Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Jezus vertelt over zichzelf

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

91Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij elkaar. Hij gaf hun de kracht en de macht om alle kwade geesten weg te jagen en zieke mensen beter te maken. 2Toen zei hij dat de leerlingen op weg moesten gaan. Ze moesten de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld, en ze moesten zieke mensen beter maken.

3Jezus zei tegen hen: ‘Jullie mogen niets meenemen op je reis. Geen stok, geen tas, geen brood, geen geld en geen extra kleren. 4Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer naar de volgende stad gaat. 5Maar als mensen je niet binnenlaten, dan moet je meteen uit die stad weggaan. Je moet zelfs het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’

6De leerlingen gingen op weg. Ze reisden van dorp naar dorp. Overal vertelden ze het goede nieuws en maakten ze zieke mensen beter.

Herodes hoort het nieuws over Jezus

7-8Koning Herodes had alles over Jezus gehoord. Hij was heel erg geschrokken van al die verhalen. Want er waren mensen die zeiden dat Jezus de profeet Elia was. Er waren ook mensen die zeiden dat Jezus een andere profeet van vroeger was. En er waren mensen die zeiden: ‘Het is Johannes de Doper, die uit de dood is opgestaan!’

9Herodes dacht: Johannes kan het niet zijn, want die heb ik laten doden. Maar wie zou die man dan zijn? Vanaf dat moment wilde Herodes Jezus ontmoeten.

De mensen gaan Jezus achterna

10De leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. Daarna nam Jezus zijn leerlingen mee naar de stad Betsaïda. Hij wilde daar met hen alleen zijn.

11Maar toen de mensen merkten waar Jezus was, gingen ze hem met een grote groep achterna. Jezus stuurde hen niet weg, maar vertelde hun over Gods nieuwe wereld. En hij maakte de zieke mensen beter.

Jezus geeft veel mensen te eten

12Het werd avond. De twaalf leerlingen kwamen naar Jezus toe. Ze zeiden: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want hier is niets te eten, en er is geen plek om te slapen. Ze kunnen beter naar de dorpen en de boeren in de buurt gaan.’ 13-14Maar Jezus zei: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Dat kan niet! Er zijn wel vijfduizend mensen. En we hebben maar vijf broden en twee vissen. Of moeten we soms voor al deze mensen eten gaan kopen?’

Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Verdeel de mensen in groepen van ongeveer vijftig, en zeg dat ze moeten gaan zitten.’ 15De leerlingen deden wat Jezus gezegd had, en iedereen ging zitten. 16Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood en de vis in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

17Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. Het eten dat overbleef, werd verzameld. Het waren twaalf manden vol.

Jezus vraagt de leerlingen wie hij is

18Op een keer was Jezus aan het bidden. Alleen zijn leerlingen waren bij hem. Jezus vroeg aan hen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’ 19De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’

20Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias die door God gestuurd is.’ 21Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

22Jezus vertelde wat er met hem zou gebeuren. Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen hem behandelen als een vijand. Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt

23Jezus zei tegen alle mensen: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Je moet juist bereid zijn om je leven op te geven, elke dag opnieuw. En je moet met mij meegaan. 24Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.’

25Jezus zei verder: ‘Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? Of als je jezelf daarmee kapotmaakt?

26Als je mijn volgeling wilt zijn, moet je je niet schamen voor mij of voor mijn boodschap. Want anders zal de Mensenzoon zich ook voor jou schamen als hij terugkomt. Bedenk dat hij zal komen als koning, met de macht van de Vader en de heilige engelen. 27Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen nog tijdens hun leven Gods nieuwe wereld zien.’

Jezus spreekt met Mozes en Elia

28Ongeveer acht dagen later ging Jezus een berg op om te bidden. Hij nam Petrus, Johannes en Jakobus mee.

29Terwijl Jezus aan het bidden was, veranderde zijn gezicht. En zijn kleren werden stralend wit. 30-31Opeens stonden er twee mannen bij hem met een hemelse glans over zich heen. Het waren Mozes en Elia. Ze spraken met Jezus over de dingen die in Jeruzalem zouden gaan gebeuren.

Mozes en Elia verdwijnen in een wolk

32Intussen waren Petrus en de twee andere leerlingen in slaap gevallen. Toen ze wakker werden, zagen ze de hemelse glans van Jezus. En ze zagen ook de twee mannen die bij hem stonden. 33Toen Mozes en Elia weg wilden gaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het komt goed uit dat wij hier zijn! We zullen drie hutten maken: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ Maar Petrus had er niets van begrepen.

34Op dat moment kwam er een wolk boven hen. Mozes, Elia en Jezus verdwenen in de wolk, en de leerlingen werden bang. 35Toen klonk uit de wolk Gods stem, die zei: ‘Dit is mijn Zoon. Ik heb hem uitgekozen. Luister naar hem.’

36Nadat God gesproken had, was Jezus weer alleen. De leerlingen vertelden in die tijd aan niemand wat ze gezien hadden.

Een jongen met een kwade geest

37De volgende dag gingen Jezus en de drie leerlingen de berg weer af. Er stond een grote groep mensen op hen te wachten. 38Een man uit de groep riep Jezus en zei: ‘Meester, kom alstublieft naar mijn zoon kijken. Hij is mijn enige kind. 39Er komt steeds een kwade geest in hem. Elke keer als dat gebeurt, begint mijn zoon plotseling te schreeuwen. Dan schudt hij heen en weer, en dan krijgt hij schuim op zijn mond. De geest wil niet uit hem weggaan en doet hem heel veel pijn. 40Ik heb uw leerlingen gesmeekt om de geest weg te jagen. Maar zij konden het niet.’

41Toen zei Jezus: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Jullie doen het helemaal verkeerd. Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’

42Toen de jongen aan kwam lopen, gooide de kwade geest hem op de grond. Hij schudde de jongen heen en weer. Maar Jezus sprak streng tegen de kwade geest. Hij maakte de jongen weer beter, en bracht hem naar zijn vader.

43Iedereen was diep onder de indruk van Gods grote macht.

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

De mensen dachten nog vol verbazing na over alles wat Jezus deed. Intussen vertelde Jezus aan zijn leerlingen wat er zou gaan gebeuren. Hij zei: 44‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden. Dat moeten jullie goed onthouden.’

45De leerlingen wisten niet wat Jezus daarmee bedoelde. Ze konden het op dat moment nog niet begrijpen. En ze durfden het ook niet aan Jezus te vragen.

Jezus vertelt wie echt belangrijk is

46De leerlingen hadden een discussie over wie de belangrijkste leerling was. 47Jezus wist dat ze zich daar druk om maakten. Hij haalde er een kind bij en zette het naast zich. 48Toen zei hij: ‘Als je bij mij hoort, dan moet je juist voor de minst belangrijke mensen aandacht hebben. Zoals voor zo’n kind. Want wat je voor de minst belangrijke mensen doet, dat doe je voor mij. En wat je voor mij doet, dat doe je ook voor God, die mij gestuurd heeft. Weet je wie van jullie echt belangrijk is? Dat is degene die zichzelf het minst belangrijk vindt.’

Jezus legt uit wie bij hem hoort

49Johannes zei tegen Jezus: ‘Meester, wij zagen een man die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. We zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’ 50Maar Jezus zei: ‘Laat die man zijn gang gaan. Als hij geen vijand van jullie is, dan is hij een vriend.’

Jezus is niet welkom in Samaria

51Jezus zou niet lang meer op aarde blijven. Daarom nam hij het besluit om naar Jeruzalem te gaan. 52Onderweg stuurde hij een paar leerlingen vooruit. Zij kwamen in een dorp in Samaria. Daar wilden ze een slaapplaats voor Jezus regelen. 53Maar Jezus was daar niet welkom, omdat hij op weg was naar Jeruzalem.

54Toen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, zeiden ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel laten komen om de mensen hier te doden?’ 55Maar Jezus draaide zich om en verbood ze om zo te praten. 56Daarna gingen ze verder naar een ander dorp.

Het is moeilijk om Jezus te volgen

57Onderweg zei iemand tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 58Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

59En Jezus zei tegen een ander: ‘Ga met me mee!’ De man antwoordde: ‘Heer, vindt u het goed als ik eerst mijn vader ga begraven?’ 60Maar Jezus zei: ‘Laat de doden maar voor elkaar zorgen. Jij moet de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld!’

61Iemand anders zei tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan, Heer! Maar mag ik eerst afscheid nemen van mijn familie?’ 62Jezus zei tegen hem: ‘Mensen die achteromkijken in plaats van vooruit, zijn niet geschikt voor Gods nieuwe wereld.’