Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Jezus gaat naar Judea

191Toen Jezus klaar was met zijn uitleg, ging hij weg uit Galilea. Hij ging naar Judea, door het gebied aan de overkant van de Jordaan. 2Grote groepen mensen gingen met hem mee, en Jezus maakte de zieken beter.

Uitleg over trouwen en scheiden

3Toen kwamen er farizeeën bij Jezus. Ze vroegen: ‘Mag een man om elke reden scheiden van zijn vrouw?’ Ze hoopten dat Jezus iets verkeerds zou zeggen.

4Maar Jezus zei: ‘Jullie weten best dat God bij de schepping een man en een vrouw maakte. 5En God zei erbij: ‘Een man blijft niet bij zijn vader en moeder. Hij gaat met zijn vrouw leven en ze worden samen helemaal één.’ 6Ze zijn niet langer twee, maar ze zijn samen één geheel. En wat God bij elkaar brengt, mag een mens niet scheiden.’

7De farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘Maar waarom mag dat dan wel volgens de wet van Mozes? Daar staat dat een man mag scheiden als hij zijn vrouw een scheidingsbrief meegeeft.’

8Jezus antwoordde: ‘Mozes maakte die regel in de wet voor mensen die niet om elkaar geven, zoals jullie. Maar zo heeft God het niet bedoeld bij de schepping.’

Sommige mannen blijven alleen

9Jezus zei: ‘Luister naar mijn woorden: Je mag niet scheiden van je vrouw, alleen als zij zelf vreemdgegaan is. Want als je scheidt en met een ander trouwt, dan ga je vreemd.’

10De leerlingen zeiden: ‘Dan kun je maar beter helemaal niet trouwen.’ 11Jezus zei tegen hen: ‘Wat ik zeg, is moeilijk. Je kunt het alleen begrijpen als God je inzicht geeft. 12Om verschillende redenen zijn er mannen die alleen blijven. Sommige mannen blijven alleen omdat ze geen seks kunnen hebben. Omdat ze zo geboren zijn of omdat ze door de mensen zo gemaakt zijn. Maar er zijn ook mannen die er zelf voor kiezen om alleen te blijven. Omdat ze willen leven voor Gods nieuwe wereld. Probeer het te begrijpen, als je dat kunt.’

Jezus laat de kinderen bij zich komen

13Er waren mensen die kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij zijn handen op de kinderen zou leggen en voor hen zou bidden. Maar de leerlingen hielden die mensen tegen.

14Toen zei Jezus: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen, want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen.’ 15En Jezus legde zijn handen op hen. Daarna ging hij weer verder.

Een rijke man komt bij Jezus

16Er kwam een jonge man bij Jezus. Hij vroeg: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 17Jezus zei tegen hem: ‘Waarom vraag je mij wat goed is? Alleen God is goed. Als je eeuwig wilt leven, houd je dan aan Gods regels.’ 18‘Welke regels?’ vroeg de man.

Jezus antwoordde: ‘Je mag niemand vermoorden. Je mag niet vreemdgaan. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. 19Je moet respect hebben voor je vader en je moeder. En je moet evenveel houden van de mensen om je heen als van jezelf.’

20Toen zei de man: ‘Ik houd me aan al die regels. Wat kan ik nog meer doen?’ 21Jezus zei tegen hem: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kom dan terug en ga met mij mee.’

22Toen de man dat hoorde, liep hij teleurgesteld weg. Want hij was erg rijk.

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

23Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Het is moeilijk voor een rijke om in Gods nieuwe wereld te komen. 24Ik zal het nog sterker zeggen. Het is voor rijke mensen heel moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’

25Toen de leerlingen dat hoorden, schrokken ze heel erg. Ze vroegen: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 26Jezus keek hen aan en zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af, en dan kan alles.’

Je moet alles achterlaten

27Toen stelde Petrus de vraag: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan. Wat is onze beloning?’

28Jezus zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie zijn met mij meegegaan. Daarom zullen jullie naast mij zitten als de nieuwe wereld komt. De Mensenzoon zal dan als koning op zijn troon zitten. Jullie zullen bij hem zitten op twaalf tronen. En jullie zullen rechtspreken over heel Israël.

29Als je bij mij wilt horen, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huizen en je land. Maar je krijgt er honderd keer zo veel voor terug. En je zult het eeuwige leven krijgen.’

30Jezus zei verder: ‘De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen zullen vooraan staan.’

20

Het voorbeeld van de arbeiders

201Jezus zei: ‘Dit voorbeeld leert je iets over Gods nieuwe wereld.

Er is een man die een wijngaard heeft. Vroeg in de ochtend gaat hij op weg. Hij zoekt arbeiders om in zijn wijngaard te werken. 2Hij spreekt een bedrag met hen af: het normale loon voor een dag werken. En hij stuurt ze naar zijn wijngaard.

3Later die ochtend gaat de eigenaar van de wijngaard weer op weg. Hij ziet mannen op straat die nog geen werk hebben. 4Hij zegt tegen hen: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken. Ik zal jullie een eerlijk loon geven.’ 5De mannen gaan aan het werk.

Om twaalf uur en om drie uur ’s middags gaat de man opnieuw op weg. Weer stuurt hij de mannen die hij tegenkomt, naar zijn wijngaard.

6Als de dag bijna om is, gaat de man nog één keer op weg. Weer ziet hij mannen op straat staan. Hij vraagt: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ 7De mannen antwoorden: ‘Niemand heeft ons vandaag werk gegeven.’ Dan zegt de man: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken.’

De arbeiders krijgen hun geld

8Als het avond is, zegt de eigenaar van de wijngaard tegen de man die zijn zaken regelt: ‘Roep alle arbeiders en geef ze hun loon. Betaal eerst de mannen die het laatst gekomen zijn. En als laatste de mannen die het eerst kwamen.’

9De mannen die maar kort gewerkt hebben, zijn dus het eerst aan de beurt. Zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 10De mannen die de hele dag gewerkt hebben, zijn het laatst aan de beurt. Zij denken: Wij zullen dan wel meer krijgen. Maar ook zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 11-12Met het geld in hun hand komen ze bij de eigenaar van de wijngaard. Ze zeggen: ‘Het is niet eerlijk! Die anderen hebben maar één uur gewerkt. Wij hebben de hele dag hard gewerkt in de hete zon. En nu krijgen zij evenveel als wij!’

13De eigenaar zegt tegen één van die mannen: ‘Beste vriend, ik heb jullie niet oneerlijk behandeld. We hadden toch het normale loon afgesproken? 14Ga rustig naar huis met je geld. Ik wilde de mannen die het laatst kwamen, net zo veel geven als jullie. 15Het is mijn geld. Ik mag ermee doen wat ik wil. Waarom zijn jullie jaloers als ik anderen goed behandel?’

16Zo zal het gaan in de nieuwe wereld. Mensen die nu het laatst komen, zullen dan vooropgaan. En mensen die nu het eerst komen, komen dan achteraan.’

Jezus gaat naar Jeruzalem

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

17Jezus was op weg naar Jeruzalem. Toen hij met de twaalf leerlingen alleen was, zei hij: 18‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. 19Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten, en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem aan het kruis hangen. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

De vraag van Jakobus en Johannes

20Toen kwam de moeder van Jakobus en Johannes bij Jezus, samen met haar twee zonen. Ze knielde voor Jezus en zei: ‘Mag ik u iets vragen?’ 21Jezus vroeg: ‘Wat wilt u vragen?’ Ze zei tegen hem: ‘Als u straks koning wordt, mogen mijn zonen dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’

22Jezus gaf antwoord aan Jakobus en Johannes. Hij zei: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’

23Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad, jullie zullen net als ik zwaar lijden. Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt mijn Vader.’

Niet heersen, maar dienen

24De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad op de twee broers.

25Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. 26Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. 27Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.

28Zo is het ook met de Mensenzoon. Ik ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’

Jezus maakt twee blinden beter

29Jezus en de leerlingen kwamen uit de stad Jericho. Een grote groep mensen liep met hen mee. 30Er zaten twee blinden langs de kant van de weg. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 31De mensen zeiden tegen hen: ‘Houd toch je mond!’ Maar ze begonnen juist nog harder te roepen: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’

32Jezus bleef staan en riep hen. Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ 33Ze antwoordden: ‘Heer, wij willen kunnen zien.’ 34Jezus had medelijden met hen. Hij raakte hun ogen aan en meteen konden ze zien. Daarna gingen ze met Jezus mee.

21

Twee leerlingen gaan ezels halen

211Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van Jeruzalem. Ze waren vlak bij het dorp Betfage bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit.

2Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar meteen twee ezels zien, een moeder met haar jong. Ze staan vastgebonden. Maak ze los en breng ze bij mij. 3Misschien vraagt er iemand wat jullie daar doen. Zeg dan: ‘De Heer heeft deze ezels nodig.’ Dan zullen ze de ezels meteen aan jullie meegeven.’

4Dat moest zo gebeuren, want één van de profeten heeft gezegd: 5«Luister, inwoners van Jeruzalem! Jullie koning komt eraan. Hij is vriendelijk. Hij rijdt op een ezelin en haar jong.»

Jezus rijdt Jeruzalem binnen

6De twee leerlingen gingen naar het dorp. Ze deden wat Jezus gezegd had. 7Ze brachten hem de ezelin en haar jong. Ze legden jassen op de rug van de ezels, en Jezus ging erop zitten.

8Veel mensen legden hun jas op de weg. Anderen haalden takken van de bomen en legden die op de weg. 9Ze liepen voor Jezus uit en achter hem aan, en ze riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de Zoon van David! Leve de man die door God gestuurd is! Alle eer aan God in de hemel!’

10Zo kwam Jezus in Jeruzalem aan. Iedereen in de stad praatte erover. De mensen vroegen zich af: ‘Wie is die man?’ 11De mensen die met Jezus meegegaan waren, zeiden: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.’

Jezus jaagt handelaars de tempel uit

12Jezus ging de tempel in. Daar zaten handelaars, die geld wisselden en duiven verkochten. Jezus begon alle handelaars en hun klanten weg te jagen. De tafels en stoelen van de handelaars gooide hij omver. 13Jezus zei tegen hen: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’

14Toen kwamen er blinden bij Jezus in de tempel, en mensen die niet konden lopen. Jezus maakte hen beter. 15De priesters en de wetsleraren zagen de wonderen die Jezus deed. En ze hoorden dat kinderen in de tempel riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de Zoon van David!’ De priesters en de wetsleraren werden kwaad 16en zeiden tegen Jezus: ‘Hoort u wat die kinderen roepen?’ Jezus zei: ‘Jazeker. In de heilige boeken staat: «God zorgt ervoor dat kleine kinderen zingen over zijn macht.» Jullie kennen die woorden toch wel?’

17Jezus liet de priesters en wetsleraren daar staan, en ging weg uit Jeruzalem. Hij was die nacht in Betanië.

Jezus vervloekt een vijgenboom

18De volgende ochtend vroeg ging Jezus terug naar Jeruzalem. Onderweg kreeg hij honger. 19Langs de kant van de weg zag hij een vijgenboom staan. Hij liep erheen. Maar hij vond geen vijgen aan de boom, alleen maar bladeren.

Toen zei Jezus tegen de boom: ‘Nooit meer zal er een vijg aan jou groeien!’ En meteen verdorde de boom. 20De leerlingen zagen het en waren verbaasd. Ze vroegen: ‘Hoe kan het dat die boom meteen verdort?’

21Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je gelooft en niet twijfelt, dan kun je een boom laten verdorren. Sterker nog, dan kun je tegen die berg daar zeggen: ‘Kom van je plaats en laat je in de zee vallen.’ En dan zal dat gebeuren. 22Alles wat je in je gebed aan God vraagt, zul je krijgen. Als je maar gelooft.’

Jezus geeft uitleg in de tempel

Vragen zonder antwoord

23Jezus was in de tempel. Daar gaf hij de mensen uitleg over God. Toen kwamen de priesters en de leiders van het volk naar hem toe. Ze zeiden: ‘U doet alsof u alles mag! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’

24-25Jezus antwoordde hun: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God? Als jullie mij antwoord geven, dan zal ik jullie antwoord geven.’

De priesters en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 26Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan komen we in moeilijkheden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’ 27Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’

Het voorbeeld van de twee zonen

28Toen zei Jezus tegen de priesters en de leiders van het volk: ‘Luister eens naar dit voorbeeld. Er is een man die twee zonen heeft. Hij zegt tegen de ene zoon: ‘Ga vandaag in mijn wijngaard werken.’ 29De zoon antwoordt: ‘Nee, dat wil ik niet.’ Maar later krijgt hij spijt en hij gaat toch. 30De man zegt hetzelfde tegen zijn andere zoon. Die antwoordt: ‘Goed, vader.’ Maar hij doet het niet. 31Wie van de twee heeft nu gedaan wat de vader wil?’

De priesters en de leiders van het volk zeiden: ‘Die eerste.’

Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Tollenaars en hoeren komen eerder in Gods nieuwe wereld dan jullie. 32Want Johannes de Doper kwam bij jullie. Alles wat hij deed, was Gods wil. Jullie geloofden hem niet, maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem wel. Jullie zagen dat, maar jullie kregen geen spijt van je ongeloof.’

Het voorbeeld van de wijngaard

33Jezus gaf nog een ander voorbeeld. Hij zei: ‘Een rijke man heeft een wijngaard. Hij bouwt er een muur omheen, en maakt een bak om de druiven in te persen. Ook bouwt hij een toren voor het bewaken van de wijngaard. Dan verhuurt hij de wijngaard aan boeren, en gaat zelf op reis.

34In de tijd van de oogst stuurt de man zijn knechten naar de wijngaard. Die moeten zijn deel van de opbrengst ophalen. 35Maar de boeren grijpen de knechten. Ze slaan één knecht in elkaar. Een andere slaan ze dood. En weer een andere gooien ze dood met stenen.

36Dan stuurt de man opnieuw knechten naar de wijngaard. Deze keer zijn het er meer. Maar met hen gebeurt precies hetzelfde. 37Ten slotte stuurt de man zijn zoon naar de wijngaard. Want de man denkt: Voor mijn zoon zullen de boeren wel respect hebben.

38Maar als de boeren de zoon zien, zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom op, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 39Ze grijpen hem vast, slepen hem de wijngaard uit en slaan hem dood.’

Het voorbeeld gaat over de leiders

40Jezus zei: ‘En dan komt de eigenaar van de wijngaard zelf. Wat zal hij doen met die boeren?’

41De priesters en de farizeeën antwoordden: ‘Hij zal die misdadigers op een vreselijke manier doden. En hij zal zijn wijngaard verhuren aan andere boeren. Aan boeren die hem wel zijn deel van de opbrengst geven.’

42-43Toen zei Jezus tegen hen: ‘Gods nieuwe wereld is niet langer voor jullie. Hij is voor andere mensen. Voor mensen die doen wat God wil.

Jullie weten wat er in de heilige boeken staat: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw. God heeft dat zo bepaald. En de mensen kunnen het niet begrijpen.» 44Als je over die steen struikelt, zul je sterven. En als die steen op jou valt, blijft er niets van je over.’

45De priesters en de farizeeën begrepen dat het voorbeeld van de wijngaard over hen ging. 46Ze wilden Jezus gevangennemen. Maar ze waren bang voor de reactie van de mensen. Want die geloofden dat Jezus een profeet was.