Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11-4Geachte Theofilus,

Ik schrijf dit boek voor u. Zo kunt u zelf lezen dat het waar is wat ze u verteld hebben. Het boek gaat over Jezus, en over alles wat er met hem gebeurd is. We kennen de verhalen dankzij de mensen die erbij waren. Zij hebben het goede nieuws doorverteld.

Ik heb besloten om alle gebeurtenissen op te schrijven. Er zijn al eerder boeken geschreven over Jezus, maar ik heb alles precies uitgezocht. En ik begin bij het begin.

De geboorte van Johannes

Zacharias en Elisabet

5Toen Herodes koning was van Judea, was er een priester die Zacharias heette. Hij hoorde bij de priestergroep van Abia. Zijn vrouw heette Elisabet. Ook zij kwam uit een familie van priesters. 6Zacharias en Elisabet waren eerlijke mensen die zich heel precies hielden aan alle wetten van God. 7Ze waren al oud. En ze hadden geen kinderen, omdat Elisabet die niet kon krijgen.

Zacharias brengt een offer

8Op een keer was de priestergroep van Zacharias aan de beurt om in de tempel te werken. 9De priesters gingen met elkaar loten om te bepalen wie het offer moest brengen. Zo deden ze dat altijd. Het lot wees Zacharias aan, en hij ging de heilige zaal van de tempel binnen.

10Terwijl Zacharias het offer bracht, stonden er buiten veel mensen te bidden.

Zacharias krijgt een boodschap

11-12Opeens zag Zacharias een engel van de Heer. De engel stond aan de rechterkant van het altaar. Zacharias schrok en werd bang. 13Maar de engel zei: ‘Je hoeft niet bang te zijn, Zacharias. God heeft naar je gebed geluisterd. Je vrouw Elisabet zal een zoon krijgen. Je moet hem Johannes noemen. 14Je zult blij en gelukkig zijn, en zijn geboorte zal veel mensen blij maken. 15Want hij zal een belangrijke dienaar van God zijn. Daarom zal hij geen wijn of bier drinken. En al voor zijn geboorte zal de heilige Geest in hem zijn.

16Johannes zal ervoor zorgen dat veel Israëlieten God weer gaan gehoorzamen. 17En hij zal in alles wat hij doet en zegt, lijken op de profeet Elia. Johannes zal komen voordat de Heer komt. Hij zal zorgen dat ouders en kinderen weer goed met elkaar omgaan. En hij zal slechte mensen leren om goed te leven. Zo zal hij het volk van Israël klaarmaken voor de komst van de Heer.’

Zacharias kan niet meer praten

18Zacharias zei tegen de engel: ‘Hoe weet ik of dat waar is? Ik ben al oud, en mijn vrouw ook.’ 19Toen zei de engel: ‘Ik ben de engel Gabriël. Ik ben altijd dicht bij God. En nu heeft God mij gestuurd om je dit goede nieuws te vertellen. 20Maar jij gelooft niet wat ik je verteld heb. Daarom zul je niet meer kunnen praten tot de dag dat het gaat gebeuren.’

21Buiten stonden de mensen op Zacharias te wachten. Ze vonden dat hij heel lang in de tempel bleef. 22Eindelijk kwam Zacharias naar buiten. Maar hij kon niet meer praten. Hij kon alleen maar gebaren maken met zijn handen. Toen begrepen de mensen dat hij in de tempel iets bijzonders meegemaakt had.

Elisabet wordt zwanger

23Toen Zacharias klaar was met zijn werk in de tempel, ging hij naar huis. 24Kort daarna werd Elisabet zwanger. Vijf maanden lang bleef ze binnen. Ze zei: 25‘De mensen vonden mij niets waard omdat ik geen kinderen kon krijgen. Maar de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik zwanger geworden ben. De Heer is goed voor mij!’

Maria krijgt een boodschap

26God stuurde de engel Gabriël naar Nazaret, een stad in Galilea. Elisabet was toen zes maanden zwanger. 27-28De engel ging naar Maria, een jonge vrouw die zou gaan trouwen met Jozef. Jozef kwam uit de familie van koning David.

De engel zei tegen Maria: ‘Ik groet je, Maria. God heeft jou uitgekozen. Hij zal bij je zijn.’ 29Maria schrok van de woorden van de engel. Ze vroeg zich af wat hij bedoelde.

30Toen zei de engel tegen Maria: ‘Je hoeft niet bang te zijn, Maria. God heeft je uitgekozen voor iets moois. 31Je zult zwanger worden en een zoon krijgen. Je moet hem Jezus noemen. 32-33Jezus zal heel belangrijk zijn, hij zal Zoon van de allerhoogste God genoemd worden. En God, de Heer, zal hem koning maken, net zoals zijn voorvader David dat was. Jezus zal voor altijd koning van Israël zijn. Aan zijn macht komt geen einde.’

Maria is verbaasd

34Maria zei tegen de engel: ‘Maar ik slaap nog niet met een man. Hoe kan ik dan zwanger worden?’ 35De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal bij je komen. En door de kracht van de allerhoogste God zul je zwanger worden. Daarom zal jouw kind bij God horen, en zal hij Zoon van God genoemd worden.

36Ook je familielid Elisabet krijgt een zoon. Iedereen dacht dat zij geen kinderen kon krijgen. Maar nu is ze al zes maanden zwanger, terwijl ze toch al oud is. 37Voor God is alles mogelijk!’ 38Maria zei: ‘Ik wil God dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’

Toen ging de engel weg.

Maria gaat op bezoek bij Elisabet

39Maria ging snel op reis. Ze ging naar het bergland van Judea, naar de stad waar Zacharias en Elisabet woonden. 40Ze ging hun huis binnen en groette Elisabet.

41-42Toen Elisabet de stem van Maria hoorde, trappelde het kind in haar buik. De heilige Geest kwam in Elisabet, en zij riep naar Maria: ‘Jij bent gezegend, meer dan alle andere vrouwen! En ook het kind dat je krijgt, zal gezegend zijn!’

43Elisabet zei verder: ‘De moeder van de Heer is bij mij op bezoek. Wat een eer! 44Toen ik je stem hoorde, voelde ik het kind in mijn buik. Het trappelde van vreugde. 45Jij bent gezegend, Maria. Want jij geloofde dat God zou doen wat de engel je vertelde.’

Maria dankt God in een lied

46Toen zei Maria:

‘Ik geef alle eer aan God.

47Ik juich voor hem,

hij is mijn redder.

48Hij koos mij uit,

mij, een heel gewoon meisje.

Nu zal iedereen over mij zeggen:

‘Zij is gezegend.’

49Want God, die machtig is en heilig,

heeft iets geweldigs met mij gedaan.

50Aan mensen die naar hem luisteren,

geeft hij zijn liefde, nu en altijd.

51God heeft zijn kracht laten zien:

Trotse mensen jaagt hij weg,

52en koningen pakt hij hun macht af.

Maar gewone mensen maakt hij belangrijk.

53Arme mensen geeft hij veel,

maar rijke mensen krijgen niets.

54God is zijn liefde voor Israël niet vergeten.

Daarom helpt hij zijn volk.

55Dat had hij al beloofd aan onze voorouders,

aan Abraham en aan iedereen die na hem kwam.’

56Maria bleef drie maanden bij Elisabet. Daarna ging ze terug naar huis.

De geboorte van Johannes

57Toen kwam het moment dat Elisabets kind geboren werd. Ze kreeg een zoon. 58Haar buren en familie hoorden het nieuws. Ze waren blij en zeiden tegen elkaar: ‘Wat is God goed geweest voor Elisabet!’

59Een week later werd het kind besneden. De mensen die erbij waren, wilden hem Zacharias noemen. Want dat was de naam van zijn vader. 60Maar Elisabet zei: ‘Nee, hij moet Johannes heten.’

61De mensen zeiden: ‘Johannes? Maar zo heet niemand in jullie familie!’ 62Met gebaren vroegen ze aan Zacharias hoe hij het kind wilde noemen. 63Toen pakte Zacharias een schrijfbordje en schreef daarop: ‘Het kind heet Johannes.’ Iedereen was verbaasd. 64Meteen daarna kon Zacharias weer praten, en hij dankte God.

65Alle mensen die in de buurt woonden, waren diep onder de indruk. En in heel het bergland van Judea vertelden de mensen elkaar wat er gebeurd was. 66De mensen dachten: Hoe zal het verdergaan met dit kind? Want het was duidelijk dat God een bijzonder plan met hem had.

Zacharias dankt God in een lied

67Toen kwam de heilige Geest in Zacharias. Hij liet Zacharias het volgende zeggen:

68‘Alle eer aan de Heer, de God van Israël!

Hij is gekomen om zijn volk te bevrijden.

69Hij heeft ons een machtige redder gegeven,

uit de familie van koning David.

70-71Lang geleden heeft God al beloofd:

‘Ik zal jullie redden van je vijanden

en van iedereen die jullie haat.’

Dat hebben de profeten gezegd tegen onze voorouders.

72Zo toonde God aan hen zijn liefde,

hij is zijn heilige belofte niet vergeten.

73-75God beloofde aan Abraham, onze voorvader,

dat hij ons zou redden van onze vijanden.

Hij wil dat we hem trouw dienen, met heel ons hart,

zonder bang te zijn.

We mogen bij hem zijn, ons leven lang.

76En jij, Johannes, bent straks een profeet

van de allerhoogste God.

Want jij zult de weg klaarmaken,

zodat de Heer kan komen.

77Jij zult de mensen vertellen

dat ze gered kunnen worden.

Want God wil hun fouten vergeven.

78Omdat God zo veel van ons houdt,

zal hij het hemelse licht naar ons sturen.

79Dat licht zal schijnen op iedereen

die leeft in het donker,

in de schaduw van de dood.

Dat licht zal ons de weg wijzen naar vrede.’

80Johannes groeide op, en de heilige Geest maakte hem sterk. Hij leefde in de woestijn, totdat hij begon met de taak die God hem gegeven had.

2

De geboorte van Jezus

Jozef en Maria gaan naar Betlehem

21In die tijd werd er een bevel van keizer Augustus bekendgemaakt. Hij wilde alle inwoners van het Romeinse rijk laten tellen. 2Het was de eerste keer dat dit gebeurde. Het was in de tijd dat Quirinius de provincie Syrië bestuurde. 3Iedereen moest geteld worden in de plaats waar zijn familie vandaan kwam. Daarom gingen alle mensen op reis.

4-5Ook Jozef moest op reis. Hij ging van Nazaret in Galilea naar Betlehem in Judea. Want hij kwam uit de familie van David, en David kwam uit Betlehem. Jozef ging samen met Maria naar Betlehem. Maria zou met Jozef gaan trouwen, en ze was zwanger.

Jezus wordt geboren

6Toen Jozef en Maria in Betlehem waren, werd het kind geboren. 7Het was Maria’s eerste kind, een jongen. Maria wikkelde hem in een doek, en legde hem in een voerbak voor de dieren. Want er was voor hen nergens plaats om te slapen.

Herders horen het goede nieuws

8Die nacht waren er herders in de buurt van Betlehem. Ze pasten buiten op hun schapen.

9Opeens stond er een engel tussen de herders, en het licht van God straalde om hen heen. De herders werden bang. 10Maar de engel zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn, want ik breng jullie goed nieuws. Het hele volk zal daar blij mee zijn. 11Vandaag is jullie redder geboren: Christus, de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David. 12En zo kunnen jullie hem herkennen: het kind ligt in een voerbak en is in een doek gewikkeld.’

13En plotseling was er bij de engel een hele groep engelen. Ze eerden God en zeiden: 14‘Alle eer aan God in de hemel. En vrede op aarde voor de mensen van wie God houdt.’

De herders gaan naar Betlehem

15Daarna gingen de engelen terug naar de hemel. De herders zeiden tegen elkaar: ‘Kom, we gaan naar Betlehem. Want God heeft ons verteld wat er gebeurd is. Laten we gaan kijken.’

16Ze gingen meteen naar Betlehem. Daar vonden ze Maria en Jozef, en in een voerbak lag het kind. 17Toen de herders het kind zagen, vertelden ze wat de engel over hem gezegd had. 18Iedereen die het hoorde, was verbaasd over het verhaal van de herders. 19Maria probeerde te begrijpen wat het betekende. Ze bleef nadenken over wat de herders gezegd hadden.

20De herders gingen terug naar hun schapen. Ze eerden God en dankten hem voor alles wat ze gezien en gehoord hadden. Want alles was precies zoals de engel gezegd had.

21Een week later werd het kind besneden. Maria en Jozef noemden hem Jezus. Dat was de naam die de engel genoemd had, nog voordat Maria zwanger was.

Jezus wordt naar de tempel gebracht

22Jozef en Maria namen Jezus mee naar de tempel in Jeruzalem. Het was veertig dagen na de bevalling. Want zo lang duurt het voordat een vrouw na een bevalling weer rein is. Dat staat in de wet van Mozes.

Jozef en Maria brachten Jezus naar de tempel om hem aan God te laten zien. 23Want in de wet van God staat: «Elk eerste kind dat een jongen is, is voor God.» 24Ook brachten ze een offer aan God. Want in de wet staat: «Breng als offer twee tortelduiven of twee gewone jonge duiven.»

Simeon ziet Jezus

25In Jeruzalem woonde een man die Simeon heette. Simeon was goed en eerlijk, en trouw aan God. Hij wachtte zijn hele leven al op de redding van Israël. De heilige Geest was in Simeon, 26en die had hem verteld: ‘Voordat je sterft, zul je de messias zien die God beloofd heeft.’

27De heilige Geest stuurde Simeon naar de tempel. Op hetzelfde moment kwamen ook Jozef en Maria naar de tempel. Zij brachten Jezus daarheen om alles te doen wat verplicht was volgens de wet.

28Toen Simeon het kind zag, nam hij het in zijn armen en dankte God. Hij zei:

29‘Heer, ik ben uw dienaar.

Nu kan ik rustig sterven,

zoals u mij beloofd hebt.

30Want nu heb ik zelf de redder gezien.

31U hebt hem gestuurd om alle volken te redden.

32Hij is het licht,

hij wijst de volken de weg naar u.

Hij is de held van uw volk Israël.’

Simeon spreekt over de toekomst

33Die dingen zei Simeon over Jezus. Jozef en Maria waren erg verbaasd. 34Toen zegende Simeon hen, en hij zei tegen Maria: ‘Jouw zoon is een teken van de dingen die in Israël gaan gebeuren. Veel mensen zullen door hem nieuw leven krijgen. Maar anderen zullen zich tegen hem verzetten. Die mensen zullen niet gered worden.’

35Simeon zei ook: ‘Maria, jij zult veel verdriet en pijn hebben om je zoon. Maar al die dingen moeten gebeuren. Want zo wordt duidelijk hoe de mensen van binnen echt zijn.’

Hanna spreekt ook over Jezus

36De profetes Hanna was ook in de tempel. Ze was een dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Hanna was heel oud. Ze was vroeger zeven jaar getrouwd geweest, 37en nu was ze al 84 jaar weduwe. Hanna was altijd in de tempel. Daar eerde ze God dag en nacht, door te bidden en te vasten.

38Terwijl Simeon sprak, kwam Hanna erbij staan. Ze dankte God voor alles wat hij gedaan had. Daarna begon ze te vertellen over Jezus. Ze sprak tegen alle mensen die hoopten op de bevrijding van Jeruzalem.

39Jozef en Maria deden alles wat verplicht was volgens de wet van God. Daarna gingen ze terug naar huis, naar Nazaret in Galilea.

40Jezus groeide op. Hij werd sterk en wijs, en God was bij hem met zijn liefde.

Jezus gaat mee naar Jeruzalem

41Elk jaar gingen Jozef en Maria naar Jeruzalem om het Joodse Paasfeest te vieren. 42-43Op een keer ging Jezus met zijn ouders mee. Hij was toen twaalf jaar.

Na het feest gingen Jozef en Maria naar huis. Maar Jezus bleef in Jeruzalem, zonder dat zijn ouders dat wisten. 44-45Ze dachten dat hun zoon met familie of vrienden meeliep. Pas ’s avonds gingen ze hem zoeken. Maar ze konden hem nergens vinden. Toen gingen Jozef en Maria terug naar Jeruzalem, om Jezus daar te zoeken.

Jezus is in de tempel

46Jozef en Maria vonden Jezus na drie dagen. Hij zat in de tempel bij de leraren die daar waren. Hij luisterde naar hen en stelde vragen. 47Iedereen die hem hoorde praten, was verbaasd. Want hij zei heel verstandige dingen.

48Toen zijn ouders Jezus vonden, waren ze onder de indruk. Maria zei: ‘Jongen, waarom heb je dat gedaan? Je vader en ik waren ongerust. We hebben je overal gezocht.’ 49Jezus antwoordde: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Ik moet doen wat mijn Vader bepaald heeft. Dat weten jullie toch?’ 50Maar Jozef en Maria begrepen niet wat hij bedoelde.

51Toen ging Jezus met zijn ouders mee terug naar Nazaret, en hij was hun gehoorzaam. Toch bleef zijn moeder nadenken over alles wat er gebeurd was.

52Jezus groeide op, en hij werd steeds wijzer. God hield van hem, en de mensen ook.

3

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

31Het was het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius. Pontius Pilatus bestuurde de provincie Judea. Herodes was koning van Galilea, en zijn broer Filippus was koning van de gebieden Iturea en Trachonitis. En Lysanias was koning van Abilene. 2Annas en Kajafas waren hogepriester. In dat jaar werd Johannes, de zoon van Zacharias, door God geroepen. Johannes leefde in de woestijn.

3Toen ging Johannes naar het gebied bij de Jordaan. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen! Dan zal God je zonden vergeven.’

4In het boek van de profeet Jesaja staat al over Johannes geschreven: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer! 5Maak de weg recht, zonder bochten. Maak de weg vlak, haal alle bergen en dalen weg. 6Dan zal iedereen zien dat God redding brengt.»

Johannes geeft een waarschuwing

7Er kwamen heel veel mensen naar Johannes om gedoopt te worden. Johannes zei tegen hen: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. 8-9Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’

Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’

Johannes vertelt hoe je moet leven

10De mensen vroegen aan Johannes: ‘Wat moeten we doen om goed te leven?’ 11Hij antwoordde: ‘Stel dat je twee hemden hebt. Geef er dan één aan iemand die helemaal geen hemd heeft. En deel je eten met mensen die honger hebben.’

12Er kwamen ook tollenaars die gedoopt wilden worden. Ook zij vroegen aan Johannes: ‘Meester, wat moeten we doen om goed te leven?’ 13Tegen hen zei Johannes: ‘Laat de mensen niet te veel betalen.’ 14Daarna vroegen een paar soldaten: ‘En wat moeten wij doen?’ Johannes zei: ‘Wees tevreden met je loon. Pak van niemand geld af.’

Johannes vertelt dat Jezus zal komen

15De mensen verwachtten veel van Johannes. Ze dachten: Misschien is hij wel de messias!

16Maar Johannes zei: ‘Ik doop jullie met water. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest. 17Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’

18Johannes zei dit soort dingen om de mensen te waarschuwen. Op die manier vertelde hij het goede nieuws.

Johannes wordt gevangengenomen

19-20Koning Herodes leefde samen met Herodias, de vrouw van zijn broer. En de koning deed nog veel meer slechte dingen. Johannes zei telkens tegen de koning: ‘U doet verkeerde dingen.’ Daarom liet de koning hem in de gevangenis opsluiten. Dat maakte de koning nog schuldiger.

Jezus wordt gedoopt

21Het hele volk liet zich dopen. Ook Jezus werd gedoopt. Toen hij na de doop aan het bidden was, ging de hemel open. 22Uit de hemel kwam de heilige Geest naar Jezus toe, in de vorm van een duif. En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’

De voorouders van Jezus

23-38Jezus begon zijn werk toen hij ongeveer dertig jaar oud was. De mensen dachten dat hij de zoon van Jozef was.

De voorouders van Jozef waren: Eli, Mattat, Levi, Melchi, Jannai, Josef, Mattatias, Amos, Naüm, Hesli, Naggai, Maät, Mattatias, Semeïn, Josech, Joda, Joanan, Resa, Zerubbabel, Sealtiël, Neri, Melchi, Addi, Kosam, Elmadan, Er, Jozua, Eliëzer, Jorim, Mattat, Levi, Simeon, Juda, Josef, Jonan, Eljakim, Melea, Menna, Mattatta, Natan, David, Isaï, Obed, Boaz, Selach, Nachson, Amminadab, Admin, Arni, Chesron, Peres, Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Terach, Nachor, Serug, Reü, Peleg, Eber, Selach, Kenan, Arpachsad, Sem, Noach, Lamech, Metuselach, Henoch, Jered, Mahalalel, Kenan, Enos, Set en Adam. Adam was de zoon van God.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]