Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Jezus waarschuwt voor de farizeeën

121Intussen waren er duizenden mensen naar Jezus toe gekomen. Het was zo druk dat de mensen tegen elkaar aan stonden te duwen.

Jezus begon eerst tegen zijn leerlingen te spreken. Hij zei: ‘Pas op voor de gevaarlijke invloed van de farizeeën. Zij zijn schijnheilig. Pas op dat jullie dat niet worden. 2Want alles wat verborgen is, zal zichtbaar worden. En alles wat geheim is, zal bekend worden. 3Nu is alles waarover jullie praten, nog geheim. Maar straks zal iedereen het te horen krijgen.’

De leerlingen moeten niet bang zijn

4Jezus zei verder: ‘Vrienden, jullie moeten niet bang zijn voor mensen. Ze kunnen je doden, maar daarna kunnen ze je niets meer doen. 5Jullie moeten bang zijn voor God, want hij kan je doden en je daarna in de hel gooien.

6Mussen kosten bijna niets. Je hebt er al vijf voor een paar cent. En toch vergeet God geen enkele mus. 7Jullie zijn voor God veel belangrijker dan mussen. God weet zelfs hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. Je hoeft dus niet bang te zijn.

De leerlingen moeten zeggen dat ze bij Jezus horen

8Luister naar mijn woorden: Jullie moeten aan de mensen vertellen dat je bij mij hoort. Dan zal ik ook tegen de engelen van God zeggen dat jullie bij mij horen. 9Maar stel dat jullie tegen de mensen zeggen: ‘Ik ken Jezus niet.’ Dan zal ik ook tegen de engelen zeggen dat ik jullie niet ken.

10Als iemand slechte dingen zegt over de Mensenzoon, kan hij vergeving krijgen. Maar als iemand de heilige Geest beledigt, kan hij geen vergeving krijgen.

11Stel dat ze jullie naar een synagoge brengen, of naar een bestuurder of machthebber. Maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen, of hoe je het moet zeggen. 12Want als het zover is, zal de heilige Geest jullie de juiste woorden geven.’

Geld is niet belangrijk

Het voorbeeld van de rijke man

13Daarna zei iemand uit de groep mensen tegen Jezus: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.’ 14Maar Jezus zei: ‘Het is niet mijn taak om te beslissen over dat soort dingen.’ 15Ook zei hij: ‘Pas op voor het verlangen naar steeds meer bezit. Kijk daarvoor uit. Je kunt heel veel bezitten, maar je leven kun je nooit bezitten.’

16Toen gaf Jezus de mensen dit voorbeeld: ‘Een rijke man heeft een groot stuk land dat vol staat met koren. 17Hij denkt: Wat moet ik doen? In mijn schuren is niet genoeg plaats voor al het graan. 18Dan denkt de man: Weet je wat? Ik breek mijn oude schuren af en ik bouw nieuwe schuren die veel groter zijn. Daarin bewaar ik dan het graan en al mijn bezit. 19Dan kan ik tegen mezelf zeggen: Zo, nu ben ik rijk. Ik heb genoeg om jaren van te leven! Ik ga nu lekker uitrusten, eten, drinken en feestvieren.

20Maar God zegt tegen hem: ‘Je bent een domme man. Want vannacht zul je sterven. En voor wie is dan je rijkdom?’’

21Toen zei Jezus: ‘Zo loopt het af met iemand die alleen maar leeft om rijk te worden. Want zo iemand heeft wel heel veel bezit, maar bij God heeft hij bijna niets.’

Je moet je geen zorgen maken

22-23Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister naar mijn woorden: Maak je geen zorgen over eten. Want je leven is veel belangrijker dan eten. En maak je geen zorgen over kleren. Want je lichaam is veel belangrijker dan kleren.

24Kijk eens naar de vogels. Ze werken niet op het land en ze hebben geen kelder of schuur. God geeft ze te eten. En jullie zijn voor hem veel belangrijker dan de vogels. 25Maak je dus geen zorgen. Dat heeft geen zin. Je blijft er geen dag langer door leven. 26En als dat je al niet lukt, waarom zou je je dan nog zorgen maken over de rest?

27Kijk eens naar de bloemen. Ze werken niet en ze maken geen kleren. Toch zijn ze prachtig. Ja, zelfs nog mooier dan koning Salomo in zijn mooiste kleren. 28Het gras dat vandaag op het veld staat, wordt morgen gebruikt om een vuur te maken. En toch versiert God het gras met prachtige bloemen. Dan zal God zeker voor jullie zorgen! Waarom vertrouwen jullie dan niet op hem?

29Maak je dus geen zorgen. Vraag niet: ‘Hoe komen we aan eten?’ of: ‘Hoe komen we aan drinken?’ 30Met die dingen houden de mensen zich bezig die God niet kennen. Je Vader weet echt wel dat je die dingen nodig hebt. 31Houd je bezig met Gods nieuwe wereld. Dan zal God je die andere dingen ook geven.

32Wees niet bang, ook al zijn jullie maar met weinig gelovigen. Want de nieuwe wereld is voor jullie. Zo wil God dat.’

Je moet je bezit verkopen

33Jezus zei verder: ‘Verkoop je bezit en geef het geld aan de armen. Zorg dat je rijk wordt in de hemel. Want in de hemel raakt je geld nooit op. Je zult het daar ook nooit verliezen, en het zal er nooit gestolen worden. 34Leef daarom op zo’n manier dat je rijk wordt in de hemel.’

De Mensenzoon komt onverwacht

Blijf goed opletten

35Jezus zei: ‘Zorg dat je klaarstaat en goed oplet. 36Net zoals knechten die wachten op hun heer. Hij komt laat thuis van een feest. Maar als hij op de deur klopt, doen de knechten meteen open.

37-38Het echte geluk is voor zulke knechten. Knechten die wakker zijn als hun heer komt, zelfs al is het midden in de nacht. Luister goed naar mijn woorden: De heer zal voor die knechten klaarstaan. Hij zal hen behandelen als belangrijke gasten, en hij zal zelf hun eten komen brengen.

39-40Stel dat je van tevoren weet wanneer er een dief komt. Dan zorg je ervoor dat die dief niet bij je kan inbreken. Maar jullie weten niet wanneer de Mensenzoon komt. Dus moeten jullie altijd klaarstaan. Onthoud dat goed!’

Het voorbeeld van de twee dienaren

41Toen vroeg Petrus: ‘Heer, was dat voorbeeld bedoeld voor iedereen? Of alleen voor ons?’ 42De Heer antwoordde: ‘Wat doet een dienaar die trouw en verstandig is? Stel dat zijn heer op reis gaat. Hij geeft zijn dienaar de opdracht om goed te zorgen voor al het personeel. 43-44Op een dag komt de heer terug. En hij ziet dat de dienaar inderdaad goed zorgt voor het personeel. Luister goed naar mijn woorden: Die dienaar krijgt een beloning! De heer zal hem verantwoordelijk maken voor zijn hele bezit.

45Maar stel dat die dienaar denkt: Mijn heer komt voorlopig niet terug. En hij begint het personeel te slaan. Hij eet zich vol en wordt dronken. 46Stel dat de heer dan terugkomt op een moment dat de dienaar hem helemaal niet verwacht. Dan zal de heer hem de zwaarste straf geven. Net zo’n zware straf als de ongelovige mensen zullen krijgen.

Wie veel krijgt, moet ook veel geven

47Stel dat een dienaar weet wat zijn heer wil, maar het niet doet. Dan zal hij zwaar gestraft worden. 48Maar stel dat een dienaar niet weet wat zijn heer wil, en dan iets verkeerds doet. Dan zal hij minder zwaar gestraft worden.

Want als God je veel geeft, dan vraagt hij er ook veel voor terug. En als je veel voor God mag doen, dan zal hij ook veel van je verwachten.’

Jezus brengt geen vrede

49Jezus zei: ‘Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen. Wat zou ik graag willen dat het vuur al brandde! 50Ik zal zwaar moeten lijden. Wat zou ik graag willen dat het al gebeurd was!

51Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Nee, ik breng helemaal geen vrede. Door mij worden mensen juist vijanden van elkaar. 52Vanaf nu komt er in elke familie ruzie. 53Vaders en zonen krijgen ruzie met elkaar. Moeders en dochters krijgen ruzie met elkaar. En ook schoonmoeders en schoondochters krijgen ruzie met elkaar.’

Het gaat om de juiste beslissing

54Jezus zei tegen de mensen: ‘Als jullie een wolk zien in het westen, dan zeggen jullie meteen: ‘Er komt regen.’ En dat gebeurt dan ook. 55En als het waait vanuit het zuiden, dan zeggen jullie: ‘Het wordt warm vandaag.’ En ook dat gebeurt. 56Wat zijn jullie schijnheilig! Alle gewone gebeurtenissen begrijpen jullie precies. Maar wat er op dit moment voor bijzonders gebeurt, dat willen jullie niet begrijpen!

57Bedenk wat goed is om te doen en neem een beslissing. Er is niet veel tijd meer. 58Het is alsof je op weg bent naar de rechter, samen met de man aan wie je geld schuldig bent. Probeer het onderweg met hem op te lossen. Want anders is het te laat en brengt hij je voor de rechter. En de rechter zorgt ervoor dat je wordt opgesloten in de gevangenis.

59Luister naar mijn woorden: Je komt die gevangenis pas uit als je je schuld helemaal betaald hebt.’

13

Leef zoals God het wil

De mensen moeten hun leven veranderen

131Op dat moment kwam er een groepje mensen naar Jezus toe. Ze hadden een bericht over Pilatus. Hij had een groep mensen uit Galilea vermoord in de tempel, terwijl zij offers aan het brengen waren. 2Toen zei Jezus: ‘Denken jullie dat die mensen slechter waren dan alle andere mensen uit Galilea? Omdat ze op zo’n manier gestorven zijn? 3Nee, dat is echt niet zo. Jullie moeten je leven veranderen. Anders zullen jullie allemaal op die manier sterven.

4Laatst gingen er achttien mensen dood toen de Siloam-toren instortte. Denken jullie dat die mensen slechter waren dan alle andere mensen in Jeruzalem? 5Nee, dat is echt niet zo. Jullie moeten je leven veranderen. Anders zullen jullie allemaal op die manier sterven.’

Het voorbeeld van de vijgenboom

6Toen gaf Jezus dit voorbeeld: ‘Iemand heeft een vijgenboom in zijn tuin geplant. Elk jaar gaat hij kijken of er vijgen aan de boom zitten. Maar hij vindt er nooit één. 7Daarom zegt hij tegen de tuinman: ‘Ik kom nu al drie jaar bij die boom kijken. Maar er zitten nog steeds geen vijgen aan. Hak de boom maar om, want zo wordt de grond niet goed gebruikt.’

8Maar de tuinman antwoordt: ‘Heer, laat de boom dit jaar nog staan. Ik zal er extra goed voor zorgen. 9Misschien zijn er dan volgend jaar vijgen. Als dat niet zo is, dan kunt u hem volgend jaar omhakken.’’

Jezus maakt een vrouw beter op sabbat

10Op een sabbat gaf Jezus in de synagoge uitleg over God. 11Daar was ook een vrouw die een kwade geest in zich had. Die geest maakte haar al achttien jaar ziek. De vrouw was helemaal krom, ze kon niet meer rechtop staan. 12Toen Jezus haar zag, riep hij haar bij zich en zei: ‘Je bent bevrijd van je ziekte.’ 13Toen legde hij zijn handen op de vrouw, en meteen kon ze weer rechtop staan. En de vrouw dankte God.

14Maar de leider van de synagoge was kwaad, omdat Jezus de vrouw beter gemaakt had op sabbat. De leider zei tegen de mensen: ‘Er zijn zes dagen waarop we moeten werken. Op die dagen mag je komen om te worden genezen. Maar niet op sabbat.’

15Maar de Heer antwoordde: ‘Wat zijn jullie schijnheilig! Als je koe of je ezel wil drinken, dan geven jullie hem te drinken. Ook al is het sabbat. 16Maar jullie willen niet dat deze vrouw op sabbat geholpen wordt. Terwijl ze bij het volk van Abraham hoort, en al achttien jaar in de macht van Satan was.’

17Toen Jezus dat zei, schaamden zijn tegenstanders zich. En alle andere mensen waren blij met de geweldige dingen die hij deed.

Jezus vertelt over Gods nieuwe wereld

18Daarna zei Jezus: ‘Waarmee zal ik Gods nieuwe wereld vergelijken? Waar lijkt die wereld op? 19Gods nieuwe wereld lijkt op een mosterdzaadje. Iemand zaait zo’n klein zaadje in zijn tuin. Het zaadje groeit en wordt een boom. En in de takken van de boom bouwen vogels hun nest.’

20Jezus zei weer: ‘Waar lijkt Gods nieuwe wereld op? 21Gods nieuwe wereld lijkt op gist. Een vrouw doet een klein beetje gist bij een grote zak meel. Daardoor verandert al het meel.’

Jezus is op weg naar Jeruzalem

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

22Jezus reisde verder naar Jeruzalem. Onderweg kwam hij langs steden en dorpen. Daar gaf hij de mensen uitleg over God. 23Iemand vroeg: ‘Heer, is het waar dat er maar weinig mensen gered worden?’ Jezus antwoordde: 24‘Luister naar mijn woorden: De deur naar Gods nieuwe wereld is klein. Dus je moet erg je best doen om binnen te komen. Er zullen veel mensen zijn die het proberen, zonder dat het ze lukt.

25Op een keer zal de heer van het huis besluiten om de deur dicht te doen. Dan staan jullie buiten en kloppen jullie op de deur. En dan zeggen jullie: ‘Heer, doe open!’ Maar de heer zal antwoorden: ‘Ik ken jullie niet.’ 26Dan roepen jullie: ‘Maar we hebben samen met u gegeten en gedronken. En u hebt in onze stad uitleg gegeven over God!’ 27Maar de heer zal zeggen: ‘Ik ken jullie niet. Jullie hebben steeds maar weer gedaan wat God niet wil. Ik wil jullie niet meer zien!’

28Dan zullen jullie huilen van ellende en spijt. Want jullie zullen zien dat Abraham, Isaak en Jakob in Gods nieuwe wereld zijn. Samen met alle profeten. Maar zelf moeten jullie buiten blijven! 29Mensen uit alle landen zullen in Gods nieuwe wereld komen. En ze zullen er feestvieren.

30Luister! De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen komen vooraan te staan.’

Jezus vertelt dat hij gaat sterven

31Op dat moment kwamen er een paar farizeeën naar Jezus toe. Ze zeiden: ‘U kunt hier beter weggaan, want Herodes wil u doden.’ 32Maar Jezus zei: ‘Herodes lijkt op een vos die aan het jagen is. Ga naar hem toe en zeg hem dat ik vandaag en morgen nog aan het werk ben. Ik jaag kwade geesten weg en ik maak mensen beter. Op de derde dag is mijn werk afgelopen. Dan zal ik hier weggaan. 33Ik moet vandaag, morgen en overmorgen nog verder reizen. Want een profeet hoort te sterven in Jeruzalem.’

34Daarna zei Jezus: ‘Jeruzalem, Jeruzalem! Jouw inwoners hebben de profeten gedood. Ze hebben de dienaren die God stuurde, met stenen doodgegooid.

Inwoners van Jeruzalem, telkens probeerde ik jullie te beschermen. Net zoals een vogel haar jongen beschermt onder haar vleugels. Maar jullie wilden niet door mij beschermd worden. 35Daarom zal de tempel leeg achterblijven.

Luister naar mijn woorden: Jullie zien mij nu voor het laatst. Jullie zullen mij pas weer zien als de nieuwe wereld komt. Dan zullen jullie zeggen: ‘Leve de man die door God gestuurd is!’’

14

Jezus eet bij een farizeeër

Jezus maakt een man beter op sabbat

141Op een dag ging Jezus naar het huis van een belangrijke farizeeër. Jezus was daar uitgenodigd voor een maaltijd. Het was sabbat en iedereen lette goed op Jezus.

2Er was in dat huis ook een zieke man. Zijn lichaam was helemaal dik van het vocht. 3Jezus vroeg aan de wetsleraren en farizeeën: ‘Mag je op sabbat iemand beter maken of niet?’ 4Maar ze gaven geen antwoord. Toen pakte Jezus de zieke man vast en maakte hem weer beter. Daarna stuurde hij de man weg.

5Jezus zei tegen de wetsleraren en farizeeën: ‘Wat doen jullie als je zoon in een put valt, of je koe? Dan haal je hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’ 6Daar hadden ze geen antwoord op.

Maak jezelf niet de belangrijkste

7Jezus zag dat de andere gasten de beste plaats aan tafel uitzochten. Daarom gaf hij hun dit voorbeeld: 8‘Als je uitgenodigd wordt voor een feestelijke maaltijd, ga dan niet op de beste plaats zitten. Want er kan een gast komen die belangrijker is dan jij. 9Als jij dan op de belangrijkste plaats zit, komt de man die het feest geeft naar jou toe. En hij zal zeggen: ‘Je moet opstaan voor mijn andere gast!’ Dan moet jij op de slechtste plaats gaan zitten, en lacht iedereen je uit.

10Als je uitgenodigd wordt, kun je beter op de slechtste plaats gaan zitten. Want dan komt de man die het feest geeft naar jou toe met de woorden: ‘Beste vriend, kom hier op een betere plaats zitten!’ Dan zullen alle andere gasten zien hoe jij gewaardeerd wordt.

11Want God zal iedereen die zichzelf geweldig vindt, onbelangrijk maken. En juist mensen die zichzelf niets waard vinden, die zal God belangrijk maken.’

Nodig arme mensen uit

12Jezus zei tegen de man die hem uitgenodigd had: ‘Stel dat je mensen uitnodigt om ’s middags of ’s avonds bij jou te komen eten. Vraag dan niet je vrienden, je familie of je rijke buren. Want dan krijg je ook een uitnodiging om bij hen te komen eten. En zo krijg je iets terug voor je moeite.

13Als je mensen thuis uitnodigt, vraag dan arme mensen, zwervers en bedelaars. 14Het echte geluk is dan voor jou. Want die mensen kunnen niets voor jou terugdoen. Daarom zal God je belonen, op de dag dat goede mensen opstaan uit de dood.’

Het voorbeeld van het feest

15Eén van de gasten hoorde wat Jezus zei. Die man zei: ‘Het echte geluk is voor de mensen die feest zullen vieren in Gods nieuwe wereld.’

16Jezus antwoordde met een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man geeft een groot feest en nodigt veel mensen uit. 17Op de dag van het feest stuurt hij zijn knecht naar de gasten met het bericht: ‘Kom naar mijn feest, alles staat klaar.’ 18Maar de gasten zeggen één voor één: ‘Het spijt me, ik kan niet komen.’ De eerste zegt: ‘Ik heb een stuk land gekocht dat ik nu echt moet gaan bekijken. Zeg tegen je heer dat het me spijt.’ 19Een ander zegt: ‘Ik heb tien koeien gekocht en ik moet ze gaan bekijken. Zeg tegen je heer dat het me spijt.’ 20En weer een ander zegt: ‘Ik kan niet komen, want ik ben net getrouwd.’

21De knecht komt terug en vertelt alles aan zijn heer. Die wordt kwaad en zegt tegen zijn knecht: ‘Ga direct de stad in. Haal de arme mensen, zwervers en bedelaars van de straat en breng ze hier.’

22Als de knecht weer terugkomt, zegt hij: ‘Heer, ik heb gedaan wat u vroeg, maar er zijn nog steeds lege plaatsen.’ 23De heer antwoordt: ‘Ga dan naar de wegen buiten de stad en haal iedereen op die daar rondloopt. Zorg dat iedereen komt, want mijn huis moet vol worden. 24En luister naar mijn woorden: De gasten die ik eerst uitgenodigd had, mogen niet meer binnenkomen!’’

Je moet alles opgeven

Geef je eigen leven op

25Een grote groep mensen reisde met Jezus mee. Jezus zei tegen hen: 26‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. 27Je kunt alleen mijn leerling zijn als je met mij meegaat en samen met mij lijdt.’

Denk na voordat je aan iets begint

28Jezus zei: ‘Stel dat je een toren wilt bouwen. Dan ga je eerst bedenken hoeveel dat kost en of je genoeg geld hebt. 29Want stel dat je wel begint te bouwen, maar geen geld hebt om het werk af te maken. Dan zullen alle mensen je uitlachen. 30Ze zullen zeggen: ‘Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet afmaken!’

31Of stel dat een koning oorlog wil voeren tegen een andere koning. Hij weet dat die andere koning met een leger van 20.000 soldaten komt. Dan gaat hij natuurlijk eerst bedenken of zijn eigen leger van tienduizend soldaten wel groot genoeg is. 32Als dat niet zo is, kan hij beter zo snel mogelijk een dienaar sturen. Die kan de andere koning dan om vrede vragen.

33Bedenk dus goed wat het betekent om mijn leerling te zijn. Want je moet alles opgeven wat je hebt. 34Mijn leerlingen kun je vergelijken met zout. Zout is iets goeds. Maar als het zijn zoute smaak verliest, kun je het niet opnieuw zout maken. 35Dan kun je het nergens meer voor gebruiken, en wordt het weggegooid. Laat dat goed tot je doordringen.’