Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De geboorte van Jezus

Jozef en Maria gaan naar Betlehem

21In die tijd werd er een bevel van keizer Augustus bekendgemaakt. Hij wilde alle inwoners van het Romeinse rijk laten tellen. 2Het was de eerste keer dat dit gebeurde. Het was in de tijd dat Quirinius de provincie Syrië bestuurde. 3Iedereen moest geteld worden in de plaats waar zijn familie vandaan kwam. Daarom gingen alle mensen op reis.

4-5Ook Jozef moest op reis. Hij ging van Nazaret in Galilea naar Betlehem in Judea. Want hij kwam uit de familie van David, en David kwam uit Betlehem. Jozef ging samen met Maria naar Betlehem. Maria zou met Jozef gaan trouwen, en ze was zwanger.

Jezus wordt geboren

6Toen Jozef en Maria in Betlehem waren, werd het kind geboren. 7Het was Maria’s eerste kind, een jongen. Maria wikkelde hem in een doek, en legde hem in een voerbak voor de dieren. Want er was voor hen nergens plaats om te slapen.

Herders horen het goede nieuws

8Die nacht waren er herders in de buurt van Betlehem. Ze pasten buiten op hun schapen.

9Opeens stond er een engel tussen de herders, en het licht van God straalde om hen heen. De herders werden bang. 10Maar de engel zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn, want ik breng jullie goed nieuws. Het hele volk zal daar blij mee zijn. 11Vandaag is jullie redder geboren: Christus, de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David. 12En zo kunnen jullie hem herkennen: het kind ligt in een voerbak en is in een doek gewikkeld.’

13En plotseling was er bij de engel een hele groep engelen. Ze eerden God en zeiden: 14‘Alle eer aan God in de hemel. En vrede op aarde voor de mensen van wie God houdt.’

De herders gaan naar Betlehem

15Daarna gingen de engelen terug naar de hemel. De herders zeiden tegen elkaar: ‘Kom, we gaan naar Betlehem. Want God heeft ons verteld wat er gebeurd is. Laten we gaan kijken.’

16Ze gingen meteen naar Betlehem. Daar vonden ze Maria en Jozef, en in een voerbak lag het kind. 17Toen de herders het kind zagen, vertelden ze wat de engel over hem gezegd had. 18Iedereen die het hoorde, was verbaasd over het verhaal van de herders. 19Maria probeerde te begrijpen wat het betekende. Ze bleef nadenken over wat de herders gezegd hadden.

20De herders gingen terug naar hun schapen. Ze eerden God en dankten hem voor alles wat ze gezien en gehoord hadden. Want alles was precies zoals de engel gezegd had.

21Een week later werd het kind besneden. Maria en Jozef noemden hem Jezus. Dat was de naam die de engel genoemd had, nog voordat Maria zwanger was.

Jezus wordt naar de tempel gebracht

22Jozef en Maria namen Jezus mee naar de tempel in Jeruzalem. Het was veertig dagen na de bevalling. Want zo lang duurt het voordat een vrouw na een bevalling weer rein is. Dat staat in de wet van Mozes.

Jozef en Maria brachten Jezus naar de tempel om hem aan God te laten zien. 23Want in de wet van God staat: «Elk eerste kind dat een jongen is, is voor God.» 24Ook brachten ze een offer aan God. Want in de wet staat: «Breng als offer twee tortelduiven of twee gewone jonge duiven.»

Simeon ziet Jezus

25In Jeruzalem woonde een man die Simeon heette. Simeon was goed en eerlijk, en trouw aan God. Hij wachtte zijn hele leven al op de redding van Israël. De heilige Geest was in Simeon, 26en die had hem verteld: ‘Voordat je sterft, zul je de messias zien die God beloofd heeft.’

27De heilige Geest stuurde Simeon naar de tempel. Op hetzelfde moment kwamen ook Jozef en Maria naar de tempel. Zij brachten Jezus daarheen om alles te doen wat verplicht was volgens de wet.

28Toen Simeon het kind zag, nam hij het in zijn armen en dankte God. Hij zei:

29‘Heer, ik ben uw dienaar.

Nu kan ik rustig sterven,

zoals u mij beloofd hebt.

30Want nu heb ik zelf de redder gezien.

31U hebt hem gestuurd om alle volken te redden.

32Hij is het licht,

hij wijst de volken de weg naar u.

Hij is de held van uw volk Israël.’

Simeon spreekt over de toekomst

33Die dingen zei Simeon over Jezus. Jozef en Maria waren erg verbaasd. 34Toen zegende Simeon hen, en hij zei tegen Maria: ‘Jouw zoon is een teken van de dingen die in Israël gaan gebeuren. Veel mensen zullen door hem nieuw leven krijgen. Maar anderen zullen zich tegen hem verzetten. Die mensen zullen niet gered worden.’

35Simeon zei ook: ‘Maria, jij zult veel verdriet en pijn hebben om je zoon. Maar al die dingen moeten gebeuren. Want zo wordt duidelijk hoe de mensen van binnen echt zijn.’

Hanna spreekt ook over Jezus

36De profetes Hanna was ook in de tempel. Ze was een dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Hanna was heel oud. Ze was vroeger zeven jaar getrouwd geweest, 37en nu was ze al 84 jaar weduwe. Hanna was altijd in de tempel. Daar eerde ze God dag en nacht, door te bidden en te vasten.

38Terwijl Simeon sprak, kwam Hanna erbij staan. Ze dankte God voor alles wat hij gedaan had. Daarna begon ze te vertellen over Jezus. Ze sprak tegen alle mensen die hoopten op de bevrijding van Jeruzalem.

39Jozef en Maria deden alles wat verplicht was volgens de wet van God. Daarna gingen ze terug naar huis, naar Nazaret in Galilea.

40Jezus groeide op. Hij werd sterk en wijs, en God was bij hem met zijn liefde.

Jezus gaat mee naar Jeruzalem

41Elk jaar gingen Jozef en Maria naar Jeruzalem om het Joodse Paasfeest te vieren. 42-43Op een keer ging Jezus met zijn ouders mee. Hij was toen twaalf jaar.

Na het feest gingen Jozef en Maria naar huis. Maar Jezus bleef in Jeruzalem, zonder dat zijn ouders dat wisten. 44-45Ze dachten dat hun zoon met familie of vrienden meeliep. Pas ’s avonds gingen ze hem zoeken. Maar ze konden hem nergens vinden. Toen gingen Jozef en Maria terug naar Jeruzalem, om Jezus daar te zoeken.

Jezus is in de tempel

46Jozef en Maria vonden Jezus na drie dagen. Hij zat in de tempel bij de leraren die daar waren. Hij luisterde naar hen en stelde vragen. 47Iedereen die hem hoorde praten, was verbaasd. Want hij zei heel verstandige dingen.

48Toen zijn ouders Jezus vonden, waren ze onder de indruk. Maria zei: ‘Jongen, waarom heb je dat gedaan? Je vader en ik waren ongerust. We hebben je overal gezocht.’ 49Jezus antwoordde: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Ik moet doen wat mijn Vader bepaald heeft. Dat weten jullie toch?’ 50Maar Jozef en Maria begrepen niet wat hij bedoelde.

51Toen ging Jezus met zijn ouders mee terug naar Nazaret, en hij was hun gehoorzaam. Toch bleef zijn moeder nadenken over alles wat er gebeurd was.

52Jezus groeide op, en hij werd steeds wijzer. God hield van hem, en de mensen ook.

3

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

31Het was het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius. Pontius Pilatus bestuurde de provincie Judea. Herodes was koning van Galilea, en zijn broer Filippus was koning van de gebieden Iturea en Trachonitis. En Lysanias was koning van Abilene. 2Annas en Kajafas waren hogepriester. In dat jaar werd Johannes, de zoon van Zacharias, door God geroepen. Johannes leefde in de woestijn.

3Toen ging Johannes naar het gebied bij de Jordaan. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen! Dan zal God je zonden vergeven.’

4In het boek van de profeet Jesaja staat al over Johannes geschreven: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer! 5Maak de weg recht, zonder bochten. Maak de weg vlak, haal alle bergen en dalen weg. 6Dan zal iedereen zien dat God redding brengt.»

Johannes geeft een waarschuwing

7Er kwamen heel veel mensen naar Johannes om gedoopt te worden. Johannes zei tegen hen: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. 8-9Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’

Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’

Johannes vertelt hoe je moet leven

10De mensen vroegen aan Johannes: ‘Wat moeten we doen om goed te leven?’ 11Hij antwoordde: ‘Stel dat je twee hemden hebt. Geef er dan één aan iemand die helemaal geen hemd heeft. En deel je eten met mensen die honger hebben.’

12Er kwamen ook tollenaars die gedoopt wilden worden. Ook zij vroegen aan Johannes: ‘Meester, wat moeten we doen om goed te leven?’ 13Tegen hen zei Johannes: ‘Laat de mensen niet te veel betalen.’ 14Daarna vroegen een paar soldaten: ‘En wat moeten wij doen?’ Johannes zei: ‘Wees tevreden met je loon. Pak van niemand geld af.’

Johannes vertelt dat Jezus zal komen

15De mensen verwachtten veel van Johannes. Ze dachten: Misschien is hij wel de messias!

16Maar Johannes zei: ‘Ik doop jullie met water. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest. 17Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’

18Johannes zei dit soort dingen om de mensen te waarschuwen. Op die manier vertelde hij het goede nieuws.

Johannes wordt gevangengenomen

19-20Koning Herodes leefde samen met Herodias, de vrouw van zijn broer. En de koning deed nog veel meer slechte dingen. Johannes zei telkens tegen de koning: ‘U doet verkeerde dingen.’ Daarom liet de koning hem in de gevangenis opsluiten. Dat maakte de koning nog schuldiger.

Jezus wordt gedoopt

21Het hele volk liet zich dopen. Ook Jezus werd gedoopt. Toen hij na de doop aan het bidden was, ging de hemel open. 22Uit de hemel kwam de heilige Geest naar Jezus toe, in de vorm van een duif. En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’

De voorouders van Jezus

23-38Jezus begon zijn werk toen hij ongeveer dertig jaar oud was. De mensen dachten dat hij de zoon van Jozef was.

De voorouders van Jozef waren: Eli, Mattat, Levi, Melchi, Jannai, Josef, Mattatias, Amos, Naüm, Hesli, Naggai, Maät, Mattatias, Semeïn, Josech, Joda, Joanan, Resa, Zerubbabel, Sealtiël, Neri, Melchi, Addi, Kosam, Elmadan, Er, Jozua, Eliëzer, Jorim, Mattat, Levi, Simeon, Juda, Josef, Jonan, Eljakim, Melea, Menna, Mattatta, Natan, David, Isaï, Obed, Boaz, Selach, Nachson, Amminadab, Admin, Arni, Chesron, Peres, Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Terach, Nachor, Serug, Reü, Peleg, Eber, Selach, Kenan, Arpachsad, Sem, Noach, Lamech, Metuselach, Henoch, Jered, Mahalalel, Kenan, Enos, Set en Adam. Adam was de zoon van God.

4

Jezus begint met zijn werk

De duivel wil Jezus laten zondigen

41De heilige Geest was in Jezus gekomen. Hij liet Jezus naar de woestijn gaan, weg van de Jordaan. 2In de woestijn probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen.

Veertig dagen lang at Jezus niets. Toen de veertig dagen voorbij waren, had hij erge honger. 3Toen zei de duivel: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Zeg dan tegen deze steen dat hij in een brood moet veranderen!’ 4Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Alleen van brood kan een mens niet leven.»’

5Toen bracht de duivel Jezus naar een berg. En in één tel liet hij hem alle koninkrijken van de wereld zien. 6De duivel zei: ‘Ik geef deze landen en al hun rijkdom aan jou. Want ik ben er de baas over, en ik kan ze geven aan wie ik wil. 7Je hoeft alleen maar te knielen en mij te eren, dan is alles van jou.’ 8Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Kniel alleen voor de Heer, je God, en vereer alleen hem.»’

9Daarna nam de duivel Jezus mee naar Jeruzalem. Hij bracht hem naar het dak van de tempel, en zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Spring dan naar beneden! 10Want in de heilige boeken staat: «God geeft zijn engelen de opdracht om je te beschermen.» 11En er staat: «De engelen zullen je opvangen. Je zult je voet niet stoten tegen een steen.»’ 12Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat ook: «Je mag de Heer, je God, niet uitdagen om zijn macht te bewijzen.»’

13Op al die manieren probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen. Maar het lukte hem niet. Daarna liet hij Jezus een tijd met rust.

Jezus vertelt het goede nieuws in Nazaret

14-15De kracht van de heilige Geest was nu in Jezus, en hij ging terug naar Galilea. Daar gaf hij uitleg over God in de synagogen. Het nieuws over Jezus werd overal in de omgeving bekend, en iedereen bewonderde hem.

16-17Jezus ging ook naar Nazaret, de stad waar hij opgegroeid was. Op sabbat ging hij zoals altijd naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, gaf een dienaar hem het boek van de profeet Jesaja. Jezus opende het boek en zocht naar het stuk dat hij wilde voorlezen. Hij las: 18«God heeft mij uitgekozen. Daarom is zijn Geest bij mij. God heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te vertellen. En om tegen gevangenen te zeggen dat ze weer vrij zijn. Om blinden te vertellen dat ze weer zullen zien. En om mensen die het moeilijk hebben, te helpen. 19Ik maak bekend: Er begint een nieuwe tijd.»

Jezus legt de woorden van Jesaja uit

20Toen deed Jezus het boek dicht. Hij gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. Iedereen in de synagoge keek naar hem. 21En Jezus zei: ‘Wat ik jullie net voorgelezen heb, is vandaag werkelijkheid geworden.’

22Alle mensen waren verrast over de bijzondere dingen die Jezus zei. Ze waren onder de indruk en zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’

Jezus doet geen wonderen in Nazaret

23Jezus zei: ‘Ik weet zeker dat jullie tegen mij zullen zeggen: ‘Nu moet u ook iets voor ons doen. We hebben gehoord wat u allemaal in Kafarnaüm gedaan hebt. Doe dan ook een wonder in uw eigen stad.’ 24Maar luister goed naar mijn woorden: Een profeet is nooit welkom in zijn eigen stad.’

25Jezus legde dat uit met twee voorbeelden. Hij zei: ‘Luister goed! In de tijd van de profeet Elia waren er veel weduwen in Israël. Het had drieënhalf jaar niet geregend en er was hongersnood in het hele land. 26Toch ging Elia niet naar een weduwe in Israël. In plaats daarvan stuurde God hem naar een weduwe buiten Israël. Ze woonde in Sarepta, een dorp bij de stad Sidon.

27En toen Elisa profeet was, waren er in Israël veel mensen met een huidziekte. Toch maakte Elisa hen niet beter. Maar Naäman uit Syrië maakte hij wel beter.’

De mensen in Nazaret jagen Jezus weg

28Toen de mensen in de synagoge de woorden van Jezus hoorden, werden ze kwaad. 29Ze jaagden Jezus de stad uit. En ze brachten hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was. Ze wilden hem naar beneden gooien. 30Maar Jezus liep tussen alle mensen door en ging weg.

Jezus maakt mensen beter

Jezus jaagt een kwade geest weg

31Jezus ging naar Kafarnaüm, een stad in Galilea. Op sabbat gaf hij daar de mensen uitleg over God. 32Dat maakte diepe indruk op hen. Want zijn woorden hadden macht.

33In de synagoge was een man die een kwade geest in zich had. Hij schreeuwde heel hard: 34‘Hé, jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent door God gestuurd.’

35Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ De geest gooide de man op de grond, midden tussen de mensen. Daarna ging de geest uit hem weg, zonder hem pijn te doen.

36De mensen waren erg geschrokken en zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Als Jezus spreekt, dan heeft hij macht over kwade geesten. Als hij ze wegstuurt, dan gehoorzamen ze hem.’

37Het nieuws over Jezus werd in de hele omgeving bekend.

Jezus maakt zieke mensen beter

38Toen Jezus uit de synagoge kwam, ging hij naar het huis van Simon. Daar hoorde hij dat de schoonmoeder van Simon ziek was. Ze had hoge koorts. 39Jezus ging bij haar bed staan en sprak streng tegen de koorts. Toen ging de koorts weg. De vrouw stond meteen op en ging eten klaarmaken.

40’s Avonds werden er mensen met allerlei ziektes bij Jezus gebracht. Jezus legde zijn handen op hen en maakte hen beter. 41Hij stuurde ook veel kwade geesten weg. Die riepen dan: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Want zij wisten dat hij de messias was. Maar Jezus zei streng tegen de geesten dat ze niets mochten zeggen.

Jezus reist verder

42Toen het ochtend werd, ging Jezus naar een stille plek buiten de stad. Maar de mensen zochten hem op en kwamen naar hem toe. Ze wilden niet dat hij weg zou gaan en hielden hem tegen.

43Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het is belangrijk dat ik ook naar andere steden ga. Ook daar moet ik het goede nieuws over Gods nieuwe wereld vertellen. Want daarom heeft God mij gestuurd.’

44Jezus vertelde het goede nieuws in alle synagogen in Judea.