Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Jezus bepaalt wat er mag op sabbat

61Op een keer liepen Jezus en zijn leerlingen door de korenvelden. Het was die dag sabbat. De leerlingen van Jezus plukten wat van het koren. Ze maakten de korrels fijn met hun handen en aten ze op.

2Een paar farizeeën zagen dat en zeiden: ‘Waarom doen jullie iets dat op sabbat verboden is?’ 3-4Jezus antwoordde: ‘Jullie weten toch wat David ooit gedaan heeft? Toen hij en zijn mannen honger hadden, ging David naar de tempel. Daar pakte hij het offerbrood en hij at het op. Hij gaf het brood ook aan zijn mannen, terwijl alleen priesters dat brood mogen eten.’ 5Daarna zei Jezus: ‘Ik ben de Mensenzoon. Ik bepaal wat je op sabbat mag doen.’

Jezus maakt iemand beter op sabbat

6Op een andere sabbat ging Jezus naar de synagoge om uitleg te geven over God. In de synagoge was een man met een vergroeide rechterhand.

7De wetsleraren en de farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 8Maar Jezus wist wat ze dachten. Hij zei tegen de man met de vergroeide hand: ‘Sta op en kom bij mij staan.’ Dat deed de man. 9Toen vroeg Jezus aan de wetsleraren en de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’

10Jezus keek iedereen aan. Toen zei hij tegen de man met de vergroeide hand: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter.

11De wetsleraren en de farizeeën waren woedend. Ze bespraken met elkaar wat ze met Jezus zouden doen.

Uitleg over Gods nieuwe wereld

Jezus stelt twaalf apostelen aan

12Kort daarna ging Jezus naar een berg om tot God te bidden. Hij bleef er de hele nacht.

13De volgende dag riep Jezus zijn leerlingen bij zich. Hij koos er twaalf uit, en noemde hen ‘apostelen’. 14De twaalf apostelen waren: Simon, die hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas. Verder Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, 15Matteüs, Tomas. En ook Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot. 16Ten slotte nog Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later Jezus verraden.

Jezus maakt veel mensen beter

17Samen met zijn twaalf apostelen ging Jezus de berg weer af. Hij bleef staan op een veld. Daar waren veel van zijn leerlingen bij elkaar gekomen. Er was ook een grote groep andere mensen. Die kwamen uit alle delen van Judea, uit Jeruzalem en ook uit het gebied bij Tyrus en Sidon. 18-19Ze waren gekomen om naar Jezus te luisteren en om door hem te worden genezen. Iedereen probeerde Jezus aan te raken. Want ze wisten dat hij de macht had om hen beter te maken. Jezus maakte alle zieken beter, ook de mensen die last hadden van kwade geesten.

Jezus vertelt over Gods nieuwe wereld

20-26Jezus keek zijn leerlingen aan en zei: ‘Het echte geluk is voor mensen die arm zijn. Want voor hen is Gods nieuwe wereld. Het echte geluk is voor mensen die nu honger hebben. Want zij zullen veel te eten krijgen. Het echte geluk is voor mensen die nu huilen. Want zij zullen lachen.

Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben, omdat je bij mij hoort. Misschien word je gehaat of weggestuurd. Misschien schelden de mensen je uit of bespotten ze je. Dat is vroeger ook gebeurd met de profeten. Als dat met jullie gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel.

Maar het loopt slecht met je af als je rijk bent. Want dan heb je het nu goed, maar straks niet meer. Het loopt slecht met je af als je nu heel veel te eten hebt. Want dan zul je straks honger hebben. Het loopt slecht met je af als je nu lacht. Want dan zul je straks verdriet hebben en huilen. Het loopt slecht met je af als iedereen goede dingen over je zegt. Dan ben je net als de valse profeten, daar zeiden ze vroeger ook altijd goede dingen over.’

Wees goed voor iedereen

27Jezus zei tegen de mensen die naar hem luisterden: ‘Je moet van je vijanden houden. Wees goed voor de mensen die je haten. 28Spreek met respect over de mensen die je uitschelden. Bid voor de mensen die je slecht behandelen.

29Als iemand je een klap in je gezicht geeft, draai dan je hoofd naar de andere kant. Dan kan hij je nog een keer slaan. En als iemand je jas afpakt, geef hem dan ook je hemd. 30Als iemand iets van je wil hebben, geef het hem dan. En als iemand iets van je pakt, vraag het dan niet terug. 31Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden.

32Stel dat je alleen van je vrienden houdt. Verdien je dan een beloning van God? Nee, want ook slechte mensen houden van hun vrienden.

33En stel dat je alleen goed bent voor de mensen die goed zijn voor jou. Verdien je dan een beloning? Nee, want slechte mensen doen hetzelfde.

34En stel dat je geld leent aan iemand die het je later zal terugbetalen. Verdien je dan een beloning? Nee, want ook slechte mensen lenen geld aan mensen die het later terugbetalen.

35Daarom zeg ik tegen jullie: Houd van je vijanden. Wees goed voor iedereen. En leen geld uit zonder het terug te verwachten. Dan zullen jullie een grote beloning krijgen, en jullie zullen kinderen van God zijn. Want ook God zelf is goed voor mensen die ondankbaar en slecht zijn.’

Veroordeel andere mensen niet

36Jezus zei ook: ‘Wees net als jullie Vader goed voor andere mensen. 37Veroordeel andere mensen niet, dan zal God jou ook niet veroordelen. Zeg niet dat andere mensen slecht zijn, dan zegt God dat ook niet over jou. Vergeef mensen als ze fouten maken, dan doet God dat ook. 38Geef, en je zult krijgen, meer dan je vast kunt houden! Want zo veel als jij aan anderen geeft, zo veel geeft God aan jou.’

39Daarna gaf Jezus een voorbeeld. Hij zei: ‘Kan een blinde een andere blinde de weg wijzen? Nee, want dan vallen ze samen in een kuil. 40En een leerling weet niet zo veel als zijn leraar. Pas als een leerling alles geleerd heeft, weet hij net zo veel.’

Kijk eerst naar je eigen fouten

41-42Daarna zei Jezus: ‘Jullie letten goed op de fouten van anderen. Maar je eigen fouten zie je niet. Het is alsof je een splinter ziet in het oog van een ander, maar niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit. Je zegt tegen die ander: ‘Kom, ik haal die splinter wel even uit je oog.’

Doe niet zo schijnheilig! Haal eerst die balk uit je eigen oog! Dan kun je zelf weer goed zien. En pas dan kun je de splinter uit het oog van de ander halen.

Je herkent mensen aan hun woorden

43-44Een goede boom herken je aan zijn vruchten. Een goede boom geeft geen slechte vruchten, en een slechte boom geeft geen goede vruchten. Van een doornstruik kun je geen vijgen of druiven plukken.

45Zo zegt een goed mens goede dingen omdat hij van binnen goed is. En een slecht mens zegt slechte dingen omdat hij van binnen slecht is. Je woorden laten zien hoe je van binnen bent!’

Je moet doen wat Jezus vraagt

46Daarna zei Jezus: ‘Jullie noemen mij Heer. Maar jullie doen niet wat ik zeg.

47Stel dat iemand bij me komt, naar me luistert en doet wat ik zeg. 48Zo iemand lijkt op een man die een stevig huis bouwt. Eerst graaft hij in de grond en maakt daar een fundament. Als er dan een overstroming komt, zal het huis stevig blijven staan. Het zal niet verwoest worden door het water, want het is goed gebouwd.

49Maar stel dat iemand naar me luistert, maar niet doet wat ik zeg. Zo iemand lijkt op een man die een huis bouwt zonder fundament. Als er dan een overstroming komt, zakt het huis meteen in elkaar. Er blijft niets van over.’

7

Jezus doet wonderen

Een Romeinse officier vraagt om hulp

71Toen Jezus dat allemaal tegen de mensen gezegd had, ging hij naar Kafarnaüm. 2Daar woonde een Romeinse officier. De officier had een slaaf van wie hij hield. Maar de slaaf was heel ziek en ging bijna dood.

3Toen de officier over Jezus hoorde, stuurde hij een paar Joodse leiders naar hem toe. Die moesten aan Jezus vragen of hij de slaaf beter wilde maken. 4De Joodse leiders gingen naar Jezus toe en smeekten hem om te komen. Ze zeiden: ‘Deze Romeinse officier verdient uw hulp, 5want hij is goed voor ons volk. Hij heeft zelfs een synagoge voor ons gebouwd.’

De Romeinse officier gelooft in Jezus

6Jezus ging met de Joodse leiders mee naar de officier. Maar toen hij er bijna was, kwamen er een paar vrienden van de officier naar hem toe. Ze moesten van de officier tegen Jezus zeggen: ‘Heer, u hoeft niet helemaal naar mijn huis te komen, want dat ben ik niet waard. 7Daarom durfde ik ook niet zelf naar u toe te komen. U hoeft alleen maar te zeggen dat mijn slaaf beter moet worden. Dan zal dat ook gebeuren. 8Want ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen een soldaat zeg: ‘Je moet gaan,’ dan gaat hij. En als ik zeg: ‘Je moet komen,’ dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg: ‘Doe dit,’ dan doet hij het.’

9Toen Jezus dat hoorde, was hij verbaasd. Hij zei tegen de mensen die met hem meegingen: ‘Luister naar mijn woorden: Iemand met zo’n groot geloof heb ik in heel Israël nog niet gezien!’ 10En toen de vrienden van de officier terugkwamen, was de slaaf weer gezond.

Jezus maakt een jongen weer levend

11Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met hem mee. 12Toen ze bij de poort van de stad kwamen, liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven.

13Toen de Heer de moeder zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ 14Daarna liep hij naar de dode jongen toe. De mensen die de jongen droegen, bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘Jongen, ik wil dat je opstaat.’ 15De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder.

16Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘God heeft aan zijn volk gedacht. Hij heeft een machtige profeet naar ons toe gestuurd.’

17Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten.

Uitleg over Johannes en Jezus

Is Jezus echt de messias?

18Johannes hoorde van zijn leerlingen wat Jezus allemaal gedaan had. Hij riep twee van zijn leerlingen bij zich 19en stuurde hen naar de Heer toe met de vraag: ‘Bent u de messias die zou komen? Of moeten we wachten op iemand anders?’

20De twee mannen kwamen bij Jezus en zeiden: ‘Johannes de Doper stuurt ons. Hij wil weten of u de messias bent. Is dat zo, of moeten we wachten op iemand anders?’ 21Jezus maakte op dat moment veel zieke mensen beter. Ook jaagde hij kwade geesten weg, en hij zorgde ervoor dat blinde mensen konden zien.

22Jezus zei tegen de mannen: ‘Ga terug naar Johannes. En vertel hem alles wat je hier ziet en hoort: Blinde mensen kunnen zien. Mensen die niet konden lopen, lopen rond. Mensen met een huidziekte zijn beter. Dove mensen kunnen horen. Dode mensen leven weer. En arme mensen horen het goede nieuws. 23Het echte geluk is voor iedereen die vertrouwen in mij heeft.’

Jezus vertelt over Johannes de Doper

24De leerlingen van Johannes de Doper gingen weer weg. Toen begon Jezus de mensen te vertellen over Johannes. Hij zei: ‘Een tijd geleden gingen jullie naar de woestijn. Waarom gingen jullie daarheen? Toch niet om het riet bij de rivier de Jordaan te bekijken, dat beweegt in de wind? 25En toch ook niet om een man met mooie kleren te zoeken? Nee, dan had je naar een paleis moeten gaan. Daar vind je rijke mensen met prachtige kleren. 26Waarom gingen jullie dan wel naar de woestijn? Jullie gingen erheen om een profeet te zien. En luister goed: Johannes is geen gewone profeet. 27God zegt over hem in de heilige boeken: «Ik stuur iemand vooruit. Hij moet de weg vrijmaken.»

28Luister naar mijn woorden: Er is geen mens op aarde zo belangrijk als Johannes de Doper. Maar in Gods nieuwe wereld zijn zelfs de gewoonste mensen nog belangrijker dan hij.’

De farizeeën willen er niet bij horen

29Jezus zei: ‘Het volk en de tollenaars luisterden naar Johannes. Ze geloofden dat hij door God gestuurd was. Daarom lieten zij zich door Johannes dopen. 30Maar de farizeeën en de wetsleraren wilden niet gehoorzaam zijn aan Gods plan. Zij lieten zich niet door Johannes dopen.’

Jezus heeft kritiek op de mensen

31Jezus zei: ‘Ik ga iets zeggen over jullie, de mensen die nu leven. Weet je waar jullie op lijken? 32Jullie lijken op kinderen op een plein, die nergens zin in hebben. Als er vrolijke muziek gemaakt wordt, dan zeggen ze: ‘Wij willen niet dansen.’ En als er een verdrietig lied gezongen wordt, dan zeggen ze: ‘Wij willen niet huilen.’

33Zo is het ook met jullie. Eerst kwam Johannes de Doper. Hij at geen brood en hij dronk geen wijn. Toen zeiden jullie: ‘Hij heeft een kwade geest in zich.’ 34En daarna ben ik gekomen, de Mensenzoon. Ik eet wel brood en ik drink wel wijn. En nu zeggen jullie: ‘Kijk eens, die man eet zich vol en hij is gek op wijn. Echt een vriend van tollenaars en slechte mensen!’

35Maar het wijze plan van God is goed, en er zullen veel mensen zijn die dat begrijpen.’

Jezus eet bij een farizeeër

Een vrouw wast de voeten van Jezus

36Op een keer nodigde een farizeeër Jezus uit om te komen eten. Jezus ging naar het huis van de farizeeër toe, en daar ging hij aan tafel.

37In de stad woonde ook een vrouw die volgens de mensen een slecht leven leidde. Toen die vrouw hoorde dat Jezus bij de farizeeër thuis was, ging ze erheen. Ze nam een flesje olie mee. Het was heel dure olie, met een lekkere geur.

38De vrouw ging bij Jezus staan en begon te huilen. Met haar tranen maakte ze de voeten van Jezus nat. En met haar haren maakte ze zijn voeten weer droog. Toen kuste ze zijn voeten en goot de olie eroverheen.

39Toen de farizeeër zag wat er gebeurde, dacht hij: Die Jezus is geen profeet! Anders zou hij wel weten dat zij een slechte vrouw is. En dan had hij haar wel weggestuurd.

Jezus stelt de farizeeër een vraag

40Toen zei Jezus tegen de farizeeër: ‘Simon, ik moet je iets vragen.’ ‘Wat dan, meester?’ vroeg Simon. 41En Jezus zei: ‘Twee mannen hebben geld geleend. De ene man heeft 500 zilveren munten geleend, de ander 50. 42Maar allebei kunnen ze het geld niet terugbetalen. Dan zegt de man van wie ze het geld geleend hebben, dat hij het niet terug hoeft. Wat denk je? Wie van de twee mannen is dankbaarder?’

43Simon antwoordde: ‘Ik denk de man die het meeste geld geleend had.’ En Jezus zei: ‘Dat heb je goed gezien.’

Jezus vergeeft de vrouw

44Toen zei Jezus tegen Simon: ‘Jij hebt mij uitgenodigd in je huis, maar je hebt me geen water gegeven om mijn voeten te wassen. Maar zie je die vrouw daar? Zij heeft mijn voeten gewassen met haar tranen, en ze daarna met haar haren afgedroogd. 45Jij hebt mij niet begroet met een kus. Zij wel, ze heeft sinds ik binnen ben, steeds mijn voeten gekust. 46Jij hebt geen olie over mijn hoofd gegoten. Maar zij goot dure olie over mijn voeten!

47Daarom zeg ik je dit: Zij heeft veel dingen verkeerd gedaan. Maar dat is haar allemaal vergeven. Dat weet ik omdat ze mij veel liefde heeft laten zien. Terwijl iemand die weinig vergeven wordt, weinig liefde laat zien.’

48Toen zei Jezus tegen de vrouw: ‘Alles wat je verkeerd hebt gedaan, is je vergeven.’ 49De mensen in het huis van Simon zeiden tegen elkaar: ‘Wie is die Jezus toch? Hij vergeeft zelfs de zonden van mensen.’ 50En Jezus zei tegen de vrouw: ‘Je bent gered dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn.’

8

Het voorbeeld van het zaad

Er gaan ook vrouwen met Jezus mee

81Daarna reisde Jezus van stad naar stad en van dorp naar dorp. Hij vertelde het goede nieuws en sprak over Gods nieuwe wereld. De twaalf leerlingen gingen met hem mee.

2Er gingen ook vrouwen mee. Jezus had die vrouwen beter gemaakt en kwade geesten uit hen weggejaagd. Eén van de vrouwen was Maria uit Magdala. Uit haar had Jezus zeven kwade geesten weggejaagd. 3Twee andere vrouwen heetten Johanna en Susanna. Johanna was de vrouw van Chusas, een belangrijke dienaar van koning Herodes. En er gingen nog veel meer vrouwen mee. Ze zorgden voor Jezus en zijn leerlingen, en betaalden alles van hun eigen geld.

Het voorbeeld van het zaad

4Uit alle steden kwamen er mensen naar Jezus luisteren. Toen er heel veel mensen waren, begon Jezus een verhaal te vertellen als voorbeeld.

5Hij zei: ‘Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Mensen lopen eroverheen, of vogels eten het op. 6Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Dat zaad groeit eerst goed, maar gaat dan snel dood doordat het geen water krijgt. 7Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood. 8Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad groeit en wordt goed koren met wel honderd graankorrels.’

Daarna zei Jezus luid: ‘Laat dat goed tot je doordringen!’

Wat betekent het voorbeeld?

9De leerlingen vroegen aan Jezus wat het voorbeeld van het zaad betekende. 10Jezus zei: ‘Jullie mogen de geheimen van Gods nieuwe wereld kennen. Maar de andere mensen krijgen alleen voorbeelden te horen. Op die manier zien ze wel wat er gebeurt, maar ze begrijpen het niet. Ze luisteren wel, maar ze snappen het niet.’

Jezus legt het voorbeeld uit

11Jezus zei: ‘Ik zal het voorbeeld uitleggen. Het zaad is het goede nieuws van God. 12Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord, maar dan komt de duivel en pakt het van hen af. Die mensen worden niet gered, omdat ze het goede nieuws niet geloven.

13Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol. Zodra ze het moeilijk krijgen, geven ze het op.

14Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze zijn te druk met dagelijkse problemen. Ze willen rijk worden en een prettig leven hebben. Dat vinden ze belangrijker.

15Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Zij luisteren naar het nieuws van God en ze begrijpen het. Want zij zijn eerlijke en goede mensen. Zij leven zoals God het wil, zonder op te geven.’

Jezus waarschuwt de mensen

16Jezus zei tegen de mensen: ‘Niemand zet een brandende lamp onder een emmer of onder een bed. Je zet een lamp juist hoog. Dan kan iedereen die binnenkomt, het licht goed zien. 17Dan zal alles wat verborgen is, zichtbaar worden. En geheimen zullen aan iedereen bekend worden.

18Luister dus op de goede manier. Want iemand die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iemand die niets heeft, raakt zelfs kwijt wat hij denkt te hebben.’

De familie van Jezus komt bij hem

19De moeder en de broers van Jezus kwamen naar hem toe. Maar omdat er zo veel mensen waren, konden ze niet bij Jezus in de buurt komen. 20Toen zeiden de mensen tegen Jezus: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze willen u spreken.’

21Maar Jezus zei tegen de mensen: ‘Mijn moeder en mijn broers? Die staan hier! Want iedereen die luistert naar het nieuws over God en die doet wat God wil, is mijn moeder en mijn broer.’

Jezus steekt het meer over

Jezus heeft macht over wind en water

22Op een dag stapten Jezus en zijn leerlingen in een boot. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’ En ze gingen op weg. 23Onderweg viel Jezus in slaap. Toen begon het opeens heel hard te waaien op het meer. Er kwam veel water in de boot. Het werd zo gevaarlijk 24dat de leerlingen Jezus wakker maakten. Ze riepen: ‘Meester, meester, we verdrinken!’

Toen stond Jezus op, en hij sprak streng tegen de wind en de golven. Meteen hield het op met waaien, en het water werd rustig.

25Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Waar is jullie geloof?’ De leerlingen waren geschrokken. Diep onder de indruk zeiden ze tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Hoe kan dat? Wie is deze man?’

Een man met een kwade geest

26Ze staken met de boot het meer over, van Galilea naar het gebied van de Gerasenen. 27Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam er een man uit dat gebied op hem af. Hij had een kwade geest in zich. Hij had geen kleren aan, en hij had ook geen huis. De man woonde in de grotten waar mensen begraven lagen. Zo leefde hij al een hele tijd.

28-29Toen de man Jezus zag, begon hij te schreeuwen. En hij liet zich voor Jezus op de grond vallen. Jezus zei tegen de kwade geest die in de man was: ‘Ga weg uit die man!’ Maar de kwade geest riep: ‘Jij daar, Jezus, Zoon van de allerhoogste God! Laat me met rust! Ik smeek je, doe me geen pijn!’

De kwade geest had die man al heel lang in zijn macht. De mensen hadden de man vaak vastgebonden met zware kettingen en handboeien. Zo bewaakten ze hem. Maar steeds weer trok de man de boeien los. En dan liet de kwade geest hem weer naar een eenzame plaats gaan.

Jezus jaagt de kwade geesten weg

30Jezus vroeg aan de man: ‘Hoe heet je?’ ‘Ik heet Leger,’ antwoordde de man. In hem woonde namelijk een heel leger kwade geesten. 31En die zeiden tegen Jezus: ‘Stuur ons alsjeblieft niet naar de hel!’

32Toevallig liep daar in de bergen een grote groep varkens. De kwade geesten vroegen aan Jezus: ‘Mogen we in die varkens gaan?’ Dat vond Jezus goed. 33De kwade geesten verlieten de man, en gingen in de varkens. Meteen renden de varkens van de steile berg af, en ze vielen in het meer. Alle varkens verdronken.

De mensen willen dat Jezus weggaat

34De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Overal vertelden ze de mensen wat er gebeurd was. 35De mensen gingen zelf kijken. Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze de man. De kwade geesten waren weg, en de man zat bij Jezus. Hij had kleren aan en hij was helemaal normaal. De mensen schrokken ervan.

36Een paar mensen hadden alles gezien. Zij vertelden aan de anderen hoe Jezus de man genezen had. 37Toen vroegen alle mensen uit het gebied van de Gerasenen aan Jezus of hij weg wilde gaan. Zo bang waren ze.

Jezus stapte in de boot. 38De man die eerst kwade geesten in zich had, wilde bij Jezus blijven. Hij smeekte Jezus of hij met hem mee mocht gaan. Maar Jezus stuurde hem weg. Hij zei: 39‘Ga terug naar huis en vertel wat God voor jou gedaan heeft.’ De man ging weg en vertelde iedereen in de stad wat Jezus voor hem gedaan had.

Jezus doet wonderen

Jaïrus komt bij Jezus

40Toen Jezus terugkwam in Galilea, werd hij door veel mensen begroet. Ze hadden allemaal op hem gewacht.

41-42Er was ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus knielde voor Jezus op de grond en zei: ‘Ga alstublieft mee naar mijn huis, mijn dochter gaat dood!’ De dochter van Jaïrus was twaalf jaar, en ze was zijn enige kind.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

Terwijl Jezus met Jaïrus meeging, liepen de mensen om hem heen te dringen. 43Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. De vrouw had al haar geld uitgegeven aan dokters, maar niemand had haar beter kunnen maken. 44Het lukte de vrouw om vlak achter Jezus te komen en de rand van zijn jas aan te raken. Het bloeden stopte meteen.

45Toen vroeg Jezus: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Maar niemand zei: ‘Dat was ik.’ Toen zei Petrus: ‘Meester, al deze mensen staan om u heen en duwen tegen u aan.’ 46Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft mij aangeraakt. Ik voelde dat er kracht uit mij wegging.’

47De vrouw begreep dat Jezus het gemerkt had. Bevend van angst kwam ze naar voren, en ze knielde voor Jezus. Toen vertelde ze waarom ze hem aangeraakt had. En hoe ze meteen beter geworden was. Iedereen hoorde het.

48Jezus zei tegen haar: ‘Je bent gered dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn.’

Jezus maakt de dochter van Jaïrus weer levend

49Terwijl Jezus nog tegen de vrouw sprak, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ 50Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven, dan zal je dochter gered worden.’

51Toen ze bij het huis van Jaïrus kwamen, ging Jezus naar binnen. Alleen Petrus, Johannes en Jakobus mochten met hem mee. En ook de vader en de moeder van het meisje.

52Alle mensen die in het huis waren, huilden en hadden verdriet. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie hoeven niet te huilen, want het meisje is niet gestorven. Ze slaapt.’ 53De mensen lachten hem uit, want ze wisten dat het meisje dood was. 54Maar Jezus pakte haar hand vast en riep: ‘Meisje, sta op!’ 55Toen kwam het leven terug in het meisje, en ze stond direct op. ‘Geef haar wat te eten,’ zei Jezus.

56De ouders van het meisje waren stomverbaasd. Jezus zei tegen hen: ‘Vertel aan niemand wat hier gebeurd is.’