Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Offer geen kinderen

201De Heer zei verder tegen Mozes: 2-3‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Niemand van jullie mag zijn kinderen offeren aan de god Moloch. Dat geldt ook voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

Als iemand dat wel doet, zal ik, de Heer, hem in de steek laten. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen en hij moet gedood worden. Het hele volk moet hem met stenen doodgooien. Want hij heeft zijn kinderen geofferd aan Moloch. Daardoor heeft hij mijn heilige tent onrein gemaakt, en mij beledigd.

4Jullie moeten dus niet toelaten dat iemand zijn kinderen aan Moloch offert. Zo iemand moeten jullie doden. 5Als jullie dat niet doen, zal ik hem en zijn familie in de steek laten. Hij en ieder ander die Moloch vereert, mag niet meer bij het volk van Israël horen.

Roep geen geesten op

6Jullie mogen geen geesten oproepen en ze om hulp vragen. Als iemand dat wel doet, zal ik hem in de steek laten. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen.

7Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, jullie God, heilig ben. En zorg ervoor dat jullie heilig blijven. 8Houd je aan mijn wetten en regels. Ik ben de Heer. Door mijn wetten kunnen jullie heilig zijn.

Mishandel je ouders niet

9Iemand die zijn vader of moeder mishandelt, moet gedood worden. Het is zijn eigen schuld dat hij sterft, want hij heeft zijn ouders mishandeld.

Regels over verboden seks

10Een man die naar bed gaat met een getrouwde vrouw, moet gedood worden. Want ze is de vrouw van een ander. Ook de vrouw moet gedood worden.

11Een man die naar bed gaat met een vrouw van zijn vader, moet gedood worden. Want het is een schande voor zijn vader. Ook de vrouw moet gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

12Een man die naar bed gaat met zijn schoondochter, moet gedood worden. Ook zijn schoondochter moet gedood worden. Want ze hebben iets vreselijks gedaan. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

13Een man die naar bed gaat met een andere man zoals je naar bed gaat met een vrouw, doet iets verschrikkelijks. Beide mannen moeten gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

14Een man die trouwt met een vrouw en ook met haar moeder, doet iets verschrikkelijks. Hij moet samen met beide vrouwen verbrand worden. Zulke verschrikkelijke dingen mogen bij jullie niet voorkomen.

15Een man die seks heeft met een dier, moet gedood worden. Ook het dier moet gedood worden.

16Een vrouw die seks heeft met een dier, moet gedood worden. Ook het dier moet gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

17Een man die met zijn zus trouwt en met haar naar bed gaat, doet iets verschrikkelijks. Het maakt niet uit of ze de dochter van zijn vader of van zijn moeder is. Een man die dat doet, wordt gestraft. Want hij is naar bed geweest met zijn zus. Hij en zijn zus mogen niet meer bij het volk van Israël horen.

18Een man die naar bed gaat met een vrouw die ongesteld is, mag niet meer bij het volk van Israël horen. Ook de vrouw mag niet meer bij het volk van Israël horen. Het maakt niet uit of de man de vrouw verleid heeft, of andersom.

19Een man die naar bed gaat met een zus van zijn vader of zijn moeder, moet gestraft worden. Want hij is naar bed geweest met een familielid. Ook de vrouw moet gestraft worden.

20Als een man naar bed gaat met een vrouw van zijn oom, is dat een schande voor zijn oom. Zo’n man wordt gestraft. Hij en die vrouw zullen nooit kinderen krijgen.

21Een man die trouwt met een vrouw van zijn broer, doet iets verschrikkelijks. Want dat is een schande voor zijn broer. Die man zal met die vrouw nooit kinderen krijgen.

Houd je aan de wetten van de Heer

22Houd je aan mijn wetten en regels. Anders worden jullie weggejaagd uit het land waar ik jullie naartoe breng om daar te wonen. 23Ga niet leven zoals de inwoners van Kanaän die ik voor jullie verjaag. Ik heb een hekel aan hen, omdat ze slechte dingen doen.

24Daarom mogen jullie hun land in bezit nemen. Ik zal dat land aan jullie geven. Er is daar meer dan genoeg te eten en te drinken voor iedereen.

Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie speciaal uitgekozen uit alle volken. 25Daarom geef ik jullie een speciale regel: houd de reine dieren apart van de onreine dieren. Dat geldt voor alle dieren op het land en voor de vogels. Want jullie moeten niet onrein worden door onreine dieren te eten. Ik heb jullie geleerd welke dieren onrein zijn.

26Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, heilig ben. En ik heb jullie uitgekozen uit alle volken.

27Mannen of vrouwen die geesten oproepen om de toekomst te voorspellen, moeten gedood worden. Zulke mensen moeten met stenen doodgegooid worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.’’

21

Regels voor priesters

Over rouwen

211-4De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: ‘Als er iemand in de familie of schoonfamilie van een priester sterft, mag de priester niet bij de dode in de buurt komen. Want dan wordt hij onrein, en kan hij geen priester meer zijn. Maar hij wordt niet onrein als die dode zijn vader of moeder is, zijn zoon of dochter, of zijn broer. En ook niet als het zijn ongetrouwde zus is die nog nooit met een man geslapen heeft. Als die familieleden gestorven zijn, mag een priester wel bij hen in de buurt komen.

5Als er iemand gestorven is, mag een priester zijn hoofd niet kaalscheren of zijn baard afknippen. Ook mag hij dan niet in zijn huid snijden.

6Priesters horen bij God, ze zijn heilig. Daarom mogen ze niets doen waarmee ze God beledigen. De offers die ze brengen, zijn voedsel voor de Heer, hun God. Daarom moeten priesters heilig zijn.

Over vrouwen

7Een priester mag niet trouwen met een vrouw die hoer geweest is. En ook niet met een vrouw die door haar man weggestuurd is. Want priesters horen bij God, ze zijn heilig.

8Iedereen moet respect hebben voor een priester. Want de offers die een priester brengt, zijn voedsel voor de Heer. De priester is heilig, omdat de Heer heilig is. En de Heer zorgt ervoor dat mensen heilig kunnen zijn.

9Als de dochter van een priester zich als een hoer gedraagt, is dat een schande voor haarzelf en voor haar vader. En dan moet ze verbrand worden.

Regels voor de hogepriester

10De hogepriester is belangrijker dan de andere priesters. Toen hij hogepriester werd, is er olie over zijn hoofd gegoten en heeft hij speciale priesterkleren gekregen.

Als er iemand gestorven is, mag de hogepriester zijn haar niet los laten hangen, en zijn kleren niet scheuren. 11Hij mag nooit in de buurt van een dode komen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is. Want dan wordt hij onrein. 12Hij is hogepriester geworden door de heilige olie van God, de Heer. Daarom mag hij niet bij de heilige tent van God vandaan gaan. Want dan zou de heilige tent onrein worden.

13De hogepriester moet trouwen met een vrouw die nog nooit met een man geslapen heeft. 14Hij mag dus niet trouwen met een weduwe, of een vrouw die door haar man weggestuurd is, of een hoer. Zijn vrouw moet een jong meisje zijn uit een familie van priesters. 15Dan zullen zijn nakomelingen ook heilig zijn. De Heer zorgt ervoor dat mensen heilig zijn.’’

Over de gezondheid van priesters

16De Heer zei verder tegen Mozes: 17‘Zeg tegen Aäron: ‘Een priester moet helemaal gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij niet naar de heilige tent komen om voedsel te offeren aan zijn God. Die regel geldt voor altijd.

18Iemand die een gebrek heeft, mag dus geen priester worden. Dat geldt voor mannen die blind zijn, of niet kunnen lopen. En ook voor mannen met een afwijking aan hun gezicht, of aan hun armen of benen. 19Het geldt ook voor mannen bij wie een gebroken arm of been niet goed genezen is. 20En voor mannen die krom lopen, of die altijd klein gebleven zijn. Verder voor mannen die een oogziekte hebben, of een zweer, of uitslag. En ten slotte geldt het ook voor mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn.

21Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij geen voedsel offeren aan de Heer. Omdat hij een gebrek heeft aan zijn lichaam, mag hij geen priester zijn. 22Hij mag wel mee-eten van het voedsel dat aan God aangeboden wordt. Dat geldt voor de offers die bij een feestmaal gebracht worden, en voor de andere heilige offers.

23Maar hij mag niet in de heilige ruimte achter het gordijn komen. En hij mag ook niet bij het grote altaar komen. Want hij heeft een gebrek. De Heer heeft de tent en het altaar voor altijd heilig gemaakt. En iemand met een gebrek zou die onrein maken.’’

24Mozes vertelde al die dingen aan Aäron, aan de zonen van Aäron en aan de andere Israëlieten.

22

Regels over offers

Een priester moet rein zijn

221De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen Aäron en zijn zonen: ‘De priesters moeten de offers die de Israëlieten aan mij aanbieden, met respect behandelen. Anders beledigen ze mij. Ik ben de Heer.

3Een priester die onrein is, mag niet in de buurt van die offers komen. Als hij dat wel doet, mag hij niet meer bij mijn volk horen. Dat geldt voor altijd. Ik ben de Heer.

4-6Een priester die een huidziekte heeft of een ontsteking aan zijn penis, mag niet mee-eten van de offers. Pas als hij weer rein is, mag hij weer mee-eten.

Stel dat een priester in de buurt geweest is van het lichaam van een dode. Of mensen of dingen aangeraakt heeft die daarmee in contact geweest zijn. Dan is die priester onrein tot de avond. Hij mag pas mee-eten van de offers als hij zich gewassen heeft. Dat geldt ook voor een priester die een zaadlozing gehad heeft. En voor een priester die een klein onrein dier of een onreine man of vrouw aangeraakt heeft. 7Pas als de zon ondergegaan is, is de priester weer rein. Dan mag hij weer mee-eten van de offers. Want daar moet hij van leven.

8Een priester mag geen dieren eten die zomaar doodgegaan zijn, of die gedood zijn door een wild dier. Dan wordt hij onrein. Ik ben de Heer.

9Alle priesters moeten zich houden aan mijn regels. Ze moeten alles precies doen zoals ik het zeg. Anders zullen ze sterven. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat priesters heilig zijn.

Alleen familieleden mogen mee-eten

10Iemand die geen familie van de priesters is, mag niet mee-eten van de offers. Ook mensen die op bezoek zijn, of voor een priester werken, mogen niet mee-eten. 11Maar een slaaf van een priester mag wel mee-eten, en ook de kinderen van die slaaf.

12Als een dochter van een priester trouwt met iemand die geen priester is, mag ze niet mee-eten van de offers. 13Maar stel dat haar man sterft of haar wegstuurt, en dat ze nog geen kinderen heeft. Dan hoort ze weer bij haar familie. Dan mag ze weer mee-eten, net als vroeger.

Mensen die geen familie van de priesters zijn, mogen dus niet mee-eten van de offers. 14Als iemand per ongeluk toch mee-eet, moet hij voor het eten betalen. Hij moet ook een boete betalen van 20 procent.

15Priesters moeten de offers die de Israëlieten aan mij aanbieden, met respect behandelen. 16Ze moeten ervoor zorgen dat gewone Israëlieten niet mee-eten van de offers. Anders zouden die Israëlieten schuldig zijn. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat mensen heilig zijn.’’

Offerdieren moeten gezond zijn

17De Heer zei verder tegen Mozes: 18‘Zeg tegen Aäron, zijn zonen en de andere Israëlieten: ‘Nu volgen er regels over de dieren voor offers die helemaal verbrand moeten worden. Het maakt niet uit of iemand aan de Heer beloofd heeft om zo’n offer te brengen, of dat hij het offer vrijwillig brengt. Alle Israëlieten en alle vreemdelingen moeten zich aan die regels houden.

19Het offerdier moet een stier, een ram of een bok zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Zo’n offer zal de Heer graag aannemen. 20Als een dier wel gebreken heeft, zal de Heer het offer niet aannemen.

21Die regels gelden ook voor offers bij een feestmaal. Het maakt niet uit of iemand aan de Heer beloofd heeft om dat offer te brengen, of dat hij het offer vrijwillig brengt. Het offerdier moet een koe, een schaap of een geit zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Anders zal de Heer het offer niet aannemen.

22Dus een dier dat blind is, mag niet als offer verbrand worden op het altaar. Dat geldt ook voor een dier met een gebroken poot die niet goed genezen is. En ook een dier met een wond, een zweer of uitslag mag niet aangeboden worden aan de Heer.

23Stel dat iemand vrijwillig een offer brengt. Dan mag hij daarvoor wel een koe of een schaap met te lange of te korte poten gebruiken. Maar zo’n dier mag niet gebruikt worden voor een offer dat aan de Heer beloofd is. Dan zal de Heer het offer niet aannemen.

24-25Jullie mogen aan de Heer geen dier offeren waarvan de zaadballen afgesneden zijn. En ook geen dier waarvan de zaadballen beschadigd zijn. Ook niet als je het dier gekocht hebt van iemand uit een ander volk. Zulke dieren hebben een gebrek, en daarom mag je ze niet offeren aan de Heer. Hij zal zo’n offer niet aannemen.’’

Nog meer regels over offerdieren

26De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 27‘Als er een koe, een schaap of een geit geboren wordt, moeten jullie het dier zeven dagen bij zijn moeder laten. Pas als het acht dagen of ouder is, zal ik het dier aannemen als offer.

28Een koe, een schaap of een geit mag niet op dezelfde dag geslacht worden als haar eigen jong.

29-30Als jullie een dier slachten voor een offer om mij te danken, moeten jullie het vlees nog dezelfde dag opeten. Er mag niets bewaard worden tot de volgende dag. Anders zal ik het offer niet aannemen. Ik ben de Heer.

De Heer is heilig

31Ik ben de Heer. Houd je aan mijn wetten en regels. 32Als jullie dat niet doen, dan beledigen jullie mij.

Jullie moeten laten zien dat ik heilig ben. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat jullie heilig zijn. 33Ik heb jullie bevrijd uit Egypte. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben. Ik ben de Heer.’’