Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Joël, de zoon van Petuel, was een profeet. De Heer sprak tegen hem. Nu volgt wat Joël van de Heer moest zeggen.

De Heer straft zijn volk

Sprinkhanen hebben alles opgegeten

2-4Leiders en inwoners van Juda, luister naar mij. Luister allemaal goed! Jullie weten dat er vroeger sprinkhanen geweest zijn. Die hebben alles opgegeten. Ze hebben alle planten kapotgemaakt en alle bladeren opgegeten. Ze aten door totdat er niets meer over was.

Jullie moeten dat vertellen aan je kinderen, en zij moeten het aan hun kinderen vertellen. Iedereen moet het steeds weer doorvertellen. Want er is nog nooit zo’n ramp gebeurd! Jullie hebben nog nooit zoiets ergs meegemaakt.

Alles is kapot

5Huil maar als je graag dronken bent! Klaag maar als je van wijn houdt! Want er is geen wijn meer om te drinken. 6-7Alle druiven zijn opgegeten door de sprinkhanen. Nergens hangen meer vijgen in de bomen, en overal liggen kale takken en dode bomen.

De sprinkhanen die het land aangevallen hebben, leken op een heel groot leger. Ze waren niet te tellen. En hun tanden waren zo scherp als de tanden van leeuwen.

Er is geen eten en drinken meer

8Trek rouwkleren aan en huil! Net zoals een bruid huilt als haar bruidegom sterft.

9-10De priesters van de Heer huilen, want de velden zijn verwoest. Er groeit geen koren meer op het land, en de druivenplanten zijn dood. Daarom kan niemand graan of wijn naar de tempel brengen om te offeren. En er zijn ook geen olijven meer om olie van te maken.

11-12Boeren, stop met werken en huil! Want er groeit geen koren meer op het land. De oogst is helemaal verwoest, en ook in de wijngaard is geen werk meer. Want alle druivenplanten en fruitbomen zijn dood, alle vruchten zijn verdwenen. En ook het plezier van de mensen is verdwenen.

Iedereen moet bidden tot de Heer

13Priesters, trek rouwkleren aan en klaag. Dienaren van God, blijf de hele nacht wakker en huil! Want niemand brengt nog offers in de tempel van God.

14Kies een dag uit waarop iedereen naar de tempel moet komen. Niemand mag die dag iets eten of drinken. Roep alle leiders en inwoners van Juda bij elkaar. Want iedereen moet bidden tot de Heer, jullie God.

De dag van de Heer is dichtbij

15De dag dat de Heer komt, is dichtbij. Die dag zal verschrikkelijk zijn! De machtige God zorgt voor een tijd van grote rampen. 16Dat kun je nu al zien, want er is niets meer te eten. En niemand is meer vrolijk in de tempel van de Heer.

17De grond is droog en er kan niets meer groeien. Ook het eten dat bewaard werd, is weg. Want de schuren met graan zijn afgebroken. Nergens is meer eten te vinden. 18Je hoort koeien loeien van de honger. Schapen zoeken overal naar eten, maar ze vinden nergens gras.

Joël bidt tot de Heer

19-20Ik bid tot u, Heer. Want de velden zijn droog door de hete zon, en alle bomen zijn dood. Door de rivieren stroomt geen water meer. Zelfs de wilde dieren roepen om u.

2

De dag van de Heer is verschrikkelijk

21Luister allemaal goed! De dag dat de Heer komt, is dichtbij! Iedereen moet bang zijn voor die dag. Waarschuw daarom voor het gevaar, blaas op de trompet op de heilige berg Sion. 2Want die dag is een heel donkere dag. Het is een dag met dikke, dreigende wolken.

De sprinkhanen vallen de stad aan

Er komen nog veel meer sprinkhanen. Ze lijken op een heel groot leger. Als ze dichterbij komen, zie je pas hoe veel het er zijn. Nog nooit zijn er zo veel sprinkhanen geweest, en er zullen ook nooit meer zo veel sprinkhanen komen. 3Voordat ze er zijn, is het land net zo mooi als de tuin van Eden. En als ze weer weg zijn, is alles net zo dood als in de woestijn. Dan kan er niets en niemand meer leven.

4De sprinkhanen lijken op paarden. Ze rennen hard en zijn klaar voor de strijd. 5Je hoort ze aankomen! In de verte klinkt het als het lawaai van paarden en wagens. Maar als ze dichtbij zijn, klinkt het als droge takken die knetteren in een vuur.

De sprinkhanen lijken op sterke soldaten, die klaar zijn voor de strijd. 6Als ze komen, is iedereen bang. Iedereen wordt wit van schrik.

7De sprinkhanen zijn niet bang. Ze rennen naar voren en klimmen als soldaten over de stadsmuur. Ze lopen naast elkaar, en niet één verlaat zijn plek. 8Niet één duwt een ander opzij, allemaal hebben ze hun eigen plaats. Het helpt niet om er een paar te doden, want hun leger blijft altijd even sterk.

9De sprinkhanen vallen de stad aan. Ze klimmen over de muren en gaan de huizen binnen. Ze klimmen als dieven door de ramen.

De Heer komt met zijn leger

10-11De Heer zal komen met zijn leger. Zijn leger is groot en machtig, en het doet alles wat hij wil. Dan zullen de aarde en de hemel beven. Dan geven de zon en de maan geen licht meer, en ook de sterren verliezen hun glans. Als de Heer komt, klinkt het alsof het onweert.

De dag dat de Heer komt, zal verschrikkelijk zijn. Niemand zal dan in leven blijven.

Het volk moet luisteren naar de Heer

12De Heer zegt: ‘Ik wil dat jullie mij weer gehoorzamen. Ga vasten, en laat je verdriet en je tranen aan mij zien. 13-14Jullie moeten naar mij luisteren. Dat moeten jullie niet alleen beloven, maar ook echt doen. Misschien krijg ik medelijden, en zal ik mijn plan veranderen. Dan zal ik weer iets op het land laten groeien, en dan hebben jullie weer graan en wijn om te offeren.

Want ik ben een goede God. Ik ben vol liefde en geduld. Ik ben trouw, en ik houd er niet van om mensen te straffen.’

Iedereen moet bidden

15Blaas op de trompet in Jeruzalem. Kies een dag uit waarop iedereen naar de tempel moet komen. Iedereen moet die dag vasten. 16Roep alle mensen bij elkaar, ook de oude mensen en alle kleine kinderen. Roep zelfs mensen weg van hun bruiloft! Zorg dat iedereen klaar is om naar de tempel te gaan.

17Priesters, ga naar de tempel en bid bij het altaar: ‘Heer, red ons, want wij zijn uw eigen volk. Andere mensen lachen ons uit en vragen waarom u niets doet.’

De Heer redt zijn volk

De Heer krijgt medelijden

18De Heer zal medelijden krijgen met de mensen van zijn volk, en hij zal hen redden.

19Dit zegt de Heer tegen zijn volk: ‘Ik zal jullie weer brood, wijn en olijven geven. Er zal meer dan genoeg te eten zijn, en niemand zal jullie meer uitlachen. 20Jullie vijanden dachten dat ze sterk waren, maar ik zal ze wegjagen. Ik jaag ze naar het westen en naar het oosten. Ik jaag ze naar de woestijn, en ik laat ze verdwijnen in de zee. Overal zullen jullie de geur van hun dode lichamen ruiken.’

De Heer doet bijzondere dingen

21De velden zullen niet langer leeg zijn. Er gaat weer van alles groeien, want de Heer heeft bijzondere dingen gedaan. 22De dieren hoeven niet meer bang te zijn, want de woestijn wordt weer groen. Ook daar gaat weer van alles groeien. De bomen zullen weer vruchten hebben.

23De inwoners van Jeruzalem kunnen weer vrolijk zijn en juichen. Want de Heer, jullie God, geeft regen om alles te laten groeien. Hij laat het in ieder seizoen regenen op het goede moment. 24Daarom is er weer graan, zelfs meer dan jullie nodig hebben. En ook de bakken met druiven en olijven zijn weer helemaal vol.

De Heer maakt alles weer goed

25Dit zegt de Heer: ‘Ik had een groot leger van sprinkhanen op jullie afgestuurd. Ze hebben alle bladeren opgegeten, en ze hebben alle planten kapotgemaakt. Ze aten alles op, totdat er niets meer overbleef. Maar nu zal ik alles weer goedmaken.

26-27Jullie zullen weer te eten hebben, meer dan genoeg. Jullie zullen mij weer danken, want ik heb bijzondere dingen voor jullie gedaan. Ik ben de Heer, jullie God. Jullie zullen nooit meer uitgelachen worden. En jullie zullen weten dat ik altijd bij jullie ben. Alleen ik ben de Heer, de God van Israël!’

3

De Heer zorgt voor een veilige plek

31-2De Heer zegt: ‘Daarna zal ik aan alle mensen mijn geest geven. Aan mannen en vrouwen, aan oude en jonge mensen, en zelfs aan slaven en slavinnen. Aan alle mensen zal ik mijn geest geven. Dan zullen ze dromen krijgen en als profeten spreken.

3Ik zal wonderen doen in de hemel en op de aarde. Jullie zullen bloed zien, en vuur en rookwolken. 4Want de verschrikkelijke dag dat ik kom, is dichtbij. De zon zal zwart worden, en de maan zo rood als bloed.

5Maar iedereen die mij om hulp vraagt, zal kunnen vluchten. Want er zal een veilige plaats zijn op de berg Sion, in Jeruzalem. Dat beloof ik. Iedereen die ik uitkies, zal in leven blijven.’