Bijbel in Gewone Taal (BGT)
18

Je moet niet belangrijk willen zijn

181Op dat moment kwamen ook de andere leerlingen bij Jezus. Ze vroegen: ‘Wie is eigenlijk de belangrijkste in Gods nieuwe wereld?’

2Jezus riep een kind bij zich en zette het midden in de groep. 3Hij zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie moeten veranderen en net zo worden als kinderen. Anders kun je de nieuwe wereld niet binnengaan. 4Je moet jezelf net zo onbelangrijk maken als dit kind. Dan zul je de belangrijkste zijn in Gods nieuwe wereld.

5De mensen die in mij geloven, zijn net zoals kinderen. Iedereen die hen met open armen ontvangt, die ontvangt mij. 6Maar iemand die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek verdronken was, diep in de zee.

7Mensen zullen proberen om gelovigen weg te halen bij God. Die dingen moeten gebeuren. Maar wat een ramp zal het zijn voor wie dat doet! En wat een ramp zal het zijn voor de wereld, als dat gebeurt!’

Hoe kom je in de nieuwe wereld?

8Jezus zei: ‘Stel dat je hand of je voet iets slechts doet. Iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand of je voet dan af. Beter met één hand of met één voet naar het eeuwige leven, dan met twee naar het eeuwige vuur.

9Stel dat je oog iets slechts ziet. Iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit en gooi het weg. Beter met één oog naar het eeuwige leven, dan met twee naar het vuur van de hel.

10-11Pas op, behandel gelovigen niet als mensen die niets waard zijn. Want luister naar mijn woorden: De engelen die voor hen zorgen, staan in de hemel het dichtst bij God.’

Het voorbeeld van het schaap

12Jezus zei: ‘Stel dat iemand honderd schapen heeft, maar hij raakt er één kwijt. Wat zal hij dan doen? Hij laat de 99 andere schapen in de heuvels achter. En hij gaat op zoek naar dat ene schaap dat hij kwijt is. 13En als hij het vindt, dan is hij blij. Luister goed naar mijn woorden: Dat ene schaap maakt hem gelukkiger dan alle andere schapen die hij niet kwijt was.

14Zo is het ook met jullie Vader in de hemel. Hij wil niet één gelovige kwijtraken.’

Hoe je met elkaar moet omgaan

15Jezus zei: ‘Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Zeg hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft zonder dat er anderen bij zijn. Als hij naar je luistert, dan heb je hem bij God teruggebracht.

16Maar als hij niet naar je wil luisteren, moet je naar hem toe gaan, samen met één of twee anderen. Want er zijn minstens twee mensen nodig voor een geldige verklaring. 17Als hij dan nog niet luistert, vertel het dan aan de hele groep gelovigen. Als hij ook niet naar de groep luistert, dan hoort hij er niet meer bij. Dan moet je hem behandelen als een ongelovige of een tollenaar. 18Luister goed naar mijn woorden: De besluiten die jullie op aarde nemen, zullen ook geldig zijn in de hemel.

19En luister ook goed naar deze woorden: Stel dat twee van jullie samen bidden om iets hier op aarde. Dan zal mijn hemelse Vader zorgen dat het gebeurt, wat het ook is. 20Want overal waar twee of meer gelovigen bij elkaar zijn, daar ben ik ook.’

Uitleg over vergeven

21Petrus kwam bij Jezus en zei: ‘Heer, als een andere gelovige mij slecht behandelt, dan moet ik hem vergeven. Maar hoe vaak? Wel zeven keer?’ 22Jezus zei: ‘Nee, niet zeven keer, maar zeventig maal zeven keer. 23Luister, ik zal een voorbeeld geven over Gods nieuwe wereld.

Een koning wil dat zijn dienaren al hun schulden aan hem terugbetalen. 24Eén voor één laat hij de dienaren bij zich komen. Er wordt ook een man bij de koning gebracht die hem vele miljoenen schuldig is. 25De man kan niets terugbetalen. De koning zegt: ‘Verkoop die man, samen met zijn vrouw, zijn kinderen en al zijn bezittingen. Dan krijg ik nog iets terug.’

26Maar de dienaar knielt voor de koning. Diep gebogen blijft hij liggen en zegt: ‘Heb alstublieft geduld met mij. Ik zal u later alles terugbetalen.’ 27De koning krijgt medelijden met de man. Hij zegt: ‘Ik laat je gaan. Je hoeft dat geld niet meer terug te betalen.’

28Als de man naar buiten gaat, ziet hij een andere dienaar van de koning. Die ander is hem nog een paar duizend schuldig. Hij grijpt hem bij zijn keel en zegt: ‘Nu betalen!’ 29De andere dienaar knielt voor hem en zegt: ‘Heb alsjeblieft geduld met mij. Ik zal je later terugbetalen.’ 30Maar de man zegt: ‘Geen sprake van.’ En hij laat de ander opsluiten in de gevangenis, totdat die zijn schuld terugbetaald heeft.

31Andere dienaren van de koning hebben gezien wat er gebeurd is. Ze zijn erg verdrietig. Ze vertellen alles aan de koning. 32Dan roept de koning die man weer bij zich en zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar! Je vroeg mij om geduld met je te hebben. En ik zei dat je het geld niet terug hoefde te betalen. 33Ik had medelijden met jou. En jij had ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar.’

34De koning is woedend. Hij laat de man meenemen door de bewakers van de gevangenis. Die zullen hem pijn laten lijden, totdat hij zijn schuld heeft terugbetaald.’

35Jezus zei: ‘Zo is het ook met mijn hemelse Vader. Hij wil dat je de andere gelovigen van harte vergeeft. Anders zal hij je straffen.’

19

Jezus gaat naar Judea

191Toen Jezus klaar was met zijn uitleg, ging hij weg uit Galilea. Hij ging naar Judea, door het gebied aan de overkant van de Jordaan. 2Grote groepen mensen gingen met hem mee, en Jezus maakte de zieken beter.

Uitleg over trouwen en scheiden

3Toen kwamen er farizeeën bij Jezus. Ze vroegen: ‘Mag een man om elke reden scheiden van zijn vrouw?’ Ze hoopten dat Jezus iets verkeerds zou zeggen.

4Maar Jezus zei: ‘Jullie weten best dat God bij de schepping een man en een vrouw maakte. 5En God zei erbij: ‘Een man blijft niet bij zijn vader en moeder. Hij gaat met zijn vrouw leven en ze worden samen helemaal één.’ 6Ze zijn niet langer twee, maar ze zijn samen één geheel. En wat God bij elkaar brengt, mag een mens niet scheiden.’

7De farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘Maar waarom mag dat dan wel volgens de wet van Mozes? Daar staat dat een man mag scheiden als hij zijn vrouw een scheidingsbrief meegeeft.’

8Jezus antwoordde: ‘Mozes maakte die regel in de wet voor mensen die niet om elkaar geven, zoals jullie. Maar zo heeft God het niet bedoeld bij de schepping.’

Sommige mannen blijven alleen

9Jezus zei: ‘Luister naar mijn woorden: Je mag niet scheiden van je vrouw, alleen als zij zelf vreemdgegaan is. Want als je scheidt en met een ander trouwt, dan ga je vreemd.’

10De leerlingen zeiden: ‘Dan kun je maar beter helemaal niet trouwen.’ 11Jezus zei tegen hen: ‘Wat ik zeg, is moeilijk. Je kunt het alleen begrijpen als God je inzicht geeft. 12Om verschillende redenen zijn er mannen die alleen blijven. Sommige mannen blijven alleen omdat ze geen seks kunnen hebben. Omdat ze zo geboren zijn of omdat ze door de mensen zo gemaakt zijn. Maar er zijn ook mannen die er zelf voor kiezen om alleen te blijven. Omdat ze willen leven voor Gods nieuwe wereld. Probeer het te begrijpen, als je dat kunt.’

Jezus laat de kinderen bij zich komen

13Er waren mensen die kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij zijn handen op de kinderen zou leggen en voor hen zou bidden. Maar de leerlingen hielden die mensen tegen.

14Toen zei Jezus: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen, want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen.’ 15En Jezus legde zijn handen op hen. Daarna ging hij weer verder.

Een rijke man komt bij Jezus

16Er kwam een jonge man bij Jezus. Hij vroeg: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 17Jezus zei tegen hem: ‘Waarom vraag je mij wat goed is? Alleen God is goed. Als je eeuwig wilt leven, houd je dan aan Gods regels.’ 18‘Welke regels?’ vroeg de man.

Jezus antwoordde: ‘Je mag niemand vermoorden. Je mag niet vreemdgaan. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. 19Je moet respect hebben voor je vader en je moeder. En je moet evenveel houden van de mensen om je heen als van jezelf.’

20Toen zei de man: ‘Ik houd me aan al die regels. Wat kan ik nog meer doen?’ 21Jezus zei tegen hem: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kom dan terug en ga met mij mee.’

22Toen de man dat hoorde, liep hij teleurgesteld weg. Want hij was erg rijk.

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

23Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Het is moeilijk voor een rijke om in Gods nieuwe wereld te komen. 24Ik zal het nog sterker zeggen. Het is voor rijke mensen heel moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’

25Toen de leerlingen dat hoorden, schrokken ze heel erg. Ze vroegen: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 26Jezus keek hen aan en zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af, en dan kan alles.’

Je moet alles achterlaten

27Toen stelde Petrus de vraag: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan. Wat is onze beloning?’

28Jezus zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie zijn met mij meegegaan. Daarom zullen jullie naast mij zitten als de nieuwe wereld komt. De Mensenzoon zal dan als koning op zijn troon zitten. Jullie zullen bij hem zitten op twaalf tronen. En jullie zullen rechtspreken over heel Israël.

29Als je bij mij wilt horen, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huizen en je land. Maar je krijgt er honderd keer zo veel voor terug. En je zult het eeuwige leven krijgen.’

30Jezus zei verder: ‘De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen zullen vooraan staan.’

20

Het voorbeeld van de arbeiders

201Jezus zei: ‘Dit voorbeeld leert je iets over Gods nieuwe wereld.

Er is een man die een wijngaard heeft. Vroeg in de ochtend gaat hij op weg. Hij zoekt arbeiders om in zijn wijngaard te werken. 2Hij spreekt een bedrag met hen af: het normale loon voor een dag werken. En hij stuurt ze naar zijn wijngaard.

3Later die ochtend gaat de eigenaar van de wijngaard weer op weg. Hij ziet mannen op straat die nog geen werk hebben. 4Hij zegt tegen hen: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken. Ik zal jullie een eerlijk loon geven.’ 5De mannen gaan aan het werk.

Om twaalf uur en om drie uur ’s middags gaat de man opnieuw op weg. Weer stuurt hij de mannen die hij tegenkomt, naar zijn wijngaard.

6Als de dag bijna om is, gaat de man nog één keer op weg. Weer ziet hij mannen op straat staan. Hij vraagt: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ 7De mannen antwoorden: ‘Niemand heeft ons vandaag werk gegeven.’ Dan zegt de man: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken.’

De arbeiders krijgen hun geld

8Als het avond is, zegt de eigenaar van de wijngaard tegen de man die zijn zaken regelt: ‘Roep alle arbeiders en geef ze hun loon. Betaal eerst de mannen die het laatst gekomen zijn. En als laatste de mannen die het eerst kwamen.’

9De mannen die maar kort gewerkt hebben, zijn dus het eerst aan de beurt. Zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 10De mannen die de hele dag gewerkt hebben, zijn het laatst aan de beurt. Zij denken: Wij zullen dan wel meer krijgen. Maar ook zij krijgen het normale loon voor een dag werken. 11-12Met het geld in hun hand komen ze bij de eigenaar van de wijngaard. Ze zeggen: ‘Het is niet eerlijk! Die anderen hebben maar één uur gewerkt. Wij hebben de hele dag hard gewerkt in de hete zon. En nu krijgen zij evenveel als wij!’

13De eigenaar zegt tegen één van die mannen: ‘Beste vriend, ik heb jullie niet oneerlijk behandeld. We hadden toch het normale loon afgesproken? 14Ga rustig naar huis met je geld. Ik wilde de mannen die het laatst kwamen, net zo veel geven als jullie. 15Het is mijn geld. Ik mag ermee doen wat ik wil. Waarom zijn jullie jaloers als ik anderen goed behandel?’

16Zo zal het gaan in de nieuwe wereld. Mensen die nu het laatst komen, zullen dan vooropgaan. En mensen die nu het eerst komen, komen dan achteraan.’

Jezus gaat naar Jeruzalem

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

17Jezus was op weg naar Jeruzalem. Toen hij met de twaalf leerlingen alleen was, zei hij: 18‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. 19Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten, en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem aan het kruis hangen. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

De vraag van Jakobus en Johannes

20Toen kwam de moeder van Jakobus en Johannes bij Jezus, samen met haar twee zonen. Ze knielde voor Jezus en zei: ‘Mag ik u iets vragen?’ 21Jezus vroeg: ‘Wat wilt u vragen?’ Ze zei tegen hem: ‘Als u straks koning wordt, mogen mijn zonen dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’

22Jezus gaf antwoord aan Jakobus en Johannes. Hij zei: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’

23Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad, jullie zullen net als ik zwaar lijden. Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt mijn Vader.’

Niet heersen, maar dienen

24De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad op de twee broers.

25Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. 26Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. 27Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.

28Zo is het ook met de Mensenzoon. Ik ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’

Jezus maakt twee blinden beter

29Jezus en de leerlingen kwamen uit de stad Jericho. Een grote groep mensen liep met hen mee. 30Er zaten twee blinden langs de kant van de weg. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 31De mensen zeiden tegen hen: ‘Houd toch je mond!’ Maar ze begonnen juist nog harder te roepen: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’

32Jezus bleef staan en riep hen. Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ 33Ze antwoordden: ‘Heer, wij willen kunnen zien.’ 34Jezus had medelijden met hen. Hij raakte hun ogen aan en meteen konden ze zien. Daarna gingen ze met Jezus mee.