Bijbel in Gewone Taal (BGT)

De eerste leerlingen van Jezus

De mensen willen Jezus horen spreken

51Op een keer stond Jezus bij het Meer van Gennesaret. Er stond een grote groep mensen dicht om hem heen. Die wilden allemaal de boodschap van God horen.

2Toen zag Jezus twee boten liggen. De vissers stonden bij hun boten de netten schoon te maken. 3Jezus stapte in één van de boten, het was de boot van Simon. Jezus vroeg hem om een stukje het meer op te varen. En vanaf de boot sprak Jezus tegen alle mensen aan de kant.

Jezus geeft de vissers een opdracht

4Toen Jezus uitgesproken was, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar dieper water en gooi je netten uit. We gaan vissen.’ 5-6Simon antwoordde: ‘Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat u het zegt, zal ik het doen.’

Simon en zijn helpers gooiden de netten uit, en deze keer vingen ze een heleboel vis. De netten zaten zo vol dat ze begonnen te scheuren. 7De mannen riepen hun vrienden in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen, en samen vulden ze de twee boten met vis. Er was zo veel vis, dat de boten begonnen te zinken.

8Toen Simon Petrus dat zag, knielde hij voor Jezus en zei: ‘Heer, ga toch van me weg, want ik ben een slecht mens.’ 9Simon was namelijk erg geschrokken omdat ze zo veel vis gevangen hadden. Ook zijn helpers waren erg geschrokken. 10Net als zijn vrienden in de andere boot. Dat waren Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs.

Jezus zei tegen Simon: ‘Je hoeft niet bang te zijn. Vanaf nu zul je mensen vangen in plaats van vissen.’ 11Toen trokken de vissers de boten aan land. Ze lieten alles achter en gingen met Jezus mee.

Jezus doet wonderen

Jezus maakt een zieke man beter

12In één van de steden waar Jezus kwam, was een man met een ernstige huidziekte. Toen hij Jezus zag, knielde hij en smeekte: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’ 13Jezus raakte de man aan. Hij zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg.

14Jezus waarschuwde de man: ‘Je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Verder zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

15De mensen begonnen steeds meer over Jezus te praten. En grote groepen mensen gingen naar hem toe. Ze kwamen bij hem om naar hem te luisteren, en om door hem te worden genezen. 16Maar Jezus ging weg om op stille plaatsen te bidden.

Mensen brengen een man bij Jezus

17Op een dag zaten er ook farizeeën en wetsleraren naar Jezus te luisteren. Ze waren overal vandaan gekomen, uit ieder dorp in Galilea en Judea, en ook uit Jeruzalem.

Jezus had van God de macht gekregen om mensen beter te maken. 18Er kwamen een paar mannen aan met een draagbed. Daar lag een man op die niet kon lopen. De mannen wilden hem naar binnen brengen en vlak voor Jezus neerleggen. 19Maar het was zo druk dat ze er niet langs konden. Daarom klommen ze op het dak. Ze haalden een paar tegels weg van het dak. En ze lieten de man op zijn bed naar beneden zakken, vlak voor Jezus.

20Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’

Jezus laat zijn macht zien

21Toen de wetsleraren en de farizeeën dat hoorden, dachten ze: Wie denkt hij wel dat hij is! Hij beledigt God. Alleen God kan de zonden van mensen vergeven!

22Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Het is anders dan jullie denken. 23Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ 24Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’

Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ 25Meteen stond de man op. Hij pakte zijn bed op en liep naar huis. En terwijl hij naar huis liep, dankte hij God.

Iedereen had gezien wat er gebeurd was. 26De mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden vol eerbied tegen elkaar: ‘Het is ongelofelijk wat wij vandaag meegemaakt hebben!’

Jezus gaat om met slechte mensen

27Jezus ging daarna weer naar een andere plaats. Onderweg zag hij een tollenaar bij zijn tolhuis zitten. De man heette Levi. Jezus zei tegen Levi: ‘Kom, ga met mij mee.’ 28Levi stond op, liet alles achter en ging met Jezus mee.

29In zijn huis maakte Levi een groot feestmaal klaar voor Jezus. Er waren ook veel tollenaars en andere gasten. Ze aten samen. 30De farizeeën en wetsleraren klaagden daarover. Ze zeiden tegen de leerlingen van Jezus: ‘Jullie horen niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’ 31Toen zei Jezus: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. 32Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Ik ben juist gekomen om slechte mensen te vertellen dat ze een nieuw leven moeten beginnen.’

Gasten op een bruiloft vasten niet

33De farizeeën en de wetsleraren zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes hebben veel speciale dagen om God te eren. Dan bidden ze en vasten ze. De leerlingen van de farizeeën doen dat ook. Maar uw leerlingen niet. Die eten en drinken altijd.’

34Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft eten en drinken de gasten, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen doen dat ook, zolang ik bij hen ben. 35Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

36Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Je scheurt geen stof van een nieuwe jas om daarmee een oude jas te herstellen. Want dan is de nieuwe jas kapot, en de stof van de nieuwe jas past niet bij de stof van de oude jas.

37En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan ben je de wijnzakken kwijt, en ook de wijn. 38Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken.

39En iemand die oude wijn drinkt, heeft geen zin in jonge wijn. Hij zegt: ‘De oude wijn is beter.’’