Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Het voorbeeld van het zaad

Er gaan ook vrouwen met Jezus mee

81Daarna reisde Jezus van stad naar stad en van dorp naar dorp. Hij vertelde het goede nieuws en sprak over Gods nieuwe wereld. De twaalf leerlingen gingen met hem mee.

2Er gingen ook vrouwen mee. Jezus had die vrouwen beter gemaakt en kwade geesten uit hen weggejaagd. Eén van de vrouwen was Maria uit Magdala. Uit haar had Jezus zeven kwade geesten weggejaagd. 3Twee andere vrouwen heetten Johanna en Susanna. Johanna was de vrouw van Chusas, een belangrijke dienaar van koning Herodes. En er gingen nog veel meer vrouwen mee. Ze zorgden voor Jezus en zijn leerlingen, en betaalden alles van hun eigen geld.

Het voorbeeld van het zaad

4Uit alle steden kwamen er mensen naar Jezus luisteren. Toen er heel veel mensen waren, begon Jezus een verhaal te vertellen als voorbeeld.

5Hij zei: ‘Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Mensen lopen eroverheen, of vogels eten het op. 6Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Dat zaad groeit eerst goed, maar gaat dan snel dood doordat het geen water krijgt. 7Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood. 8Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad groeit en wordt goed koren met wel honderd graankorrels.’

Daarna zei Jezus luid: ‘Laat dat goed tot je doordringen!’

Wat betekent het voorbeeld?

9De leerlingen vroegen aan Jezus wat het voorbeeld van het zaad betekende. 10Jezus zei: ‘Jullie mogen de geheimen van Gods nieuwe wereld kennen. Maar de andere mensen krijgen alleen voorbeelden te horen. Op die manier zien ze wel wat er gebeurt, maar ze begrijpen het niet. Ze luisteren wel, maar ze snappen het niet.’

Jezus legt het voorbeeld uit

11Jezus zei: ‘Ik zal het voorbeeld uitleggen. Het zaad is het goede nieuws van God. 12Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord, maar dan komt de duivel en pakt het van hen af. Die mensen worden niet gered, omdat ze het goede nieuws niet geloven.

13Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol. Zodra ze het moeilijk krijgen, geven ze het op.

14Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze zijn te druk met dagelijkse problemen. Ze willen rijk worden en een prettig leven hebben. Dat vinden ze belangrijker.

15Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Zij luisteren naar het nieuws van God en ze begrijpen het. Want zij zijn eerlijke en goede mensen. Zij leven zoals God het wil, zonder op te geven.’

Jezus waarschuwt de mensen

16Jezus zei tegen de mensen: ‘Niemand zet een brandende lamp onder een emmer of onder een bed. Je zet een lamp juist hoog. Dan kan iedereen die binnenkomt, het licht goed zien. 17Dan zal alles wat verborgen is, zichtbaar worden. En geheimen zullen aan iedereen bekend worden.

18Luister dus op de goede manier. Want iemand die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iemand die niets heeft, raakt zelfs kwijt wat hij denkt te hebben.’

De familie van Jezus komt bij hem

19De moeder en de broers van Jezus kwamen naar hem toe. Maar omdat er zo veel mensen waren, konden ze niet bij Jezus in de buurt komen. 20Toen zeiden de mensen tegen Jezus: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze willen u spreken.’

21Maar Jezus zei tegen de mensen: ‘Mijn moeder en mijn broers? Die staan hier! Want iedereen die luistert naar het nieuws over God en die doet wat God wil, is mijn moeder en mijn broer.’

Jezus steekt het meer over

Jezus heeft macht over wind en water

22Op een dag stapten Jezus en zijn leerlingen in een boot. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’ En ze gingen op weg. 23Onderweg viel Jezus in slaap. Toen begon het opeens heel hard te waaien op het meer. Er kwam veel water in de boot. Het werd zo gevaarlijk 24dat de leerlingen Jezus wakker maakten. Ze riepen: ‘Meester, meester, we verdrinken!’

Toen stond Jezus op, en hij sprak streng tegen de wind en de golven. Meteen hield het op met waaien, en het water werd rustig.

25Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Waar is jullie geloof?’ De leerlingen waren geschrokken. Diep onder de indruk zeiden ze tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Hoe kan dat? Wie is deze man?’

Een man met een kwade geest

26Ze staken met de boot het meer over, van Galilea naar het gebied van de Gerasenen. 27Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam er een man uit dat gebied op hem af. Hij had een kwade geest in zich. Hij had geen kleren aan, en hij had ook geen huis. De man woonde in de grotten waar mensen begraven lagen. Zo leefde hij al een hele tijd.

28-29Toen de man Jezus zag, begon hij te schreeuwen. En hij liet zich voor Jezus op de grond vallen. Jezus zei tegen de kwade geest die in de man was: ‘Ga weg uit die man!’ Maar de kwade geest riep: ‘Jij daar, Jezus, Zoon van de allerhoogste God! Laat me met rust! Ik smeek je, doe me geen pijn!’

De kwade geest had die man al heel lang in zijn macht. De mensen hadden de man vaak vastgebonden met zware kettingen en handboeien. Zo bewaakten ze hem. Maar steeds weer trok de man de boeien los. En dan liet de kwade geest hem weer naar een eenzame plaats gaan.

Jezus jaagt de kwade geesten weg

30Jezus vroeg aan de man: ‘Hoe heet je?’ ‘Ik heet Leger,’ antwoordde de man. In hem woonde namelijk een heel leger kwade geesten. 31En die zeiden tegen Jezus: ‘Stuur ons alsjeblieft niet naar de hel!’

32Toevallig liep daar in de bergen een grote groep varkens. De kwade geesten vroegen aan Jezus: ‘Mogen we in die varkens gaan?’ Dat vond Jezus goed. 33De kwade geesten verlieten de man, en gingen in de varkens. Meteen renden de varkens van de steile berg af, en ze vielen in het meer. Alle varkens verdronken.

De mensen willen dat Jezus weggaat

34De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Overal vertelden ze de mensen wat er gebeurd was. 35De mensen gingen zelf kijken. Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze de man. De kwade geesten waren weg, en de man zat bij Jezus. Hij had kleren aan en hij was helemaal normaal. De mensen schrokken ervan.

36Een paar mensen hadden alles gezien. Zij vertelden aan de anderen hoe Jezus de man genezen had. 37Toen vroegen alle mensen uit het gebied van de Gerasenen aan Jezus of hij weg wilde gaan. Zo bang waren ze.

Jezus stapte in de boot. 38De man die eerst kwade geesten in zich had, wilde bij Jezus blijven. Hij smeekte Jezus of hij met hem mee mocht gaan. Maar Jezus stuurde hem weg. Hij zei: 39‘Ga terug naar huis en vertel wat God voor jou gedaan heeft.’ De man ging weg en vertelde iedereen in de stad wat Jezus voor hem gedaan had.

Jezus doet wonderen

Jaïrus komt bij Jezus

40Toen Jezus terugkwam in Galilea, werd hij door veel mensen begroet. Ze hadden allemaal op hem gewacht.

41-42Er was ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus knielde voor Jezus op de grond en zei: ‘Ga alstublieft mee naar mijn huis, mijn dochter gaat dood!’ De dochter van Jaïrus was twaalf jaar, en ze was zijn enige kind.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

Terwijl Jezus met Jaïrus meeging, liepen de mensen om hem heen te dringen. 43Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. De vrouw had al haar geld uitgegeven aan dokters, maar niemand had haar beter kunnen maken. 44Het lukte de vrouw om vlak achter Jezus te komen en de rand van zijn jas aan te raken. Het bloeden stopte meteen.

45Toen vroeg Jezus: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Maar niemand zei: ‘Dat was ik.’ Toen zei Petrus: ‘Meester, al deze mensen staan om u heen en duwen tegen u aan.’ 46Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft mij aangeraakt. Ik voelde dat er kracht uit mij wegging.’

47De vrouw begreep dat Jezus het gemerkt had. Bevend van angst kwam ze naar voren, en ze knielde voor Jezus. Toen vertelde ze waarom ze hem aangeraakt had. En hoe ze meteen beter geworden was. Iedereen hoorde het.

48Jezus zei tegen haar: ‘Je bent gered dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn.’

Jezus maakt de dochter van Jaïrus weer levend

49Terwijl Jezus nog tegen de vrouw sprak, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ 50Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven, dan zal je dochter gered worden.’

51Toen ze bij het huis van Jaïrus kwamen, ging Jezus naar binnen. Alleen Petrus, Johannes en Jakobus mochten met hem mee. En ook de vader en de moeder van het meisje.

52Alle mensen die in het huis waren, huilden en hadden verdriet. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie hoeven niet te huilen, want het meisje is niet gestorven. Ze slaapt.’ 53De mensen lachten hem uit, want ze wisten dat het meisje dood was. 54Maar Jezus pakte haar hand vast en riep: ‘Meisje, sta op!’ 55Toen kwam het leven terug in het meisje, en ze stond direct op. ‘Geef haar wat te eten,’ zei Jezus.

56De ouders van het meisje waren stomverbaasd. Jezus zei tegen hen: ‘Vertel aan niemand wat hier gebeurd is.’

9

Jezus vertelt over zichzelf

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

91Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij elkaar. Hij gaf hun de kracht en de macht om alle kwade geesten weg te jagen en zieke mensen beter te maken. 2Toen zei hij dat de leerlingen op weg moesten gaan. Ze moesten de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld, en ze moesten zieke mensen beter maken.

3Jezus zei tegen hen: ‘Jullie mogen niets meenemen op je reis. Geen stok, geen tas, geen brood, geen geld en geen extra kleren. 4Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer naar de volgende stad gaat. 5Maar als mensen je niet binnenlaten, dan moet je meteen uit die stad weggaan. Je moet zelfs het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’

6De leerlingen gingen op weg. Ze reisden van dorp naar dorp. Overal vertelden ze het goede nieuws en maakten ze zieke mensen beter.

Herodes hoort het nieuws over Jezus

7-8Koning Herodes had alles over Jezus gehoord. Hij was heel erg geschrokken van al die verhalen. Want er waren mensen die zeiden dat Jezus de profeet Elia was. Er waren ook mensen die zeiden dat Jezus een andere profeet van vroeger was. En er waren mensen die zeiden: ‘Het is Johannes de Doper, die uit de dood is opgestaan!’

9Herodes dacht: Johannes kan het niet zijn, want die heb ik laten doden. Maar wie zou die man dan zijn? Vanaf dat moment wilde Herodes Jezus ontmoeten.

De mensen gaan Jezus achterna

10De leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. Daarna nam Jezus zijn leerlingen mee naar de stad Betsaïda. Hij wilde daar met hen alleen zijn.

11Maar toen de mensen merkten waar Jezus was, gingen ze hem met een grote groep achterna. Jezus stuurde hen niet weg, maar vertelde hun over Gods nieuwe wereld. En hij maakte de zieke mensen beter.

Jezus geeft veel mensen te eten

12Het werd avond. De twaalf leerlingen kwamen naar Jezus toe. Ze zeiden: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want hier is niets te eten, en er is geen plek om te slapen. Ze kunnen beter naar de dorpen en de boeren in de buurt gaan.’ 13-14Maar Jezus zei: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Dat kan niet! Er zijn wel vijfduizend mensen. En we hebben maar vijf broden en twee vissen. Of moeten we soms voor al deze mensen eten gaan kopen?’

Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Verdeel de mensen in groepen van ongeveer vijftig, en zeg dat ze moeten gaan zitten.’ 15De leerlingen deden wat Jezus gezegd had, en iedereen ging zitten. 16Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood en de vis in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

17Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. Het eten dat overbleef, werd verzameld. Het waren twaalf manden vol.

Jezus vraagt de leerlingen wie hij is

18Op een keer was Jezus aan het bidden. Alleen zijn leerlingen waren bij hem. Jezus vroeg aan hen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’ 19De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’

20Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias die door God gestuurd is.’ 21Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

22Jezus vertelde wat er met hem zou gebeuren. Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen hem behandelen als een vijand. Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt

23Jezus zei tegen alle mensen: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Je moet juist bereid zijn om je leven op te geven, elke dag opnieuw. En je moet met mij meegaan. 24Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.’

25Jezus zei verder: ‘Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? Of als je jezelf daarmee kapotmaakt?

26Als je mijn volgeling wilt zijn, moet je je niet schamen voor mij of voor mijn boodschap. Want anders zal de Mensenzoon zich ook voor jou schamen als hij terugkomt. Bedenk dat hij zal komen als koning, met de macht van de Vader en de heilige engelen. 27Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen nog tijdens hun leven Gods nieuwe wereld zien.’

Jezus spreekt met Mozes en Elia

28Ongeveer acht dagen later ging Jezus een berg op om te bidden. Hij nam Petrus, Johannes en Jakobus mee.

29Terwijl Jezus aan het bidden was, veranderde zijn gezicht. En zijn kleren werden stralend wit. 30-31Opeens stonden er twee mannen bij hem met een hemelse glans over zich heen. Het waren Mozes en Elia. Ze spraken met Jezus over de dingen die in Jeruzalem zouden gaan gebeuren.

Mozes en Elia verdwijnen in een wolk

32Intussen waren Petrus en de twee andere leerlingen in slaap gevallen. Toen ze wakker werden, zagen ze de hemelse glans van Jezus. En ze zagen ook de twee mannen die bij hem stonden. 33Toen Mozes en Elia weg wilden gaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het komt goed uit dat wij hier zijn! We zullen drie hutten maken: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ Maar Petrus had er niets van begrepen.

34Op dat moment kwam er een wolk boven hen. Mozes, Elia en Jezus verdwenen in de wolk, en de leerlingen werden bang. 35Toen klonk uit de wolk Gods stem, die zei: ‘Dit is mijn Zoon. Ik heb hem uitgekozen. Luister naar hem.’

36Nadat God gesproken had, was Jezus weer alleen. De leerlingen vertelden in die tijd aan niemand wat ze gezien hadden.

Een jongen met een kwade geest

37De volgende dag gingen Jezus en de drie leerlingen de berg weer af. Er stond een grote groep mensen op hen te wachten. 38Een man uit de groep riep Jezus en zei: ‘Meester, kom alstublieft naar mijn zoon kijken. Hij is mijn enige kind. 39Er komt steeds een kwade geest in hem. Elke keer als dat gebeurt, begint mijn zoon plotseling te schreeuwen. Dan schudt hij heen en weer, en dan krijgt hij schuim op zijn mond. De geest wil niet uit hem weggaan en doet hem heel veel pijn. 40Ik heb uw leerlingen gesmeekt om de geest weg te jagen. Maar zij konden het niet.’

41Toen zei Jezus: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Jullie doen het helemaal verkeerd. Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’

42Toen de jongen aan kwam lopen, gooide de kwade geest hem op de grond. Hij schudde de jongen heen en weer. Maar Jezus sprak streng tegen de kwade geest. Hij maakte de jongen weer beter, en bracht hem naar zijn vader.

43Iedereen was diep onder de indruk van Gods grote macht.

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

De mensen dachten nog vol verbazing na over alles wat Jezus deed. Intussen vertelde Jezus aan zijn leerlingen wat er zou gaan gebeuren. Hij zei: 44‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden. Dat moeten jullie goed onthouden.’

45De leerlingen wisten niet wat Jezus daarmee bedoelde. Ze konden het op dat moment nog niet begrijpen. En ze durfden het ook niet aan Jezus te vragen.

Jezus vertelt wie echt belangrijk is

46De leerlingen hadden een discussie over wie de belangrijkste leerling was. 47Jezus wist dat ze zich daar druk om maakten. Hij haalde er een kind bij en zette het naast zich. 48Toen zei hij: ‘Als je bij mij hoort, dan moet je juist voor de minst belangrijke mensen aandacht hebben. Zoals voor zo’n kind. Want wat je voor de minst belangrijke mensen doet, dat doe je voor mij. En wat je voor mij doet, dat doe je ook voor God, die mij gestuurd heeft. Weet je wie van jullie echt belangrijk is? Dat is degene die zichzelf het minst belangrijk vindt.’

Jezus legt uit wie bij hem hoort

49Johannes zei tegen Jezus: ‘Meester, wij zagen een man die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. We zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’ 50Maar Jezus zei: ‘Laat die man zijn gang gaan. Als hij geen vijand van jullie is, dan is hij een vriend.’

Jezus is niet welkom in Samaria

51Jezus zou niet lang meer op aarde blijven. Daarom nam hij het besluit om naar Jeruzalem te gaan. 52Onderweg stuurde hij een paar leerlingen vooruit. Zij kwamen in een dorp in Samaria. Daar wilden ze een slaapplaats voor Jezus regelen. 53Maar Jezus was daar niet welkom, omdat hij op weg was naar Jeruzalem.

54Toen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, zeiden ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel laten komen om de mensen hier te doden?’ 55Maar Jezus draaide zich om en verbood ze om zo te praten. 56Daarna gingen ze verder naar een ander dorp.

Het is moeilijk om Jezus te volgen

57Onderweg zei iemand tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 58Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

59En Jezus zei tegen een ander: ‘Ga met me mee!’ De man antwoordde: ‘Heer, vindt u het goed als ik eerst mijn vader ga begraven?’ 60Maar Jezus zei: ‘Laat de doden maar voor elkaar zorgen. Jij moet de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld!’

61Iemand anders zei tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan, Heer! Maar mag ik eerst afscheid nemen van mijn familie?’ 62Jezus zei tegen hem: ‘Mensen die achteromkijken in plaats van vooruit, zijn niet geschikt voor Gods nieuwe wereld.’

10

De leerlingen gaan op reis

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

101De Heer koos 72 leerlingen uit. Hij stuurde hen twee aan twee op weg, naar alle plaatsen waar hij zelf ook heen wilde gaan.

2Hij zei tegen de leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.

3Ga nu op weg! Maar let op, want het zal gevaarlijk zijn voor jullie. Net zo gevaarlijk als het voor lammetjes is om tussen wolven te lopen. 4Neem geen geld mee, en ook geen tas of schoenen. En groet niemand onderweg.’

Wat de leerlingen onderweg moeten doen

5Jezus zei verder: ‘Als je een huis binnengaat, zeg dan eerst: ‘Ik wens dit huis vrede.’ 6Als daar iemand woont die vrede wil, dan komt daar ook vrede. Maar als daar niet zo iemand woont, dan komt daar geen vrede. 7En ga niet steeds naar een volgend huis, maar blijf in het huis waar je ontvangen wordt. Eet en drink wat de mensen je geven. Daar hebben jullie recht op, want jullie werken hard.

8Als je in een stad komt waar je welkom bent, kun je eten wat de mensen je geven. 9Maak daar de zieke mensen beter en zeg tegen hen: ‘Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

10Maar soms ben je niet welkom in een stad. Dan moet je de straat op gaan en zeggen: 11‘We vegen het stof van jullie stad van onze voeten. Want jullie hebben de verkeerde keus gemaakt. Maar denk erom: Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

12Luister naar mijn woorden: Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij zo’n stad zwaar straffen. Nog zwaarder dan Sodom.’

Wie niet luistert, wordt gestraft

13Jezus zei ook: ‘Jullie daar, inwoners van Chorazin en Betsaïda! Jullie zullen gestraft worden. Jullie hebben veel wonderen gezien, maar jullie hebben niet geluisterd. Stel dat de mensen in Tyrus en Sidon al die wonderen meegemaakt hadden. Dan hadden ze allang laten zien dat ze spijt hadden van hun fouten. En dan hadden ze hun leven veranderd! 14Luister! Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij jullie zwaar straffen. Nog zwaarder dan Tyrus en Sidon.

15En jullie daar in Kafarnaüm. Denk je dat jullie welkom zijn in de hemel? Nee, jullie komen in de hel terecht!’

16Tegen zijn leerlingen zei Jezus: ‘Iedereen die naar jullie luistert, die luistert naar mij. En iedereen die nee tegen jullie zegt, die zegt nee tegen mij. En niet alleen tegen mij, maar ook tegen God, die mij gestuurd heeft.’

De leerlingen komen terug van hun reis

17De 72 leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze waren blij en zeiden: ‘Heer, zelfs de kwade geesten gehoorzaamden ons toen we uw naam noemden.’

18-19Jezus zei tegen hen: ‘Luister! Jullie kunnen zonder gevaar op slangen en giftige spinnen gaan staan. Zo sterk heb ik jullie gemaakt. Niets kan jullie nog kwaad doen. Want ik heb gezien dat Satan uit de hemel gevallen is en zijn macht is kwijtgeraakt.

20Maar jullie moeten niet blij zijn omdat de geesten jullie gehoorzamen. Nee, jullie moeten blij zijn omdat het eeuwige leven voor jullie bestemd is.’

Jezus kent God en vertelt over hem

21Op dat moment liet de heilige Geest Jezus juichen van vreugde. Jezus riep: ‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u! Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen. Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen. Ja, Vader, zo wilde u het.’

22Daarna zei Jezus: ‘Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven. Alleen de Vader kent de Zoon. En alleen de Zoon kent de Vader. En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’

23Daarna draaide Jezus zich om naar zijn leerlingen. En alleen tegen hen zei hij: ‘Het echte geluk is voor jullie. Want jullie zien alle bijzondere dingen die ik doe. 24Luister naar mijn woorden: Veel profeten en koningen hadden graag gezien en gehoord wat jullie nu meemaken. Zij hebben het niet gezien of gehoord, maar jullie wel.’

Een Samaritaan helpt

Een wetsleraar stelt Jezus een vraag

25Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 26Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’

27De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’ 28Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’

Jezus vertelt over een man op reis

29De wetsleraar wilde laten zien dat hij de wet beter kende dan Jezus. Daarom vroeg hij: ‘Wie is mijn medemens dan?’

30Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Maar onderweg werd hij door rovers overvallen. Ze pakten alles van hem af, ook zijn kleren. Ze sloegen hem halfdood, en lieten hem liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. 32Toen er even later een hulppriester langskwam, gebeurde hetzelfde. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg.

Een Samaritaan helpt de man

33Toen kwam er een vreemdeling langs, een Samaritaan. Hij zag de man liggen en kreeg medelijden. 34Daarom ging hij naar hem toe. Hij verzorgde de wonden van de man met olie en wijn. En hij deed er verband om. Toen zette hij de man op zijn eigen ezel en bracht hem naar een herberg. Daar zorgde hij voor hem. 35De volgende dag gaf de Samaritaan geld aan de eigenaar van de herberg en zei: ‘Zorg goed voor de man. Als het je meer geld kost, krijg je dat van me op mijn terugreis.’’

36Toen vroeg Jezus: ‘Wat denk je? Wie was de medemens van de man die overvallen werd? De priester, de hulppriester of de Samaritaan?’ 37De wetsleraar antwoordde: ‘De Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.’ Toen zei Jezus: ‘Doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.’

Jezus geeft uitleg

Marta zorgt voor Jezus

38Jezus en zijn leerlingen gingen verder, en kwamen bij een dorp. Daar woonde een vrouw die Jezus uitnodigde om bij haar thuis te komen. Ze heette Marta, 39en haar zus heette Maria.

Maria ging bij de Heer zitten en luisterde aandachtig naar zijn woorden. 40Maar Marta was druk bezig met de zorg voor het eten en drinken. Ze vroeg aan Jezus: ‘Heer, mijn zus laat mij alles alleen doen. Dat kan toch niet? Zeg tegen haar dat ze mij moet komen helpen.’

41Toen zei de Heer tegen haar: ‘Marta, Marta, maak je toch niet altijd zo veel zorgen! 42Er is maar één ding echt belangrijk: dat je luistert naar mijn woorden. Maria heeft dus de goede keuze gemaakt. Mijn woorden zullen altijd bij haar blijven.’