Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

31Het was het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius. Pontius Pilatus bestuurde de provincie Judea. Herodes was koning van Galilea, en zijn broer Filippus was koning van de gebieden Iturea en Trachonitis. En Lysanias was koning van Abilene. 2Annas en Kajafas waren hogepriester. In dat jaar werd Johannes, de zoon van Zacharias, door God geroepen. Johannes leefde in de woestijn.

3Toen ging Johannes naar het gebied bij de Jordaan. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen! Dan zal God je zonden vergeven.’

4In het boek van de profeet Jesaja staat al over Johannes geschreven: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer! 5Maak de weg recht, zonder bochten. Maak de weg vlak, haal alle bergen en dalen weg. 6Dan zal iedereen zien dat God redding brengt.»

Johannes geeft een waarschuwing

7Er kwamen heel veel mensen naar Johannes om gedoopt te worden. Johannes zei tegen hen: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. 8-9Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’

Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’

Johannes vertelt hoe je moet leven

10De mensen vroegen aan Johannes: ‘Wat moeten we doen om goed te leven?’ 11Hij antwoordde: ‘Stel dat je twee hemden hebt. Geef er dan één aan iemand die helemaal geen hemd heeft. En deel je eten met mensen die honger hebben.’

12Er kwamen ook tollenaars die gedoopt wilden worden. Ook zij vroegen aan Johannes: ‘Meester, wat moeten we doen om goed te leven?’ 13Tegen hen zei Johannes: ‘Laat de mensen niet te veel betalen.’ 14Daarna vroegen een paar soldaten: ‘En wat moeten wij doen?’ Johannes zei: ‘Wees tevreden met je loon. Pak van niemand geld af.’

Johannes vertelt dat Jezus zal komen

15De mensen verwachtten veel van Johannes. Ze dachten: Misschien is hij wel de messias!

16Maar Johannes zei: ‘Ik doop jullie met water. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest. 17Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’

18Johannes zei dit soort dingen om de mensen te waarschuwen. Op die manier vertelde hij het goede nieuws.

Johannes wordt gevangengenomen

19-20Koning Herodes leefde samen met Herodias, de vrouw van zijn broer. En de koning deed nog veel meer slechte dingen. Johannes zei telkens tegen de koning: ‘U doet verkeerde dingen.’ Daarom liet de koning hem in de gevangenis opsluiten. Dat maakte de koning nog schuldiger.

Jezus wordt gedoopt

21Het hele volk liet zich dopen. Ook Jezus werd gedoopt. Toen hij na de doop aan het bidden was, ging de hemel open. 22Uit de hemel kwam de heilige Geest naar Jezus toe, in de vorm van een duif. En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’

De voorouders van Jezus

23-38Jezus begon zijn werk toen hij ongeveer dertig jaar oud was. De mensen dachten dat hij de zoon van Jozef was.

De voorouders van Jozef waren: Eli, Mattat, Levi, Melchi, Jannai, Josef, Mattatias, Amos, Naüm, Hesli, Naggai, Maät, Mattatias, Semeïn, Josech, Joda, Joanan, Resa, Zerubbabel, Sealtiël, Neri, Melchi, Addi, Kosam, Elmadan, Er, Jozua, Eliëzer, Jorim, Mattat, Levi, Simeon, Juda, Josef, Jonan, Eljakim, Melea, Menna, Mattatta, Natan, David, Isaï, Obed, Boaz, Selach, Nachson, Amminadab, Admin, Arni, Chesron, Peres, Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Terach, Nachor, Serug, Reü, Peleg, Eber, Selach, Kenan, Arpachsad, Sem, Noach, Lamech, Metuselach, Henoch, Jered, Mahalalel, Kenan, Enos, Set en Adam. Adam was de zoon van God.