Jezus ging met de leerlingen naar een plek die Getsemane heette. Hij zei tegen de leerlingen: ‘Ik ga daar verderop bidden. Blijf hier wachten tot ik terugkom.’ 37Jezus nam Petrus mee, en de broers Jakobus en Johannes. Jezus werd verdrietig en bang. 38Hij zei: ‘Ik houd het niet meer uit van verdriet. Blijven jullie maar hier en blijf wakker, net als ik.’

39Jezus liep nog een klein stukje verder. Hij knielde op de grond en begon te bidden: ‘Mijn Vader, als het kan, zeg dan dat ik niet hoef te lijden. Maar doe alleen wat u wilt, niet wat ik wil.’

40Jezus ging terug naar de drie leerlingen. Ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Kunnen jullie niet eens een uur wakker blijven voor mij? 41Blijf toch wakker! Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt. Want jullie willen wel het goede kiezen, maar jullie zijn zwak.’

Jezus bidt opnieuw

42Jezus ging voor de tweede keer bidden. Hij zei: ‘Mijn Vader, als het niet anders kan, dan zal ik het lijden dragen. Wat u wilt, moet gebeuren.’ 43Toen hij terugkwam, lagen de leerlingen alweer te slapen. Ze konden hun ogen niet openhouden.

44Jezus liet hen daar liggen. Hij ging nog een keer bidden. En voor de derde keer zei hij dezelfde woorden. 45Toen hij terugkwam bij de leerlingen, zei hij: ‘Liggen jullie nu nog steeds rustig te slapen? Het moment is bijna gekomen dat de Mensenzoon uitgeleverd wordt aan slechte mensen.’

Judas komt eraan

46Jezus zei: ‘Kom, we moeten gaan. De man die mij gaat uitleveren, is dichtbij.’ 47-48Terwijl Jezus dat zei, kwam Judas eraan, de man die Jezus ging uitleveren. Hij was één van de leerlingen. Hij had een grote groep mannen bij zich met zwaarden en stokken. Ze waren gestuurd door de priesters en de leiders van het volk.

Judas had van tevoren met die mannen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Ik zal één man groeten met een kus. Dat is de man die jullie gevangen moeten nemen.’

Jezus wordt gevangengenomen

49Judas liep recht op Jezus af. Hij zei: ‘Dag, meester!’ En hij groette hem met een kus. 50Jezus zei tegen hem: ‘Zo, vriend. Hier ben je dus voor gekomen.’ Toen grepen de mannen Jezus vast en ze namen hem gevangen.

51Eén van de leerlingen van Jezus pakte zijn zwaard. Hij raakte daarmee de knecht van de hogepriester, en sloeg zijn oor eraf. 52Maar Jezus zei: ‘Doe je zwaard weg! Want iedereen die geweld gebruikt, zal door geweld sterven. 53Je weet toch dat ik mijn Vader om hulp kan vragen? Dan zou hij mij meteen een enorm leger van engelen sturen. 54Maar dan gebeurt er niet wat er moet gebeuren. Het moet namelijk precies zo gaan als al verteld wordt in de heilige boeken.’

55Toen zei Jezus tegen de mannen die hem gevangennamen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! Elke dag zat ik in de tempel om de mensen uitleg te geven over God. Maar toen hebben jullie mij niet gevangengenomen. 56Toch moet het allemaal zo gebeuren, want zo wordt het al verteld in de heilige boeken van de profeten.’

Toen vluchtten alle leerlingen weg. Ze lieten Jezus in de steek.

Jezus komt bij de hogepriester

57De mannen die Jezus gegrepen hadden, brachten hem bij Kajafas, de hogepriester. Daar waren ook de wetsleraren en de leiders van het volk bij elkaar gekomen.

58Petrus liep op een afstand achter Jezus aan. Hij kwam op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de knechten zitten om te zien wat er verder zou gebeuren.

Jezus wordt vals beschuldigd

59De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk zochten een valse beschuldiging tegen Jezus. Want dan konden ze hem laten doden. 60Er werden wel veel valse beschuldigingen tegen Jezus uitgesproken. Maar er was geen beschuldiging bij die ze konden gebruiken.

Toen kwamen er twee mannen naar voren. 61Ze zeiden: ‘Wij hebben Jezus iets horen zeggen over de tempel. Hij zei: ‘Ik kan de tempel van God afbreken en binnen drie dagen weer opbouwen.’’

62De hogepriester stond op. Hij zei tegen Jezus: ‘Waarom reageert u niet? U hoort toch wat die mensen over u zeggen?’ 63Maar Jezus zei niets.

Jezus is de Mensenzoon

Toen zei de hogepriester tegen Jezus: ‘Zo zeker als God leeft, geef antwoord! Bent u de messias, de Zoon van God?’ 64Jezus zei: ‘U zegt het zelf. En ik zeg jullie dit: Ik ben de Mensenzoon. Vanaf nu zullen jullie mij naast God zien zitten, aan de rechterkant. En jullie zullen mij uit de hemel zien terugkomen op de wolken.’

65Toen de hogepriester dat hoorde, scheurde hij zijn priestermantel doormidden. Hij zei: ‘Deze man beledigt God. We hebben geen verklaringen meer nodig. Jullie hebben nu allemaal gehoord dat hij God beledigde. 66Wat is jullie oordeel?’ Ze antwoordden: ‘Hij is schuldig en moet gedood worden.’

67Toen begonnen ze Jezus in zijn gezicht te spugen en hem te slaan. Terwijl ze dat deden, 68zeiden ze: ‘Hé messias, voorspel eens wie jou gaat slaan!’

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

69Petrus zat nog steeds op de binnenplaats. Er kwam een meisje naar hem toe dat daar werkte. Ze zei: ‘Jij hoort ook bij die Jezus uit Galilea!’ 70Maar Petrus riep: ‘Welnee! Ik heb geen idee waar je het over hebt!’ Iedereen hoorde het.

71Petrus liep weg naar de poort. Maar daar werd hij door een ander meisje herkend. Ze zei tegen de mensen die daar stonden: ‘Hij hoort bij Jezus uit Nazaret.’ 72En weer zei Petrus: ‘Welnee! God weet dat ik die man niet eens ken.’

73Maar even later zeiden een paar andere mensen: ‘We weten zeker dat jij bij Jezus hoort. Iedereen kan horen dat jij ook uit Galilea komt.’ 74Toen begon Petrus te vloeken en hij riep: ‘God weet dat ik die man niet ken!’ Meteen daarna kraaide er een haan.

75Petrus dacht terug aan wat Jezus gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Vannacht, nog voordat de haan kraait.’

Toen liep Petrus weg, en hij huilde.

27

Jezus komt bij Pilatus

271Toen het ochtend geworden was, namen alle priesters en leiders van het volk een besluit. Ze besloten dat Jezus gedood moest worden. 2Ze lieten hem vastbinden, namen hem mee en brachten hem bij Pilatus, de Romeinse bestuurder.

Judas pleegt zelfmoord

3Judas, de man die Jezus uitgeleverd had, hoorde over het besluit om Jezus te doden. Toen kreeg hij spijt van wat hij gedaan had. Hij bracht de 30 zilveren munten terug naar de priesters en de leiders van het volk. 4Hij zei: ‘Ik heb iets slechts gedaan! Ik heb iemand uitgeleverd die onschuldig is. En nu wordt hij gedood!’ Maar de priesters en de leiders zeiden: ‘Dat is niet ons probleem. Zoek dat zelf maar uit.’

5Toen gooide Judas de zilveren munten in de tempel en ging weg. Daarna maakte hij een eind aan zijn leven door zich op te hangen.

Het geld wordt gebruikt

6De priesters pakten de zilveren munten en zeiden: ‘Het is geld waar bloed aan zit! Dat mogen we niet in de geldkist van de tempel doen.’ 7Ze besloten om van het geld een stuk land te kopen, dat het Land van de Pottenbakker heette. Dat land werd daarna gebruikt als begraafplaats voor vreemdelingen. 8Het wordt nu het Bloedland genoemd.

9Zo gebeurde er wat al door de profeet Jeremia gezegd was: «Ze pakten de 30 zilveren munten. Dat was het bedrag dat de mannen van Israël bepaald hadden. Zo veel vonden ze hem waard. 10En van dat geld kochten ze het land van de pottenbakker. Dat is wat ik moest zeggen van de Heer.»

Pilatus stelt vragen aan Jezus

11Jezus stond voor Pilatus, de bestuurder van de stad. Pilatus vroeg aan hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het zelf.’

12De priesters en de leiders van het volk beschuldigden Jezus van allerlei slechte dingen. Maar Jezus zei niets terug. 13Daarom zei Pilatus tegen Jezus: ‘Zij vertellen allerlei slechte dingen over u. Waarom zegt u niets terug?’ 14Maar Jezus gaf nergens antwoord op. Pilatus was daar erg verbaasd over.

De mensen kiezen Barabbas

15Op het Joodse Paasfeest liet Pilatus altijd één gevangene vrij. Het volk mocht iemand kiezen. 16Op dat moment zat er iemand in de gevangenis die Jezus Barabbas heette. Het was een bekende gevangene. 17Pilatus vroeg aan de mensen die bij hem gekomen waren: ‘Wie moet ik vrijlaten? Jezus Barabbas of Jezus die de messias genoemd wordt?’

18Pilatus wist precies waarom de priesters en de leiders Jezus bij hem gebracht hadden. Dat was omdat ze jaloers waren op Jezus.

19Pilatus zat klaar om een beslissing te nemen. Op dat moment kwam er een bericht van zijn vrouw: ‘Pas op! Bemoei je niet met die man, want hij is onschuldig! Ik heb vannacht een vreselijke droom gehad, die met hem te maken had.’

20Maar de priesters en de leiders zeiden tegen de mensen: ‘Jullie moeten zeggen dat Barabbas vrijgelaten moet worden en dat Jezus gedood moet worden.’ Dat deden de mensen. 21Toen vroeg Pilatus nog een keer: ‘Wie van de twee moet ik vrijlaten?’ De mensen riepen: ‘Barabbas!’ 22Pilatus zei: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de messias genoemd wordt?’ De mensen riepen allemaal: ‘Hij moet aan het kruis!’

Pilatus doet wat de mensen willen

23Toen zei Pilatus: ‘Maar hij heeft toch niets verkeerds gedaan?’ Maar de mensen begonnen nog harder te roepen: ‘Hij moet aan het kruis!’

24Pilatus merkte dat de dingen die hij zei, niet hielpen. Het volk leek juist in opstand te komen. Daarom pakte hij wat water en waste zijn handen. Iedereen zag wat hij deed. Toen zei hij: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Jullie zijn verantwoordelijk.’ 25Toen gaf het hele volk dit antwoord: ‘Ja, zijn dood is de zaak van ons en onze kinderen.’

26Toen liet Pilatus Barabbas vrij. Maar hij gaf opdracht om Jezus met de zweep te slaan. Daarna gaf hij hem aan zijn soldaten, om hem aan het kruis te hangen.

De soldaten bespotten Jezus

27De soldaten brachten Jezus naar het paleis van Pilatus. Ze riepen iedereen erbij. 28Toen trokken ze Jezus zijn kleren uit en deden hem een rode mantel aan. 29Ze maakten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. En ze gaven hem een stok in zijn rechterhand. Ze knielden voor hem en zeiden spottend: ‘Wij groeten u, koning van de Joden!’

30Ze spuugden hem in zijn gezicht. En ze pakten de stok en sloegen ermee op zijn hoofd.

31Zo bespotten de soldaten Jezus. Daarna trokken ze hem de mantel weer uit, en ze trokken hem zijn eigen kleren weer aan.

Jezus wordt aan het kruis gehangen

Toen brachten de soldaten Jezus weg om hem aan het kruis te hangen. 32Toen ze de stad uit gingen, kwamen ze een man tegen. Hij heette Simon en kwam uit Cyrene. De soldaten dwongen hem om het kruis te dragen.

33Ze kwamen bij de plaats die Golgota heet. Die naam betekent: schedelplaats. 34Daar gaven ze Jezus wijn met een bittere smaak. Toen hij het proefde, wilde hij het niet opdrinken.

35Toen hingen de soldaten Jezus aan het kruis. Daarna verdeelden ze zijn kleren door erom te loten. 36Ze bleven bij het kruis om Jezus te bewaken.

37Boven Jezus’ hoofd hingen ze een bordje. Daar stond op waarom Jezus gedood werd: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden.’

38Daarna werden er ook twee andere mannen aan een kruis gehangen, twee misdadigers. Het kruis van Jezus stond tussen de twee andere kruisen in.

De mensen bespotten Jezus

39De mensen die voorbijkwamen, lachten Jezus uit. Ze schudden spottend hun hoofd 40en riepen: ‘Daar hangt de man die de tempel wilde afbreken. En die binnen drie dagen een nieuwe wilde bouwen. Red jezelf! Als je de Zoon van God bent, kom dan van dat kruis af!’

41De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk bespotten Jezus op dezelfde manier. Ze zeiden: 42‘Andere mensen heeft hij gered. Maar zichzelf redden, dat kan hij niet. Hij is toch de koning van Israël? Dan moet hij maar eens van dat kruis af komen! Dan zullen we in hem geloven. 43Hij vertrouwde toch op God? Hij zei zelfs dat hij Gods Zoon was! Als God echt van hem houdt, moet hij hem maar redden!’

44Ook de twee misdadigers die naast Jezus aan een kruis hingen, begonnen hem uit te schelden.

Jezus roept om God en sterft

45Om twaalf uur ’s middags werd het opeens donker in het hele land. Drie uur lang bleef het donker. 46Toen, om drie uur ’s middags, riep Jezus luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij alleen gelaten?’ 47De mensen die daar stonden, hoorden het. Sommigen zeiden: ‘Hij roept Elia!’

48Meteen pakte iemand een spons. Hij liet die vollopen met zure wijn. Toen deed hij de spons op een stok, en zo gaf hij Jezus te drinken. 49De anderen zeiden: ‘Nu zullen we eens zien of Elia hem komt redden.’

50Maar Jezus riep opnieuw. Toen stierf hij.

Er gebeuren bijzondere dingen

51Op hetzelfde moment gebeurde er iets in de tempel. Het gordijn voor de heilige zaal scheurde doormidden, van boven naar beneden.

De grond begon te schudden, de rotsen scheurden doormidden. 52De graven van de doden gingen open. En veel heilige mensen die gestorven waren, stonden op uit de dood. 53Na de opstanding van Jezus gingen ze naar de heilige stad Jeruzalem. Daar werden ze door veel mensen gezien.

54De Romeinse officier en de soldaten die Jezus bewaakten, voelden de grond schudden. Ze merkten wat er allemaal gebeurde. Ze werden erg bang en zeiden: ‘Geen twijfel mogelijk! Hij was de Zoon van God!’

55Een eind verderop stond een grote groep vrouwen te kijken. Ze waren met Jezus meegekomen uit Galilea. Ze hadden steeds voor hem gezorgd. 56Bij die groep hoorden Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Jakobus en Josef, en verder de moeder van Jakobus en Johannes.

Jezus wordt begraven

57Er was een rijke man die Josef heette en uit Arimatea kwam. Hij was ook een leerling van Jezus. Toen het avond was, 58ging hij naar Pilatus. Hij vroeg of hij het lichaam van Jezus mee mocht nemen. Pilatus gaf opdracht om het lichaam aan Josef te geven.

59Josef nam het lichaam van Jezus mee. Hij wikkelde het in een nieuwe, schone doek. 60Daarna legde hij het in een graf dat nog niet gebruikt was. Josef had dat graf voor zichzelf in een rots laten uithakken.

Josef rolde een grote steen voor de ingang van het graf. Toen ging hij weg. 61Maria uit Magdala en de andere Maria waren erbij. Ze zaten tegenover het graf.

Het graf wordt bewaakt

62De volgende dag was het sabbat. Een groep priesters en farizeeën ging naar Pilatus toe. 63Ze zeiden: ‘Heer, we willen u iets vragen. Toen die bedrieger Jezus nog leefde, heeft hij gezegd: ‘Drie dagen na mijn dood zal ik opstaan uit de dood.’ 64Wilt u daarom opdracht geven om het graf drie dagen lang te bewaken? Anders komen zijn leerlingen het lichaam stelen en dan zeggen ze tegen het volk: ‘Jezus is opgestaan uit de dood!’ En daarmee zullen ze het volk nog erger bedriegen dan Jezus al deed.’

65Pilatus antwoordde: ‘Jullie krijgen soldaten mee om het graf te bewaken. Doe verder zelf wat jullie nodig vinden.’

66De priesters en de farizeeën gingen naar het graf. Ze zorgden ervoor dat niemand het graf zomaar kon openmaken. En ze gaven de soldaten opdracht om voor het graf te blijven staan.

28

Jezus is opgestaan uit de dood

Een engel komt bij het graf

281De sabbat was voorbij. De volgende dag gingen Maria uit Magdala en de andere Maria bij het graf kijken. Het was nog vroeg, de zon kwam net op.

2Opeens was er een grote aardbeving. Er kwam een engel van de Heer uit de hemel naar beneden. Hij rolde de steen van het graf weg en ging erop zitten. 3Hij leek op het stralende licht van de bliksem. En zijn kleren waren zo wit als sneeuw.

4De soldaten die het graf moesten bewaken, beefden van angst en vielen op de grond. Het leek alsof ze dood waren.

De vrouwen horen dat Jezus is opgestaan

5De engel zei tegen de vrouwen: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus, die aan het kruis gestorven is. 6Maar hij is hier niet. Want hij is opgestaan uit de dood, zoals hij gezegd heeft. Kom maar kijken, hier heeft hij gelegen.

7Ga nu snel naar de leerlingen en zeg hun dat Jezus uit de dood is opgestaan. Vertel hun ook dat Jezus naar Galilea gaat. En dat ze hem daar zullen zien. Dat is wat ik tegen jullie moest zeggen.’

De vrouwen zien Jezus

8Snel gingen de vrouwen weg bij het graf. Ze waren geschrokken, maar ook ontzettend blij. Ze wilden zo snel mogelijk aan de leerlingen gaan vertellen wat er gebeurd was.

9Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet, en hij groette hen. De vrouwen liepen op hem af. Ze knielden voor hem en pakten zijn voeten vast. 10Jezus zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ga aan mijn vrienden vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze mij zien.’

De priesters verzinnen een verhaal

11De vrouwen gingen op weg naar de leerlingen. Intussen gingen een paar van de soldaten die het graf moesten bewaken, naar de stad. Ze vertelden alles wat er gebeurd was aan de priesters.

12Toen maakten de priesters en de leiders van het volk een plan. Ze besloten om de soldaten veel geld te geven. 13Ze zeiden tegen hen: ‘Jullie moeten vertellen dat de leerlingen het lichaam van Jezus gestolen hebben. Zeg maar dat ze ’s nachts gekomen zijn, terwijl jullie sliepen. 14Als Pilatus ervan hoort, gaan wij wel met hem praten. Wij zorgen ervoor dat jullie geen problemen krijgen.’ 15De soldaten namen het geld aan, en deden wat de priesters gezegd hadden.

Het verhaal dat de priesters bedacht hadden, wordt nog altijd bij de Joden verteld.

De leerlingen zien Jezus in Galilea

16De elf leerlingen gingen naar Galilea. Ze gingen naar de berg die Jezus genoemd had. 17Toen ze Jezus zagen, knielden ze voor hem. Maar sommige leerlingen twijfelden.

18Jezus kwam dichterbij en zei tegen de leerlingen: ‘God heeft mij alle macht gegeven, in de hemel en op de aarde. 19Jullie moeten naar alle volken gaan, zodat iedereen mijn leerling kan worden. Jullie moeten de mensen dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest.

20Leer de mensen om zich te houden aan alles wat ik jullie verteld heb. En vergeet nooit: ik ben altijd bij jullie, totdat de nieuwe wereld komt.’