Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

De eerste leerlingen van Jezus

De mensen willen Jezus horen spreken

51Op een keer stond Jezus bij het Meer van Gennesaret. Er stond een grote groep mensen dicht om hem heen. Die wilden allemaal de boodschap van God horen.

2Toen zag Jezus twee boten liggen. De vissers stonden bij hun boten de netten schoon te maken. 3Jezus stapte in één van de boten, het was de boot van Simon. Jezus vroeg hem om een stukje het meer op te varen. En vanaf de boot sprak Jezus tegen alle mensen aan de kant.

Jezus geeft de vissers een opdracht

4Toen Jezus uitgesproken was, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar dieper water en gooi je netten uit. We gaan vissen.’ 5-6Simon antwoordde: ‘Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat u het zegt, zal ik het doen.’

Simon en zijn helpers gooiden de netten uit, en deze keer vingen ze een heleboel vis. De netten zaten zo vol dat ze begonnen te scheuren. 7De mannen riepen hun vrienden in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen, en samen vulden ze de twee boten met vis. Er was zo veel vis, dat de boten begonnen te zinken.

8Toen Simon Petrus dat zag, knielde hij voor Jezus en zei: ‘Heer, ga toch van me weg, want ik ben een slecht mens.’ 9Simon was namelijk erg geschrokken omdat ze zo veel vis gevangen hadden. Ook zijn helpers waren erg geschrokken. 10Net als zijn vrienden in de andere boot. Dat waren Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs.

Jezus zei tegen Simon: ‘Je hoeft niet bang te zijn. Vanaf nu zul je mensen vangen in plaats van vissen.’ 11Toen trokken de vissers de boten aan land. Ze lieten alles achter en gingen met Jezus mee.

Jezus doet wonderen

Jezus maakt een zieke man beter

12In één van de steden waar Jezus kwam, was een man met een ernstige huidziekte. Toen hij Jezus zag, knielde hij en smeekte: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’ 13Jezus raakte de man aan. Hij zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg.

14Jezus waarschuwde de man: ‘Je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Verder zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

15De mensen begonnen steeds meer over Jezus te praten. En grote groepen mensen gingen naar hem toe. Ze kwamen bij hem om naar hem te luisteren, en om door hem te worden genezen. 16Maar Jezus ging weg om op stille plaatsen te bidden.

Mensen brengen een man bij Jezus

17Op een dag zaten er ook farizeeën en wetsleraren naar Jezus te luisteren. Ze waren overal vandaan gekomen, uit ieder dorp in Galilea en Judea, en ook uit Jeruzalem.

Jezus had van God de macht gekregen om mensen beter te maken. 18Er kwamen een paar mannen aan met een draagbed. Daar lag een man op die niet kon lopen. De mannen wilden hem naar binnen brengen en vlak voor Jezus neerleggen. 19Maar het was zo druk dat ze er niet langs konden. Daarom klommen ze op het dak. Ze haalden een paar tegels weg van het dak. En ze lieten de man op zijn bed naar beneden zakken, vlak voor Jezus.

20Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’

Jezus laat zijn macht zien

21Toen de wetsleraren en de farizeeën dat hoorden, dachten ze: Wie denkt hij wel dat hij is! Hij beledigt God. Alleen God kan de zonden van mensen vergeven!

22Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Het is anders dan jullie denken. 23Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ 24Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’

Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ 25Meteen stond de man op. Hij pakte zijn bed op en liep naar huis. En terwijl hij naar huis liep, dankte hij God.

Iedereen had gezien wat er gebeurd was. 26De mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden vol eerbied tegen elkaar: ‘Het is ongelofelijk wat wij vandaag meegemaakt hebben!’

Jezus gaat om met slechte mensen

27Jezus ging daarna weer naar een andere plaats. Onderweg zag hij een tollenaar bij zijn tolhuis zitten. De man heette Levi. Jezus zei tegen Levi: ‘Kom, ga met mij mee.’ 28Levi stond op, liet alles achter en ging met Jezus mee.

29In zijn huis maakte Levi een groot feestmaal klaar voor Jezus. Er waren ook veel tollenaars en andere gasten. Ze aten samen. 30De farizeeën en wetsleraren klaagden daarover. Ze zeiden tegen de leerlingen van Jezus: ‘Jullie horen niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’ 31Toen zei Jezus: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. 32Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Ik ben juist gekomen om slechte mensen te vertellen dat ze een nieuw leven moeten beginnen.’

Gasten op een bruiloft vasten niet

33De farizeeën en de wetsleraren zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes hebben veel speciale dagen om God te eren. Dan bidden ze en vasten ze. De leerlingen van de farizeeën doen dat ook. Maar uw leerlingen niet. Die eten en drinken altijd.’

34Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft eten en drinken de gasten, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen doen dat ook, zolang ik bij hen ben. 35Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

36Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Je scheurt geen stof van een nieuwe jas om daarmee een oude jas te herstellen. Want dan is de nieuwe jas kapot, en de stof van de nieuwe jas past niet bij de stof van de oude jas.

37En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan ben je de wijnzakken kwijt, en ook de wijn. 38Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken.

39En iemand die oude wijn drinkt, heeft geen zin in jonge wijn. Hij zegt: ‘De oude wijn is beter.’’

6

Jezus bepaalt wat er mag op sabbat

61Op een keer liepen Jezus en zijn leerlingen door de korenvelden. Het was die dag sabbat. De leerlingen van Jezus plukten wat van het koren. Ze maakten de korrels fijn met hun handen en aten ze op.

2Een paar farizeeën zagen dat en zeiden: ‘Waarom doen jullie iets dat op sabbat verboden is?’ 3-4Jezus antwoordde: ‘Jullie weten toch wat David ooit gedaan heeft? Toen hij en zijn mannen honger hadden, ging David naar de tempel. Daar pakte hij het offerbrood en hij at het op. Hij gaf het brood ook aan zijn mannen, terwijl alleen priesters dat brood mogen eten.’ 5Daarna zei Jezus: ‘Ik ben de Mensenzoon. Ik bepaal wat je op sabbat mag doen.’

Jezus maakt iemand beter op sabbat

6Op een andere sabbat ging Jezus naar de synagoge om uitleg te geven over God. In de synagoge was een man met een vergroeide rechterhand.

7De wetsleraren en de farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 8Maar Jezus wist wat ze dachten. Hij zei tegen de man met de vergroeide hand: ‘Sta op en kom bij mij staan.’ Dat deed de man. 9Toen vroeg Jezus aan de wetsleraren en de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’

10Jezus keek iedereen aan. Toen zei hij tegen de man met de vergroeide hand: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter.

11De wetsleraren en de farizeeën waren woedend. Ze bespraken met elkaar wat ze met Jezus zouden doen.

Uitleg over Gods nieuwe wereld

Jezus stelt twaalf apostelen aan

12Kort daarna ging Jezus naar een berg om tot God te bidden. Hij bleef er de hele nacht.

13De volgende dag riep Jezus zijn leerlingen bij zich. Hij koos er twaalf uit, en noemde hen ‘apostelen’. 14De twaalf apostelen waren: Simon, die hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas. Verder Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, 15Matteüs, Tomas. En ook Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot. 16Ten slotte nog Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later Jezus verraden.

Jezus maakt veel mensen beter

17Samen met zijn twaalf apostelen ging Jezus de berg weer af. Hij bleef staan op een veld. Daar waren veel van zijn leerlingen bij elkaar gekomen. Er was ook een grote groep andere mensen. Die kwamen uit alle delen van Judea, uit Jeruzalem en ook uit het gebied bij Tyrus en Sidon. 18-19Ze waren gekomen om naar Jezus te luisteren en om door hem te worden genezen. Iedereen probeerde Jezus aan te raken. Want ze wisten dat hij de macht had om hen beter te maken. Jezus maakte alle zieken beter, ook de mensen die last hadden van kwade geesten.

Jezus vertelt over Gods nieuwe wereld

20-26Jezus keek zijn leerlingen aan en zei: ‘Het echte geluk is voor mensen die arm zijn. Want voor hen is Gods nieuwe wereld. Het echte geluk is voor mensen die nu honger hebben. Want zij zullen veel te eten krijgen. Het echte geluk is voor mensen die nu huilen. Want zij zullen lachen.

Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben, omdat je bij mij hoort. Misschien word je gehaat of weggestuurd. Misschien schelden de mensen je uit of bespotten ze je. Dat is vroeger ook gebeurd met de profeten. Als dat met jullie gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel.

Maar het loopt slecht met je af als je rijk bent. Want dan heb je het nu goed, maar straks niet meer. Het loopt slecht met je af als je nu heel veel te eten hebt. Want dan zul je straks honger hebben. Het loopt slecht met je af als je nu lacht. Want dan zul je straks verdriet hebben en huilen. Het loopt slecht met je af als iedereen goede dingen over je zegt. Dan ben je net als de valse profeten, daar zeiden ze vroeger ook altijd goede dingen over.’

Wees goed voor iedereen

27Jezus zei tegen de mensen die naar hem luisterden: ‘Je moet van je vijanden houden. Wees goed voor de mensen die je haten. 28Spreek met respect over de mensen die je uitschelden. Bid voor de mensen die je slecht behandelen.

29Als iemand je een klap in je gezicht geeft, draai dan je hoofd naar de andere kant. Dan kan hij je nog een keer slaan. En als iemand je jas afpakt, geef hem dan ook je hemd. 30Als iemand iets van je wil hebben, geef het hem dan. En als iemand iets van je pakt, vraag het dan niet terug. 31Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden.

32Stel dat je alleen van je vrienden houdt. Verdien je dan een beloning van God? Nee, want ook slechte mensen houden van hun vrienden.

33En stel dat je alleen goed bent voor de mensen die goed zijn voor jou. Verdien je dan een beloning? Nee, want slechte mensen doen hetzelfde.

34En stel dat je geld leent aan iemand die het je later zal terugbetalen. Verdien je dan een beloning? Nee, want ook slechte mensen lenen geld aan mensen die het later terugbetalen.

35Daarom zeg ik tegen jullie: Houd van je vijanden. Wees goed voor iedereen. En leen geld uit zonder het terug te verwachten. Dan zullen jullie een grote beloning krijgen, en jullie zullen kinderen van God zijn. Want ook God zelf is goed voor mensen die ondankbaar en slecht zijn.’

Veroordeel andere mensen niet

36Jezus zei ook: ‘Wees net als jullie Vader goed voor andere mensen. 37Veroordeel andere mensen niet, dan zal God jou ook niet veroordelen. Zeg niet dat andere mensen slecht zijn, dan zegt God dat ook niet over jou. Vergeef mensen als ze fouten maken, dan doet God dat ook. 38Geef, en je zult krijgen, meer dan je vast kunt houden! Want zo veel als jij aan anderen geeft, zo veel geeft God aan jou.’

39Daarna gaf Jezus een voorbeeld. Hij zei: ‘Kan een blinde een andere blinde de weg wijzen? Nee, want dan vallen ze samen in een kuil. 40En een leerling weet niet zo veel als zijn leraar. Pas als een leerling alles geleerd heeft, weet hij net zo veel.’

Kijk eerst naar je eigen fouten

41-42Daarna zei Jezus: ‘Jullie letten goed op de fouten van anderen. Maar je eigen fouten zie je niet. Het is alsof je een splinter ziet in het oog van een ander, maar niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit. Je zegt tegen die ander: ‘Kom, ik haal die splinter wel even uit je oog.’

Doe niet zo schijnheilig! Haal eerst die balk uit je eigen oog! Dan kun je zelf weer goed zien. En pas dan kun je de splinter uit het oog van de ander halen.

Je herkent mensen aan hun woorden

43-44Een goede boom herken je aan zijn vruchten. Een goede boom geeft geen slechte vruchten, en een slechte boom geeft geen goede vruchten. Van een doornstruik kun je geen vijgen of druiven plukken.

45Zo zegt een goed mens goede dingen omdat hij van binnen goed is. En een slecht mens zegt slechte dingen omdat hij van binnen slecht is. Je woorden laten zien hoe je van binnen bent!’

Je moet doen wat Jezus vraagt

46Daarna zei Jezus: ‘Jullie noemen mij Heer. Maar jullie doen niet wat ik zeg.

47Stel dat iemand bij me komt, naar me luistert en doet wat ik zeg. 48Zo iemand lijkt op een man die een stevig huis bouwt. Eerst graaft hij in de grond en maakt daar een fundament. Als er dan een overstroming komt, zal het huis stevig blijven staan. Het zal niet verwoest worden door het water, want het is goed gebouwd.

49Maar stel dat iemand naar me luistert, maar niet doet wat ik zeg. Zo iemand lijkt op een man die een huis bouwt zonder fundament. Als er dan een overstroming komt, zakt het huis meteen in elkaar. Er blijft niets van over.’

7

Jezus doet wonderen

Een Romeinse officier vraagt om hulp

71Toen Jezus dat allemaal tegen de mensen gezegd had, ging hij naar Kafarnaüm. 2Daar woonde een Romeinse officier. De officier had een slaaf van wie hij hield. Maar de slaaf was heel ziek en ging bijna dood.

3Toen de officier over Jezus hoorde, stuurde hij een paar Joodse leiders naar hem toe. Die moesten aan Jezus vragen of hij de slaaf beter wilde maken. 4De Joodse leiders gingen naar Jezus toe en smeekten hem om te komen. Ze zeiden: ‘Deze Romeinse officier verdient uw hulp, 5want hij is goed voor ons volk. Hij heeft zelfs een synagoge voor ons gebouwd.’

De Romeinse officier gelooft in Jezus

6Jezus ging met de Joodse leiders mee naar de officier. Maar toen hij er bijna was, kwamen er een paar vrienden van de officier naar hem toe. Ze moesten van de officier tegen Jezus zeggen: ‘Heer, u hoeft niet helemaal naar mijn huis te komen, want dat ben ik niet waard. 7Daarom durfde ik ook niet zelf naar u toe te komen. U hoeft alleen maar te zeggen dat mijn slaaf beter moet worden. Dan zal dat ook gebeuren. 8Want ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen een soldaat zeg: ‘Je moet gaan,’ dan gaat hij. En als ik zeg: ‘Je moet komen,’ dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg: ‘Doe dit,’ dan doet hij het.’

9Toen Jezus dat hoorde, was hij verbaasd. Hij zei tegen de mensen die met hem meegingen: ‘Luister naar mijn woorden: Iemand met zo’n groot geloof heb ik in heel Israël nog niet gezien!’ 10En toen de vrienden van de officier terugkwamen, was de slaaf weer gezond.

Jezus maakt een jongen weer levend

11Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met hem mee. 12Toen ze bij de poort van de stad kwamen, liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven.

13Toen de Heer de moeder zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ 14Daarna liep hij naar de dode jongen toe. De mensen die de jongen droegen, bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘Jongen, ik wil dat je opstaat.’ 15De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder.

16Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘God heeft aan zijn volk gedacht. Hij heeft een machtige profeet naar ons toe gestuurd.’

17Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten.

Uitleg over Johannes en Jezus

Is Jezus echt de messias?

18Johannes hoorde van zijn leerlingen wat Jezus allemaal gedaan had. Hij riep twee van zijn leerlingen bij zich 19en stuurde hen naar de Heer toe met de vraag: ‘Bent u de messias die zou komen? Of moeten we wachten op iemand anders?’

20De twee mannen kwamen bij Jezus en zeiden: ‘Johannes de Doper stuurt ons. Hij wil weten of u de messias bent. Is dat zo, of moeten we wachten op iemand anders?’ 21Jezus maakte op dat moment veel zieke mensen beter. Ook jaagde hij kwade geesten weg, en hij zorgde ervoor dat blinde mensen konden zien.

22Jezus zei tegen de mannen: ‘Ga terug naar Johannes. En vertel hem alles wat je hier ziet en hoort: Blinde mensen kunnen zien. Mensen die niet konden lopen, lopen rond. Mensen met een huidziekte zijn beter. Dove mensen kunnen horen. Dode mensen leven weer. En arme mensen horen het goede nieuws. 23Het echte geluk is voor iedereen die vertrouwen in mij heeft.’

Jezus vertelt over Johannes de Doper

24De leerlingen van Johannes de Doper gingen weer weg. Toen begon Jezus de mensen te vertellen over Johannes. Hij zei: ‘Een tijd geleden gingen jullie naar de woestijn. Waarom gingen jullie daarheen? Toch niet om het riet bij de rivier de Jordaan te bekijken, dat beweegt in de wind? 25En toch ook niet om een man met mooie kleren te zoeken? Nee, dan had je naar een paleis moeten gaan. Daar vind je rijke mensen met prachtige kleren. 26Waarom gingen jullie dan wel naar de woestijn? Jullie gingen erheen om een profeet te zien. En luister goed: Johannes is geen gewone profeet. 27God zegt over hem in de heilige boeken: «Ik stuur iemand vooruit. Hij moet de weg vrijmaken.»

28Luister naar mijn woorden: Er is geen mens op aarde zo belangrijk als Johannes de Doper. Maar in Gods nieuwe wereld zijn zelfs de gewoonste mensen nog belangrijker dan hij.’

De farizeeën willen er niet bij horen

29Jezus zei: ‘Het volk en de tollenaars luisterden naar Johannes. Ze geloofden dat hij door God gestuurd was. Daarom lieten zij zich door Johannes dopen. 30Maar de farizeeën en de wetsleraren wilden niet gehoorzaam zijn aan Gods plan. Zij lieten zich niet door Johannes dopen.’

Jezus heeft kritiek op de mensen

31Jezus zei: ‘Ik ga iets zeggen over jullie, de mensen die nu leven. Weet je waar jullie op lijken? 32Jullie lijken op kinderen op een plein, die nergens zin in hebben. Als er vrolijke muziek gemaakt wordt, dan zeggen ze: ‘Wij willen niet dansen.’ En als er een verdrietig lied gezongen wordt, dan zeggen ze: ‘Wij willen niet huilen.’

33Zo is het ook met jullie. Eerst kwam Johannes de Doper. Hij at geen brood en hij dronk geen wijn. Toen zeiden jullie: ‘Hij heeft een kwade geest in zich.’ 34En daarna ben ik gekomen, de Mensenzoon. Ik eet wel brood en ik drink wel wijn. En nu zeggen jullie: ‘Kijk eens, die man eet zich vol en hij is gek op wijn. Echt een vriend van tollenaars en slechte mensen!’

35Maar het wijze plan van God is goed, en er zullen veel mensen zijn die dat begrijpen.’

Jezus eet bij een farizeeër

Een vrouw wast de voeten van Jezus

36Op een keer nodigde een farizeeër Jezus uit om te komen eten. Jezus ging naar het huis van de farizeeër toe, en daar ging hij aan tafel.

37In de stad woonde ook een vrouw die volgens de mensen een slecht leven leidde. Toen die vrouw hoorde dat Jezus bij de farizeeër thuis was, ging ze erheen. Ze nam een flesje olie mee. Het was heel dure olie, met een lekkere geur.

38De vrouw ging bij Jezus staan en begon te huilen. Met haar tranen maakte ze de voeten van Jezus nat. En met haar haren maakte ze zijn voeten weer droog. Toen kuste ze zijn voeten en goot de olie eroverheen.

39Toen de farizeeër zag wat er gebeurde, dacht hij: Die Jezus is geen profeet! Anders zou hij wel weten dat zij een slechte vrouw is. En dan had hij haar wel weggestuurd.

Jezus stelt de farizeeër een vraag

40Toen zei Jezus tegen de farizeeër: ‘Simon, ik moet je iets vragen.’ ‘Wat dan, meester?’ vroeg Simon. 41En Jezus zei: ‘Twee mannen hebben geld geleend. De ene man heeft 500 zilveren munten geleend, de ander 50. 42Maar allebei kunnen ze het geld niet terugbetalen. Dan zegt de man van wie ze het geld geleend hebben, dat hij het niet terug hoeft. Wat denk je? Wie van de twee mannen is dankbaarder?’

43Simon antwoordde: ‘Ik denk de man die het meeste geld geleend had.’ En Jezus zei: ‘Dat heb je goed gezien.’

Jezus vergeeft de vrouw

44Toen zei Jezus tegen Simon: ‘Jij hebt mij uitgenodigd in je huis, maar je hebt me geen water gegeven om mijn voeten te wassen. Maar zie je die vrouw daar? Zij heeft mijn voeten gewassen met haar tranen, en ze daarna met haar haren afgedroogd. 45Jij hebt mij niet begroet met een kus. Zij wel, ze heeft sinds ik binnen ben, steeds mijn voeten gekust. 46Jij hebt geen olie over mijn hoofd gegoten. Maar zij goot dure olie over mijn voeten!

47Daarom zeg ik je dit: Zij heeft veel dingen verkeerd gedaan. Maar dat is haar allemaal vergeven. Dat weet ik omdat ze mij veel liefde heeft laten zien. Terwijl iemand die weinig vergeven wordt, weinig liefde laat zien.’

48Toen zei Jezus tegen de vrouw: ‘Alles wat je verkeerd hebt gedaan, is je vergeven.’ 49De mensen in het huis van Simon zeiden tegen elkaar: ‘Wie is die Jezus toch? Hij vergeeft zelfs de zonden van mensen.’ 50En Jezus zei tegen de vrouw: ‘Je bent gered dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]