Bijbel in Gewone Taal (BGT)
21

Regels voor priesters

Over rouwen

211-4De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: ‘Als er iemand in de familie of schoonfamilie van een priester sterft, mag de priester niet bij de dode in de buurt komen. Want dan wordt hij onrein, en kan hij geen priester meer zijn. Maar hij wordt niet onrein als die dode zijn vader of moeder is, zijn zoon of dochter, of zijn broer. En ook niet als het zijn ongetrouwde zus is die nog nooit met een man geslapen heeft. Als die familieleden gestorven zijn, mag een priester wel bij hen in de buurt komen.

5Als er iemand gestorven is, mag een priester zijn hoofd niet kaalscheren of zijn baard afknippen. Ook mag hij dan niet in zijn huid snijden.

6Priesters horen bij God, ze zijn heilig. Daarom mogen ze niets doen waarmee ze God beledigen. De offers die ze brengen, zijn voedsel voor de Heer, hun God. Daarom moeten priesters heilig zijn.

Over vrouwen

7Een priester mag niet trouwen met een vrouw die hoer geweest is. En ook niet met een vrouw die door haar man weggestuurd is. Want priesters horen bij God, ze zijn heilig.

8Iedereen moet respect hebben voor een priester. Want de offers die een priester brengt, zijn voedsel voor de Heer. De priester is heilig, omdat de Heer heilig is. En de Heer zorgt ervoor dat mensen heilig kunnen zijn.

9Als de dochter van een priester zich als een hoer gedraagt, is dat een schande voor haarzelf en voor haar vader. En dan moet ze verbrand worden.

Regels voor de hogepriester

10De hogepriester is belangrijker dan de andere priesters. Toen hij hogepriester werd, is er olie over zijn hoofd gegoten en heeft hij speciale priesterkleren gekregen.

Als er iemand gestorven is, mag de hogepriester zijn haar niet los laten hangen, en zijn kleren niet scheuren. 11Hij mag nooit in de buurt van een dode komen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is. Want dan wordt hij onrein. 12Hij is hogepriester geworden door de heilige olie van God, de Heer. Daarom mag hij niet bij de heilige tent van God vandaan gaan. Want dan zou de heilige tent onrein worden.

13De hogepriester moet trouwen met een vrouw die nog nooit met een man geslapen heeft. 14Hij mag dus niet trouwen met een weduwe, of een vrouw die door haar man weggestuurd is, of een hoer. Zijn vrouw moet een jong meisje zijn uit een familie van priesters. 15Dan zullen zijn nakomelingen ook heilig zijn. De Heer zorgt ervoor dat mensen heilig zijn.’’

Over de gezondheid van priesters

16De Heer zei verder tegen Mozes: 17‘Zeg tegen Aäron: ‘Een priester moet helemaal gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij niet naar de heilige tent komen om voedsel te offeren aan zijn God. Die regel geldt voor altijd.

18Iemand die een gebrek heeft, mag dus geen priester worden. Dat geldt voor mannen die blind zijn, of niet kunnen lopen. En ook voor mannen met een afwijking aan hun gezicht, of aan hun armen of benen. 19Het geldt ook voor mannen bij wie een gebroken arm of been niet goed genezen is. 20En voor mannen die krom lopen, of die altijd klein gebleven zijn. Verder voor mannen die een oogziekte hebben, of een zweer, of uitslag. En ten slotte geldt het ook voor mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn.

21Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij geen voedsel offeren aan de Heer. Omdat hij een gebrek heeft aan zijn lichaam, mag hij geen priester zijn. 22Hij mag wel mee-eten van het voedsel dat aan God aangeboden wordt. Dat geldt voor de offers die bij een feestmaal gebracht worden, en voor de andere heilige offers.

23Maar hij mag niet in de heilige ruimte achter het gordijn komen. En hij mag ook niet bij het grote altaar komen. Want hij heeft een gebrek. De Heer heeft de tent en het altaar voor altijd heilig gemaakt. En iemand met een gebrek zou die onrein maken.’’

24Mozes vertelde al die dingen aan Aäron, aan de zonen van Aäron en aan de andere Israëlieten.