Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Het voorbeeld van de arbeiders

201Jezus zei: ‘Dit voorbeeld leert je iets over Gods nieuwe wereld.

Er is een man die een wijngaard heeft. Vroeg in de ochtend gaat hij op weg. Hij zoekt arbeiders om in zijn wijngaard te werken. 2Hij spreekt een bedrag met hen af: het normale loon voor een dag werken. En hij stuurt ze naar zijn wijngaard.

3Later die ochtend gaat de eigenaar van de wijngaard weer op weg. Hij ziet mannen op straat die nog geen werk hebben. 4Hij zegt tegen hen: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken. Ik zal jullie een eerlijk loon geven.’ 5De mannen gaan aan het werk.

Om twaalf uur en om drie uur ’s middags gaat de man opnieuw op weg. Weer stuurt hij de mannen die hij tegenkomt, naar zijn wijngaard.

6Als de dag bijna om is, gaat de man nog één keer op weg. Weer ziet hij mannen op straat staan. Hij vraagt: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ 7De mannen antwoorden: ‘Niemand heeft ons vandaag werk gegeven.’ Dan zegt de man: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken.’

De arbeiders krijgen hun geld

8Als het avond is, zegt de eigenaar van de wijngaard tegen de man die zijn zaken regelt: ‘Roep alle arbeiders en geef ze hun loon. Betaal eerst de mannen die het laatst gekomen zijn. En als laatste de mannen die het eerst kwamen.’

9De mannen die maar kort gewerkt hebben, zijn dus het eerst aan de beurt. Zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 10De mannen die de hele dag gewerkt hebben, zijn het laatst aan de beurt. Zij denken: Wij zullen dan wel meer krijgen. Maar ook zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 11-12Met het geld in hun hand komen ze bij de eigenaar van de wijngaard. Ze zeggen: ‘Het is niet eerlijk! Die anderen hebben maar één uur gewerkt. Wij hebben de hele dag hard gewerkt in de hete zon. En nu krijgen zij evenveel als wij!’

13De eigenaar zegt tegen één van die mannen: ‘Beste vriend, ik heb jullie niet oneerlijk behandeld. We hadden toch het normale loon afgesproken? 14Ga rustig naar huis met je geld. Ik wilde de mannen die het laatst kwamen, net zo veel geven als jullie. 15Het is mijn geld. Ik mag ermee doen wat ik wil. Waarom zijn jullie jaloers als ik anderen goed behandel?’

16Zo zal het gaan in de nieuwe wereld. Mensen die nu het laatst komen, zullen dan vooropgaan. En mensen die nu het eerst komen, komen dan achteraan.’

Jezus gaat naar Jeruzalem

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

17Jezus was op weg naar Jeruzalem. Toen hij met de twaalf leerlingen alleen was, zei hij: 18‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. 19Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten, en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem aan het kruis hangen. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

De vraag van Jakobus en Johannes

20Toen kwam de moeder van Jakobus en Johannes bij Jezus, samen met haar twee zonen. Ze knielde voor Jezus en zei: ‘Mag ik u iets vragen?’ 21Jezus vroeg: ‘Wat wilt u vragen?’ Ze zei tegen hem: ‘Als u straks koning wordt, mogen mijn zonen dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’

22Jezus gaf antwoord aan Jakobus en Johannes. Hij zei: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’

23Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad, jullie zullen net als ik zwaar lijden. Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt mijn Vader.’

Niet heersen, maar dienen

24De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad op de twee broers.

25Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. 26Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. 27Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.

28Zo is het ook met de Mensenzoon. Ik ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’

Jezus maakt twee blinden beter

29Jezus en de leerlingen kwamen uit de stad Jericho. Een grote groep mensen liep met hen mee. 30Er zaten twee blinden langs de kant van de weg. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 31De mensen zeiden tegen hen: ‘Houd toch je mond!’ Maar ze begonnen juist nog harder te roepen: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’

32Jezus bleef staan en riep hen. Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ 33Ze antwoordden: ‘Heer, wij willen kunnen zien.’ 34Jezus had medelijden met hen. Hij raakte hun ogen aan en meteen konden ze zien. Daarna gingen ze met Jezus mee.

21

Twee leerlingen gaan ezels halen

211Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van Jeruzalem. Ze waren vlak bij het dorp Betfage bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit.

2Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar meteen twee ezels zien, een moeder met haar jong. Ze staan vastgebonden. Maak ze los en breng ze bij mij. 3Misschien vraagt er iemand wat jullie daar doen. Zeg dan: ‘De Heer heeft deze ezels nodig.’ Dan zullen ze de ezels meteen aan jullie meegeven.’

4Dat moest zo gebeuren, want één van de profeten heeft gezegd: 5«Luister, inwoners van Jeruzalem! Jullie koning komt eraan. Hij is vriendelijk. Hij rijdt op een ezelin en haar jong.»

Jezus rijdt Jeruzalem binnen

6De twee leerlingen gingen naar het dorp. Ze deden wat Jezus gezegd had. 7Ze brachten hem de ezelin en haar jong. Ze legden jassen op de rug van de ezels, en Jezus ging erop zitten.

8Veel mensen legden hun jas op de weg. Anderen haalden takken van de bomen en legden die op de weg. 9Ze liepen voor Jezus uit en achter hem aan, en ze riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de Zoon van David! Leve de man die door God gestuurd is! Alle eer aan God in de hemel!’

10Zo kwam Jezus in Jeruzalem aan. Iedereen in de stad praatte erover. De mensen vroegen zich af: ‘Wie is die man?’ 11De mensen die met Jezus meegegaan waren, zeiden: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.’

Jezus jaagt handelaars de tempel uit

12Jezus ging de tempel in. Daar zaten handelaars, die geld wisselden en duiven verkochten. Jezus begon alle handelaars en hun klanten weg te jagen. De tafels en stoelen van de handelaars gooide hij omver. 13Jezus zei tegen hen: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’

14Toen kwamen er blinden bij Jezus in de tempel, en mensen die niet konden lopen. Jezus maakte hen beter. 15De priesters en de wetsleraren zagen de wonderen die Jezus deed. En ze hoorden dat kinderen in de tempel riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de Zoon van David!’ De priesters en de wetsleraren werden kwaad 16en zeiden tegen Jezus: ‘Hoort u wat die kinderen roepen?’ Jezus zei: ‘Jazeker. In de heilige boeken staat: «God zorgt ervoor dat kleine kinderen zingen over zijn macht.» Jullie kennen die woorden toch wel?’

17Jezus liet de priesters en wetsleraren daar staan, en ging weg uit Jeruzalem. Hij was die nacht in Betanië.

Jezus vervloekt een vijgenboom

18De volgende ochtend vroeg ging Jezus terug naar Jeruzalem. Onderweg kreeg hij honger. 19Langs de kant van de weg zag hij een vijgenboom staan. Hij liep erheen. Maar hij vond geen vijgen aan de boom, alleen maar bladeren.

Toen zei Jezus tegen de boom: ‘Nooit meer zal er een vijg aan jou groeien!’ En meteen verdorde de boom. 20De leerlingen zagen het en waren verbaasd. Ze vroegen: ‘Hoe kan het dat die boom meteen verdort?’

21Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je gelooft en niet twijfelt, dan kun je een boom laten verdorren. Sterker nog, dan kun je tegen die berg daar zeggen: ‘Kom van je plaats en laat je in de zee vallen.’ En dan zal dat gebeuren. 22Alles wat je in je gebed aan God vraagt, zul je krijgen. Als je maar gelooft.’

Jezus geeft uitleg in de tempel

Vragen zonder antwoord

23Jezus was in de tempel. Daar gaf hij de mensen uitleg over God. Toen kwamen de priesters en de leiders van het volk naar hem toe. Ze zeiden: ‘U doet alsof u alles mag! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’

24-25Jezus antwoordde hun: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God? Als jullie mij antwoord geven, dan zal ik jullie antwoord geven.’

De priesters en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 26Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan komen we in moeilijkheden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’ 27Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’

Het voorbeeld van de twee zonen

28Toen zei Jezus tegen de priesters en de leiders van het volk: ‘Luister eens naar dit voorbeeld. Er is een man die twee zonen heeft. Hij zegt tegen de ene zoon: ‘Ga vandaag in mijn wijngaard werken.’ 29De zoon antwoordt: ‘Nee, dat wil ik niet.’ Maar later krijgt hij spijt en hij gaat toch. 30De man zegt hetzelfde tegen zijn andere zoon. Die antwoordt: ‘Goed, vader.’ Maar hij doet het niet. 31Wie van de twee heeft nu gedaan wat de vader wil?’

De priesters en de leiders van het volk zeiden: ‘Die eerste.’

Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Tollenaars en hoeren komen eerder in Gods nieuwe wereld dan jullie. 32Want Johannes de Doper kwam bij jullie. Alles wat hij deed, was Gods wil. Jullie geloofden hem niet, maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem wel. Jullie zagen dat, maar jullie kregen geen spijt van je ongeloof.’

Het voorbeeld van de wijngaard

33Jezus gaf nog een ander voorbeeld. Hij zei: ‘Een rijke man heeft een wijngaard. Hij bouwt er een muur omheen, en maakt een bak om de druiven in te persen. Ook bouwt hij een toren voor het bewaken van de wijngaard. Dan verhuurt hij de wijngaard aan boeren, en gaat zelf op reis.

34In de tijd van de oogst stuurt de man zijn knechten naar de wijngaard. Die moeten zijn deel van de opbrengst ophalen. 35Maar de boeren grijpen de knechten. Ze slaan één knecht in elkaar. Een andere slaan ze dood. En weer een andere gooien ze dood met stenen.

36Dan stuurt de man opnieuw knechten naar de wijngaard. Deze keer zijn het er meer. Maar met hen gebeurt precies hetzelfde. 37Ten slotte stuurt de man zijn zoon naar de wijngaard. Want de man denkt: Voor mijn zoon zullen de boeren wel respect hebben.

38Maar als de boeren de zoon zien, zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom op, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 39Ze grijpen hem vast, slepen hem de wijngaard uit en slaan hem dood.’

Het voorbeeld gaat over de leiders

40Jezus zei: ‘En dan komt de eigenaar van de wijngaard zelf. Wat zal hij doen met die boeren?’

41De priesters en de farizeeën antwoordden: ‘Hij zal die misdadigers op een vreselijke manier doden. En hij zal zijn wijngaard verhuren aan andere boeren. Aan boeren die hem wel zijn deel van de opbrengst geven.’

42-43Toen zei Jezus tegen hen: ‘Gods nieuwe wereld is niet langer voor jullie. Hij is voor andere mensen. Voor mensen die doen wat God wil.

Jullie weten wat er in de heilige boeken staat: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw. God heeft dat zo bepaald. En de mensen kunnen het niet begrijpen.» 44Als je over die steen struikelt, zul je sterven. En als die steen op jou valt, blijft er niets van je over.’

45De priesters en de farizeeën begrepen dat het voorbeeld van de wijngaard over hen ging. 46Ze wilden Jezus gevangennemen. Maar ze waren bang voor de reactie van de mensen. Want die geloofden dat Jezus een profeet was.

22

Het voorbeeld van het feest

221-2Jezus gaf nog een voorbeeld om uitleg te geven over Gods nieuwe wereld. Hij zei: ‘Een koning geeft een groot feest, omdat zijn zoon gaat trouwen. 3Hij geeft zijn knechten de opdracht om de gasten voor het feest op te halen. Maar de gasten willen niet komen.

4Dan stuurt de koning andere knechten naar de gasten, met de boodschap: ‘Luister, de maaltijd staat klaar. De koeien en stieren zijn geslacht en alles is klaar. Kom naar het feest!’ 5Maar de gasten luisteren niet. Ze gaan andere dingen doen. Sommigen gaan naar hun land om te werken. Anderen gaan naar hun winkel. 6En weer anderen grijpen de knechten van de koning. Ze slaan hen en vermoorden hen.

7Dan wordt de koning erg kwaad. Hij stuurt zijn soldaten om de moordenaars te doden en hun stad in brand te steken.

8Daarna zegt de koning tegen zijn knechten: ‘Alles is klaar voor het feest. Maar de gasten zijn het niet waard om te komen! 9Ga daarom nu het land in, en nodig iedereen uit die je tegenkomt.’

10De knechten gaan het land in. Ze nemen iedereen mee die ze tegenkomen. Goede mensen en slechte mensen door elkaar. Zo komen er veel gasten op het feest.

De gast die niet welkom is

11De koning komt bij de gasten kijken. Hij ziet een man die geen feestelijke kleren draagt. 12De koning zegt: ‘Zeg vriend, hoe kun je hier komen zonder feestelijke kleren?’ De man weet niet wat hij moet zeggen. 13Dan zegt de koning tegen zijn dienaren: ‘Bind hem vast aan zijn handen en voeten, en gooi hem naar buiten. Breng hem ver weg, naar de donkerste plaats, waar iedereen huilt van ellende en spijt.’’

14Toen zei Jezus: ‘Zo zal het ook zijn met de nieuwe wereld. Daar zijn veel mensen voor uitgenodigd. Maar er zijn weinig mensen die er echt bij horen.’

Een vraag met een slechte bedoeling

15De farizeeën maakten een plan om Jezus in de val te laten lopen. Ze hoopten dat hij iets strafbaars zou zeggen. 16Ze stuurden een paar van hun leerlingen naar Jezus toe, samen met een paar volgelingen van koning Herodes. Die moesten tegen Jezus zeggen: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U vertelt altijd precies wat God van ons wil. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen, of omdat u bang bent. 17Vertel ons daarom uw mening: Mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’

18Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Hij zei: ‘Wat zijn jullie schijnheilig! Jullie willen mij in de val laten lopen. 19Laat mij eens een munt zien waarmee je belasting kunt betalen.’ Ze gaven hem een munt. 20Toen zei Jezus: ‘Wie staat er op deze munt?’ 21Zij antwoordden: ‘De keizer.’ Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’

22Ze waren erg verbaasd over dat antwoord. Ze lieten Jezus daar staan en gingen weg.

De sadduceeën stellen een vraag

23Op diezelfde dag kwamen er ook sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Ze zeiden tegen Jezus: 24‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen. Dan moet zijn broer trouwen met de weduwe. De broer moet zorgen dat zij een kind krijgt. Dat kind geldt dan als het kind van de gestorven man.»

25Maar luister nu eens naar wat wij meegemaakt hebben: Er waren zeven broers. De oudste trouwde, maar hij stierf zonder kinderen. Zijn vrouw bleef alleen achter. Toen trouwde de tweede broer met de vrouw. 26Maar met hem gebeurde hetzelfde, en met de andere broers ook. Ze stierven allemaal zonder kinderen. 27Als laatste stierf de vrouw. 28En nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen opstaan uit de dood? Met wie van de zeven broers zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want ze zijn allemaal met haar getrouwd geweest.’

Jezus geeft antwoord op de vraag

29Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘Jullie hebben het helemaal fout! Jullie begrijpen de heilige boeken niet. En jullie begrijpen niet hoe machtig God is. 30Als de mensen opstaan uit de dood, dan leven ze niet meer als getrouwde mensen. Dan leven ze zoals de engelen in de hemel.’

31Jezus zei verder: ‘De mensen zullen opstaan uit de dood. Jullie weten toch wat God zegt in de heilige boeken? Hij zegt: «Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.» 32God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen.’

33Alle mensen die het hoorden, waren diep onder de indruk van Jezus’ uitleg.

De belangrijkste regel in de wet

34Daarna durfden de sadduceeën niets meer aan Jezus te vragen. Toen de farizeeën dat hoorden, kwamen ze bij elkaar. 35Eén van hen, een wetsleraar, stelde Jezus een vraag. Hij zei: 36‘Meester, wat is de belangrijkste regel in de wet?’ Hij hoopte dat Jezus iets verkeerds zou zeggen.

37-38Jezus antwoordde: ‘De eerste en belangrijkste regel is deze: «De Heer is je God. Je moet van hem houden met je hele hart, met je hele ziel, en met je hele verstand.» 39Maar de tweede regel is net zo belangrijk: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.» 40Die twee regels zijn de basis van de wet en van de andere heilige boeken.’

Jezus vertelt over de messias

41Jezus zei tegen de groep farizeeën: 42‘Ik heb voor jullie een vraag over de messias. Van wie is hij een zoon?’ De farizeeën antwoordden: ‘De messias is de zoon van David.’

43-44Jezus zei tegen hen: ‘Maar David zelf noemde hem Heer. Want dit zijn Davids woorden, die de heilige Geest hem liet zeggen: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» 45David noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’

46Niemand van de farizeeën kon daar een antwoord op geven. Vanaf dat moment durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen.